Posted by: pietg | November 6, 2009

“Die mensen hebben er voor geleerd”

Misschien ook de filosofe Désanne van Brederode in het boekenprogramma van Wim Brands gezien en beluisterd in een interview n.a.v. haar boek “Door mijn schuld”? In dit boekenprogramma legde “onze” filosofe het nog eens allemaal aan de kijker uit: hoe het kwam dat mensen in de onschuld van Louwes geloven. Voor wie het niet heeft gezien, zie: Désanne van Brederode over haar boek “Door mijn schuld”.

In de eerste plaats, van die mensen als Louwes en zijn vrouw “die in een gewoon rijtjeshuis wonen”, daar voel je natuurlijk onwillekeurig sympathie voor (aldus Désanne van Brederode, die waarschijnlijk zelf niet in zo’n huis woont, dus voor haar hoeven “we” geen sympathie te voelen, gelukkig!). Verder over de rechters: “die mensen hebben er voor geleerd”, dus wie zijn “wij”, dat we daar kritiek op hebben! Zijn rechters getraind in het interpreteren van DNA materiaal? Dit is één van de vele vragen die bij zo’n bewering natuurlijk onmiddellijk opdoemen.

En ze begrijpt het ook allemaal best hoor, ook van Maurice de Hond, wiens ouders onschuldig zijn weggevoerd in de oorlog; daardoor gelooft hij ook in de onschuld van Louwes, volgens haar. Een perfect voorbeeld van kijken naar antecendenten in plaats van argumenten bij Désanne van Brederode, waar rechters +OM ook zo sterk in kunnen zijn. Het was allemaal zo verschrikkelijk dom en ergerlijk dat ik ben opgehouden met hiernaar te kijken en luisteren, hoewel ik dat i.h.a. wel tot het bittere einde volhoud. En Wim Brands gaf totaal geen tegengas, wat mij ook wel teleurstelde. In het begin van het gesprek memoreerde hij trouwens ook nog even dat minister Hirsch Ballin en misdaadverslaggever Peter (R.!) de Vries vleiende teksten op de achterflap hebben geschreven. Nou, dan moet het wel een heel goed boek zijn, natuurlijk!

Voor verdere informatie over Désanne van Brederode en de “uitbreiding van haar katholieke geloof in het hiernamaals met geloof in karma en reïncarnatie”, zie bijv.: Het wijwater van Désanne van Brederode. Hierin ook de aardige uitspraak van Jaap van Heerden: “In mijn vorig leven geloofde ik in reïncarnatie, maar nu niet meer”. Deze geloven van Désanne van Brederode zijn dus kennelijk inmiddels uitgebreid met nog een geloof: het geloof in de schuld van Louwes.

Posted by: pietg | October 4, 2009

De eenzaamheid van de priemgetallen

Gisteren las ik het boek “De eenzaamheid van de priemgetallen”. Ik kreeg het te leen van iemand die er niets aan vond. Het gaat overigens helemaal niet over priemgetallen, maar over twee mensen die zich gedragen als een “priemtweeling”. De schrijver is een jonge Italiaanse natuurkundige: Paolo Giordano.

Eerlijk gezegd had ik geen hoge verwachtingen. Maar dat was ten onrechte! Het is een fantastisch boek. Het lijkt één lange hallucinatie en het is niet een boek waar je vrolijk van wordt. Maar iets dat goed geschreven is of goed gedaan, geeft mij toch altijd iets waar ik een zekere dankbaarheid voor voel. Hieronder komt een passage uit het boek, waarin beschreven wordt hoe de manlijke hoofdpersoon van het boek, die wiskunde studeert (Mattia), de priemtweelingen met zichzelf en de vrouwelijke hoofdpersoon (Alice) van het boek vergelijkt.

“Tijdens college in het eerste jaar had Mattia geleerd dat er onder de priemgetallen nog specialere getallen waren. Die noemden wiskundigen tweelingpriemgetallen: dat zijn paren van priemgetallen die vlak bij elkaar staan, zo goed als naast elkaar zelfs. Want ertussenin staat altijd een even getal dat ze belet elkaar echt te raken. Getallen zoals 11 en 13, 17 en 19, 41 en 43. Als je het geduld hebt om door te tellen, kom je erachter dat die paren steeds zeldzamer worden. Je stuit op steeds geïsoleerder priemgetallen, verdwaald in die stille, ritmische, louter uit getallen bestaande ruimte, en je krijgt het angstige voorgevoel dat de paren die je tot dan toe hebt gevonden op toeval berusten, dat elk getal in wezen voorbestemd is alleen te blijven. En dan, net als je op het punt staat het op te geven, als je geen zin meer hebt om te tellen, stuit je op nog twee tweelingpriemgetallen die zich aan elkaar vastklampen. Wiskundigen zijn het erover eens dat er, hoe lang je ook doorgaat, altijd weer twee zullen zijn, al kan niemand zeggen waar, zolang ze nog niet zijn ontdekt.
Mattia dacht dat Alice en hij zo waren, twee tweelingpriemgetallen, alleen en verloren, vlak bij elkaar, maar niet dicht genoeg om elkaar echt te raken.”

Hier moet ik wel even een kanttekening bij maken. Ik heb het toevallig ook al over die priemtweelingen gehad in mijn afscheidsrede Summa Cogitatio, zie Nieuw Archief voor Wiskunde p. 124 en 125 en tabel 1. Het is niet bewezen dat er oneindig veel zijn! Wel is er een vermoeden dat er oneindig veel zijn, en ik denk zelf ook dat er oneindig veel zijn, maar het is niet bewezen! Ik moest even denken aan de grap die onlangs in de (bijzonder leuke) rubriek “Wiskundemeisjes” van de Volkskrant werd verteld: een natuurkundige, een wiskundige en een logicus reizen door Schotland met de trein, en zien een zwart schaap in de wei staan. De natuurkundige zegt: “Hé, de schapen in Schotland zijn zwart!”. Nee, zegt de wiskundige, “je bedoelt: er is minstens één zwart schaap in Schotland”. Nee, zegt de logicus, “we weten alleen dat er minstens één schaap in Schotland is dat aan minstens één kant zwart is”. In deze zin moet de misschien de opmerking van de schrijver (die natuurkundige is): “wiskundigen zijn het erover eens dat…” (er oneindig veel priemtweelingen bestaan) geïnterpreteerd worden.

Maar goed, daar gaat het boek eigenlijk niet over. Het gaat over hoe de twee hoofdpersonen op hun eigen manier reageren op een verschrikkelijke gebeurtenis in hun jeugd. Verder speelt het thema “verdwijnen” een grote rol in het boek. Net zoals de priemtweelingen in een bepaalde zin “verdwijnen” in de ruimte van natuurlijke getallen (maar of ze op een gegeven moment voorgoed zullen verdwijnen of met -in het algemeen- steeds grotere tussenpozen terug zullen blijven komen weten we dus nog steeds niet, meer dan 2000 jaar nadat Euclides bewezen heeft dat de priemgetallen zelf wel terug blijven komen) verdwijnt het tweelingzusje van Mattia (weer die tweeling) plotseling nadat hij haar op een bank in een park heeft neergezet, en verdwijnt hij zelf door zich op te sluiten in zijn kamer en met niemand om te gaan. Alice verdwijnt eerst in de mist op de skipiste en probeert vervolgens te verdwijnen door bijna niets meer te eten. En natuurlijk is er het thema van de eenzaamheid: Mattia en Alice “herkennen elkaars eenzaamheid”.

Een grappig detail is dat het onsympathiekste en wreedste personage in het boek (Viola) kiest voor… rechten als studie en in dit verband ook opmerkt dat wiskunde onbelangrijk is (want ze gaat toch rechten studeren). Ook zeer herkenbaar was de voorkeur van Mattia om overdag bij kunstlicht met gesloten gordijnen te willen werken aan zijn wiskunde. Hij past trouwens wel weer helemaal in het beeld van de “mad mathematician” dat wordt opgeroepen aan het begin van de amusante blog van Timothy Gowers: When normality is abnormal.

Posted by: pietg | September 24, 2009

Opmerkingen over de liefde, deel 2

Ik droomde vannacht over een middelbare schoolliefde. Dat wil zeggen, ze (het object van mijn toenmalige liefde) kwam in mijn droom voor alsof ze ouder geworden was, terwijl ik haar sinds 1960 niet meer heb gezien en ook niet weet wat er van haar geworden is. Zij was ook zo iemand die hoort bij een bepaalde omgeving. Of misschien moet ik zeggen dat voor mij een bepaalde omgeving, in dit geval Terschelling, bij haar hoort. Het was het soort liefde dat ons allebei tamelijk hevig heeft aangepakt zonder dat het tot iets heeft geleid, bijna zoals dat beschreven wordt in Lucien Leuwen van Stendhal.
Eigenlijk hoort dit allemaal duidelijk bij deel 2, als vervolg op Opmerkingen over de liefde, deel 1, die ik begonnen ben, daartoe aangemoedigd door een lezer die -om eerlijk te zijn- mij niet zo zeer over de liefde wilde zien schrijven als wel over “vrouwelijk schoon”. Maar het leek mij toen beter om dit in een wat wijdere context te plaatsen. Helaas, ik moet werken aan dingen die met mijn vak te maken hebben en ook nog viool studeren, dus: geen tijd!
Maar dan vandaag toch wat over de liefde uit “De l’amour” van Stendhal:
“Je viens d’éprouver ce soir que la musique, quand elle est parfaite, met le cœur exactement dans la même situation où il se trouve quand il jouit de la présence de ce qu’il aime; c’est-à-dire qu’elle donne le bonheur apparemment le plus vif qui existe sur cette terre.”
Ik zal het maar even proberen te vertalen: “Vanavond heb ik ervaren dat muziek, als ze perfect is (of perfect wordt uitgevoerd), precies dezelfde uitwerking heeft op ons hart als wanneer het geniet van de aanwezigheid van iemand van wie wij houden (eigenlijk: “van wie het -ons hart- houdt”); dat wil zeggen dat het ons waarschijnlijk het meest hevige geluk schenkt dat op aarde bestaat.”
Ik las deze zin net nog even door de telefoon aan mijn oudste zoon voor die zei: “Ja, ik ben het daar geloof ik wel mee eens. Het maakt waarschijnlijk dezelfde stofjes vrij.”

Posted by: pietg | September 14, 2009

Justitie vindt weer iets terug na 9 jaar

Het wordt eentonig, maar er moet toch over worden bericht. In de Deventer moordzaak tegen Ernest Louwes zijn nog steeds het vest en de broek die de weduwe Wittenberg aanhad tijdens de moord “zoek”. Wel is op een wonderbaarlijke manier de blouse die zij onder het vest aanhad teruggevonden, hoewel de twee rechercheurs die hierover gingen allebei gezegd hebben dat ze eigenlijk niet weten wat er allemaal met die blouse is gebeurd sinds het begin van de zaak. Eén van de twee rechercheurs die het proces-verbaal hebben opgemaakt was ziek toen dit werd geschreven en heeft meegedeeld er helemaal niets van te weten en de andere rechercheur heeft gezegd dat wat hij in het proces-verbaal heeft opgeschreven in feite een reconstructie was van de afdeling en dat hij eigenlijk ook niet weet wat er mee gebeurd is.
Louwes heeft (vrij snel na zijn vrijlating) tegen deze rechercheurs een procedure aangespannen bij het hof in Leeuwarden, waarbij deze rechercheurs evenwel niet zijn komen opdagen (zie het naschrift in: Ernest Louwes en de media). Louwes is de laatste keer dat hij veroordeeld werd (door het hof in Den Bosch) voornamelijk op het DNA dat op deze blouse werd aangetroffen “schuldig” bevonden. Zouden het vest en de broek ooit ook nog weer plotseling boven water komen?

Vandaag (14-9-09) konden we lezen dat een oude video band die cruciaal was voor een in het jaar 2000 gepleegde moord plotseling toch ineens weer gevonden is, zie Video in oude moordzaak duikt alsnog op. De advocaat van de in 2003 in hoger beroep veoordeelde Danny van den H., Knoester, zei in augustus (toen de band nog “zoek” was) weer allemaal dingen die heel bekend klinken:
“Ik heb nog nooit zo’n slechte veroordeling gezien. Er is geen technisch onderzoek gedaan naar de kogelhulzen. Hij is vooral veroordeeld op grond van getuigenverklaringen, maar die spreken elkaar tegen. De rechters hebben alleen verklaringen gebruikt die passen bij Danny.” En verder: “Technisch bewijs kwam er niet aan te pas, de rechters hebben de videoband merkwaardig genoeg niet eens opgevraagd en bekeken. Ook de agent die er een proces-verbaal van had opgemaakt, is nooit als getuige gehoord.”
Verder lezen we de voor zichzelf sprekende mededeling: “Justitie benadrukt dat de beelden altijd in eigen bezit zijn gebleven en niet onbevoegd te zien zijn geweest.”

Posted by: pietg | September 9, 2009

American school reunion humor

Since I am under close surveillance on both sides of the Atlantic ocean, I also have American readers, and one of them wrote to me today:
Since you had a 50th class reunion this year, thought you’d enjoy: She’s got you

Thank you, Judy! A cautionary word for the American readers: automatic translations often give the opposite meaning of what is meant in Dutch!

Posted by: pietg | September 4, 2009

Opmerkingen over de liefde, deel 1

Eén van mijn trouwe lezers schreef mij: “Jan en Willem heb ik nooit over vrouwelijk schoon horen praten. Ik hoop niet dat ze het type van de grijze muis zijn geworden en alles verdroogd is.” Hij wilde graag dat ik daar wat over schreef (over vrouwelijk schoon en de liefde), of dat Jan en Willem daar eens wat over zouden gaan discussiëren. En op dezelfde dag schreef een andere lezer mij: “Je moet weten dat je veel mensen heel blij maakt met je blogs.” Tja, dat weet ik natuurlijk niet, want ik ben dat schrijven van die blogs ooit begonnen omdat ik een aantal jaren geleden wat dingen over de Lucia de Berk zaak wilde schrijven, die mij toen hoog zaten (en eigenlijk nog steeds hoog zitten). En de mensen die aanstoot nemen aan mijn blogs bereiken mij wat eerder dan de mensen die ze kennelijk wel met plezier lezen. Maar meestal als ik een blog schrijf heb ik het gevoel in een soort luchtledig te schrijven. En ook denk ik elke keer dat ik weer een blog schrijf: waarom doe ik dit eigenlijk, wordt hiermee enig goed doel gediend?

Maar het is wel zo dat als ik me heel erg boos heb gemaakt over iets of anderszins geëmotioneerd ben geraakt, dat ik dan maar weer aan mijn computer ga zitten (“day or night”) om er iets over op te schrijven. Het is eigenlijk meer voor mezelf dan voor iemand anders. Ik weet wel dat er vrienden zijn die het zullen lezen, maar er zijn eigenlijk zo veel andere dingen die mogelijk belangrijker zijn om te doen. Eén van mijn ex-promovendi zei ooit tegen mij: “Heb je nou dat boek al geschreven dat je zou schrijven?”. Mijn antwoord: “Nee!”. Zijn antwoord: “Ik verheugde me zo op dat boek, ik dacht dat het heel leuk zou worden!”. Ik ging door de grond toen hij dat zei; ik had hem dus eigenlijk een beetje in de steek gelaten. En dat hij zich verheugde op een boek dat ik zou schrijven, dat had ik nooit verwacht. Het is natuurlijk wel zo dat ik me zelf verheug op een nieuw boek van een schrijver van wie ik houd. Als er bijv. een nieuwe Murakami uit zou komen, zou ik die onmiddellijk willen lezen. Maar dat iemand zich verheugde op een boek dat ik zou schrijven over mijn vak, daar was ik toch wel verbaasd over!

Goed, ik zou daar misschien wel iets over kunnen schrijven, over de liefde of verliefdheid, of tenminste, over de dingen die daar denk ik mee te maken hebben. Maar het is een onmetelijk onderwerp natuurlijk! En er is, met name door Stendhal in “De l’amour”, al veel herkenbaars (dit is niet helemaal het goede woord, “but it’ll have to do for now”) over gezegd. Ik zal een beginnetje maken en dan kijken hoe het valt. De reden voor het kiezen van de hier volgende herinnering is dat ik dergelijke gebeurtenissen nooit beschreven heb gezien. Wel misschien vergelijkbare gebeurtenissen, maar die speelden zich dan onveranderlijk op veel latere leeftijd af.

Bij de ene mens begint het eerder dan bij de ander, het soort liefde of verlangen dat lichamelijk contact inhoudt met iemand die niet tot je familie behoort zoals je vader of moeder. Dat is natuurlijk heel spannend, o.a. omdat de potentiële afwijzing meteen een rol begint te spelen. Bij mij begon het al heel vroeg. Dat is niet iets waar ik trots op ben of zo, het is om een of andere reden nu eenmaal zo gegaan. Ik denk dat het kwam door de “juf” die wij in de derde klas lagere school (tegenwoordig: groep 5) hadden: Juf(frouw) van der Vlis. Toen we haar als onderwijzeres hadden zinderden de relaties tussen jongetjes en meisjes door de klas. Juffrouw van der Vlis is te zien achter ons op de foto hieronder, ik zelf ben het jongetje links vooraan en mijn vriendinnetje (Guus) is het meisje met de grote strik in het haar, zesde van links op de bovenste rij. Ik ben haar geheel uit het oog verloren, maar de gebeurtenissen in die derde klas hebben de rest van mijn leven getekend, voor mijn gevoel.

klas-1.jpg

Damsigt school, derde klas, 1949

Wat deden we? Op een of andere manier was na school het idee ontstaan dat we met drie “paren” zouden gaan wandelen langs de sloten en weilanden van het dorp waarin ik opgroeide: Voorburg. Wie is met dat idee gekomen? Ik wilde dat ik het wist, maar ik weet het niet meer. De vier andere kinderen die hierbij betrokken waren, staan ook op de foto, maar ik zal niet onthullen wie het zijn.

Niet alleen gingen we wandelen, we legden ons ook neer bij een slootje onder bomen langs de kant van een weg en het meisje en de jongen van een paar kusten elkaar dan. Tenminste, ik kuste mijn vriendinnetje en zij mij, of liever gezegd: wij kusten elkaar, en ik neem aan dat die andere twee paren dat ook deden, maar ik heb daar toen eigenlijk niet zo op gelet. Het was heerlijk! Het was iets dat al het andere toen overheerste. Gewoon alleen al in haar nabijheid te kunnen zijn, dat was voor mij een ongekend geluk!

Ik herinner me nog dat ik ’s avonds in bed lag en dacht: “Ik houd meer van haar dan van mijn ouders” en tegelijk daar een schuldgevoel over had, want ik vond dat dit eigenlijk niet mocht! Iemand van de andere twee paren stelde trouwens voor dat we ook eens zouden “wisselen”, er was in het bijzonder een ander jongetje dat graag mijn vriendinnetje wilde kussen, maar gelukkig werd dat door haar niet toegestaan en ik had zelf ook geen behoefte om één van die twee andere meisjes te kussen. Dus dit voorstel vond geen doorgang.

Ook was het zo dat jaren later, als ik zelfs maar in de buurt was van die plekken waar dit allemaal gebeurde, dat tegelijk enigszins beklemmende en prettige gevoel er meteen weer was. Zelfs toen ik al van de middelbare school af was, ben ik wel weer daar naar teruggegaan om te kijken of dat gevoel weer zou ontstaan. Dat is overigens een belangrijk thema, waar ik mogelijk nog op terug zal komen als dit begin tot een vervolg leidt. Ik heb er wel eens met vrienden over gepraat, maar ik kreeg niet het gevoel dat zij zich hierbij in mij konden verplaatsen.

Er is trouwens nog iets anders. Zelfs nu, meer dan een halve eeuw later, kijk ik naar die foto en zie dat de kinderen die daar op staan nog zo voor mij leven en zo een deel van mezelf geworden zijn, dat ze bijna van de foto af lijken te springen. Niet allemaal overigens, en ook niet noodzakelijk kinderen waar ik toen veel contact mee had. Het is eigenlijk allemaal heel geheimzinnig en ik heb ook niet het gevoel dat ik er veel greep op heb.

Posted by: pietg | September 2, 2009

Brise marine

In de discussie tussen Jan en Willem “Wat is een goede leraar?” komt het gedicht “Brise Marine” ter sprake, dat ik hieronder voor de volledigheid even helemaal geef. Toen ik dit gedicht voor de eerste keer las was ik vooral verbaasd over dat “et j’ai lu tous les livres”. Ik denk dat dit er voornamelijk staat vanwege het erop volgende “Je sens que des oiseaux sont ivres”. En dat vond ik wel weer een mooi beeld, “dronken vogels”, dus dan nam ik dat “et j’ai lu tous les livres” op de koop toe. Er was nu eenmaal in die tijd de dwang om te rijmen. Maar ik las ergens dat dit “et j’ai lu tous les livres” gezien zou moeten worden als een toespeling op Goethes Faust (“savant qui s’ennuie”), zie: Brise marine (Mallarmé, poésies, 1887). Misschien…

Ook zit natuurlijk de associatie moeder-boot in dit gedicht (net als bijvoorbeeld in Nijhoffs gedicht “Ik ging naar Bommel om de brug te zien”).

Hoewel ik nog wel wat meer gedachten over dit gedicht heb, wilde ik echter even ingaan op iets anders, nl. dat het aan komen zetten met een gedicht als dit het volgende gevoel bij mij opwekt: schaamte. Alleen al al die uitroeptekens. (Ik bedoel: Alleen al al die uitroeptekens!).

Even iets over uitroeptekens. Er was een tijd dat ik helemaal geen uitroeptekens meer zette. Maar omdat mijn vrouw (in die tijd) iets zei in de trant van: “Stel je toch niet zo aan met die uitroeptekens, wat is er nou eigenlijk tegen het zetten van uitroeptekens?”, ben ik toen toch maar weer uitroeptekens gaan zetten. Maar een beetje voorzichtig met uitroeptekens moet je toch wel zijn. Er was een vertaling van Homerus van Timmermans waarin zo ongeveer achter elke zin een uitroepteken stond:

Schitterend, ja, om te zien is; maar geestkracht of weerkracht, geen schaduw!
Hebt ge ‘t, zo’n held! waarachtig gewaagd met uw schepen te varen
Over het diep! Hebt ge daarvoor ook nog kameraads kunnen vinden!
Hebt ge inderdaad het gewaagd onder vreemde mensen te leven!
En ook een vrouw durven schaken, zo lieflijk van aanschijn, de zuster
Dier krijgshaftige strijders uit landen, zo verweg gelegen!

Dat is toch echt iets te veel van het goede. En misschien is er nog wel iets meer aan te merken op deze vertaling… Maar ik dwaal af. Een zekere bombast in het gedicht van Mallarmé kan niet ontkend worden. En als je je dan voorstelt dat een leraar dit dan ook nog eens op gezwollen toon gaat voorlezen in de klas, een gezwollenheid waartoe ook die uitroeptekens toch wel uitnodigen, dan kun je je best voorstellen dat de Franse collega van W. dacht: “Dit gedicht, daar wil ik niets meer mee te maken hebben. En ik heb het nog uit mijn hoofd moeten leren ook!”.

Brise marine

La chair est triste, hélas! et j’ai lu tous les livres.
Fuir! là-bas fuir! Je sens que des oiseaux sont ivres
D’être parmi l’écume inconnue et les cieux!
Rien, ni les vieux jardins reflétés par les yeux
Ne retiendra ce cœur qui dans la mer se trempe
Ô nuits! ni la clarté déserte de ma lampe
Sur le vide papier que la blancheur défend
Et ni la jeune femme allaitant son enfant.
Je partirai! Steamer balançant ta mâture,
Lève l’ancre pour une exotique nature!
 
Un Ennui, désolé par les cruels espoirs,
Croit encore à l’adieu suprême des mouchoirs!
Et, peut-être, les mâts, invitant les orages,
Sont-ils de ceux qu’un vent penche sur les naufrages
Perdus, sans mâts, sans mâts, ni fertiles îlots…
Mais, ô mon cœur, entends le chant des matelots!

J. Ik las dat stukje Wat is een goede leraar? van je collega Piet Groeneboom.
W. Ja, ik heb het ook gelezen.
J. Een belachelijk stukje!
W. Hoezo?
J. Het is volkomen irreëel wat daar in staat. Laat ik even in de mannelijke vorm spreken, hoewel wat ik zeg natuurlijk evenzeer geldt voor leraressen.
Een leraar heeft bepaalde onderwijsdoelen. Daar wordt hij op afgerekend. Hij moet onwillige kinderen klaarstomen voor het eindexamen. Stampen en veel sommetjes maken, dat is waar het om gaat! Zo niet goedschiks dan wel kwaadschiks! De leraar moet er gebruik van maken dat kinderen op die leeftijd nog een soort sponzen zijn die enorm veel in zich kunnen opnemen. Dus die leerlingen moeten vooral veel woordjes uit het hoofd leren.
W. Laat ik even ingaan op “Zo niet goedschiks dan wel kwaadschiks!”. Besef je wel dat er leerlingen zullen zijn die het gewoon zullen verdommen om te “stampen”? Die zullen proberen de kantjes er af te lopen en bij wie dat soort dwang een averechts effect zal hebben? En dat dit niet noodzakelijkerwijs de allerdomsten zullen zijn?
J. Dat ze niet willen stampen laat al zien dat het waarschijnlijk domoren zijn die niet eens kunnen stampen. Hoe denk dat je een rechtenstudie kunt voltooien zonder stampen?
W. Ja J., ik heb geen rechten gestudeerd zoals jij, dus ik heb daar geen ervaring mee. Maar laat ik eens een voorbeeld geven van wat me op school niet beviel. Onze Franse lerares las het gedicht van Verlaine “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” voor.
J. Ja, dat prachtige gedicht!
W. Mmm… Ik herinner me nog dat ik toen ze dit voorlas dacht: “Daar wil ik niets mee te maken hebben”.
J. Wat laat zien dat jij geen gevoel voor literatuur hebt, je bent nu eenmaal een echte beta!
W. Misschien. Maar laat me even uitleggen waarom ik dat dacht. Het was de gezwollen toon waarop dit werd voorgelezen. Ik voelde het als het doorgeven van een dogma. Het dogma “Dit is een prachtig gedicht, dit horen jullie allemaal mooi te vinden”.
J. Het is ook een prachtig gedicht, zelfs jij zou dit mooi moeten kunnen vinden, als je ook maar een greintje gevoel voor literatuur en dichtkunst had!
W. Je begrijpt niet wat ik bedoel J.! Laten we even afzien van de vraag of dit een goed of slecht gedicht is. De kwestie is dat toen dat zo gezwollen werd voorgelezen, ik dacht: gatver, ik wil daar niets mee te maken hebben! En dat er natuurlijk op dezelfde manier legio leerlingen zullen zijn die dat ook zullen denken.
J. Hoe moet het volgens jou dan wel?
W. Ik denk dat de methode van die schaakleraar in het boek “Spel” van Stephan Enter die in dat belachelijke stukje (jouw woorden) ten tonele wordt gevoerd zo gek nog niet is. Ik denk dat een leraar heel erg terughoudend moet zijn.
Ik heb ergens gelezen dat iemand ’s avonds in een tuin wandelde en daar de Franse dichter Mallarmé tegenkwam die tegen hem zei: “Ik heb net deze zin bedacht die ik zelf erg mooi vind, zou u er misschien nog een betekenis aan toe kunnen kennen?” Dat sprak me wel erg aan.
J. Sprak je wel erg aan?
W. Ja, omdat ik denk dat een gedicht toch een beetje raadselachtig moet zijn, een verrassingselement moet hebben, en moet beginnen vanuit de klank. Aan “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” is niets raadselachtigs of verrassends, je begrijpt meteen dat Verlaine dacht: “pleure”, “coeur” en “pleut”, daar kan ik iets moois mee fabriceren.
J. Maar het begint wel vanuit de klank en dat wil je dus.
W. Ja, O.K. Het begint vanuit de klank, maar het is me allemaal net iets te voor de hand liggend.
J. O god, krijgen we dat. Het moet van jou natuurlijk allemaal diep en raadselachtig zijn. Zo’n mooi lekker in het oor liggend gedicht als van Verlaine mag weer niet.
W. Laten we even van Verlaine afstappen en het over Mallarmé hebben. Ik was onlangs op een conferentie in Göteborg en toen liep ik met een aantal Fransen langs de haven en zei “Brise marine”.
Bij Franse academici heb je altijd mensen die op de “Ecole normale supérieure” zijn geweest en mensen die daar niet op zijn geweest. De mensen die op de “Ecole normale supérieure” zijn geweest zeggen altijd dat het niet erg is als je er niet op bent geweest en de mensen die er niet op zijn geweest zeggen toch wel vaak dat ze opzien tegen mensen die er wel op zijn geweest. Eén ding is duidelijk: het is voor die Franse academici een heel erg belangrijk thema.
Maar goed, toen ik dus zei “Brise marine”, zei de Fransman van de Ecole normale superieure: “La chair est triste, hélas! et j’ai lu tous les livres.” En ik weer: “Fuir! là-bas fuir!” Het is bijzonder leuk om elkaar met citaten uit gedichten om de oren te slaan!
Maar wat bleek: hij vond er niets aan, aan dat gedicht. Hij had het op school uit zijn hoofd moeten leren. De kleinburger die droomt van het ‘t ruime sop kiezen, alles achter zich te laten, zo ongeveer dacht hij over dit gedicht. Maar ik denk eigenlijk dat hij aan dat gedicht zo de pest had omdat hij op school een soortgelijke ervaring had doorgemaakt als ik bij dat gedicht van Verlaine. Dat “Fuir! là-bas fuir!” sprak mij juist heel erg aan, omdat ik dat op school ook altijd zat te denken: was ik maar ergens anders, zat ik maar op een boot op de wilde vaart of zo. Ik had natuurlijk helemaal geen Mallarmé gehad op school, dus ik las het “onbelast”. En overigens kwam ik tot Mallarmé en Valéry via Vestdijk, die daar enorm goede essays over heeft geschreven.
J. Kijk, kijk, je bent dus niet helemaal ongeletterd. Maar wat is nu de pointe van deze uiteenzetting?
W. De pointe is de terughoudendheid die een leraar moet betrachten. Hij moet beseffen dat veel van de leerlingen, als het tenminste niet enorme braverikken zijn, eigenlijk niets willen weten van zijn wereld, en dat het zwelgen in gedichten als “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” alleen maar hun walging opwekt.
J. Ten onrechte!
W. Misschien J., maar toch zouden die leraren zich dat meer moeten realiseren. Wij lazen op school ook het boekje “Prose d’aujourd’hui”. Daar stond een kort stukje uit La nausée van Sartre in, waarin hij beschrijft dat hij in de mist loopt. Dat vond ik nu ineens fantastisch! Er gebeurt ongeveer niets, maar het is buitengewoon goed geschreven. Maar Sartre en La nausée, dat was natuurlijk niets voor die christelijke school waar ik op zat. Ik heb later het hele boek gelezen.
J. Nausée, daar had je zeker erg veel last van toen je op school zat?
W. Ja J., dat heb je goed gezien, ik was één bonk nausée. Woordjes leren, luisteren naar gezwollen voordrachten, stupide sommetjes maken, verschrikkelijk! Ik las thuis boeken over wis- en natuurkunde, als tegenwicht tegen de saaiheid van wat ik op school moest doen, bijvoorbeeld het enorm leuke boek van Fred Schuh “Spelen met getallen” en “Eén, twee, drie… oneindig” van Gamow.
J. Nou, nou, je kunt toch niet van de gemiddelde leerling verwachten dat hij dat ook gaat doen?
W. Als er ook maar iets, iets… van wat er werkelijk in de wis- en natuurkunde gebeurt was onderwezen op school, o, hoe anders zou mijn leven dan, in ieder geval op school, zijn geweest! Ik mocht er zelfs niet over praten, omdat dit onmiddellijk door de wiskundeleraar als “geleerd doen” werd neergesabeld.
Ik had bijvoorbeeld net gelezen hoe je betekenis kon toekennen aan wortels uit negatieve getallen (derde klas) in het platte vlak. Het was voor mij een openbaring! Ik zei er iets over op de wiskundeles, omdat de leraar altijd riep: “De wortel uit min één bestaat niet”. Toen hij dat weer eens riep, riep ik: “De wortel uit min één bestaat wel, het is een imaginair getal!”. Misschien had ik beter kunnen roepen “complex getal” om het woord “imaginair” te vermijden, dat inderdaad suggereert dat het niet bestaat. Maar wat werd hij boos op mij! Hij zei: “Voor jullie bestaat de wortel uit min één niet!” en kwalificeerde wat ik daar over zei als “geleerd doen”. Ik las in die tijd ook het boek “Inleiding tot de logica” van Tarski, dat ik van mijn zakgeld had gekocht, maar ik durfde dat na deze ervaring niet te vertellen aan mijn leraren.
J. Het is wat! Ik heb mijn schooltijd heel anders ervaren. Ik vond het heel leuk op school. En dan die schoolfeestjes en klasse avonden, dat was toch verdomd gezellig! Het heeft zich bij mij naadloos voortgezet in mijn studententijd, waarin ik, zoals je weet, rector van de senaat van het corps ben geweest. Dat was ook een verdomd gezellige tijd.
Wat jij daar beschrijft, dat zijn dingen die je op school nog niet moet doen. En ach, een beetje woordjes leren en sommetjes maken tussendoor, is dat nou zo erg? De school is toch een voorbereiding op het (sociale) leven? Dat is toch ook waar het studiehuis over ging? In groepjes werken aan iets? Je moet toch leren netwerken en leren met je medeleerlingen om te gaan? Dat is waar het om gaat!
W. Het is duidelijk dat we er anders over denken. En het is inderdaad jammer dat er niet verschillende scholen zijn voor verschillende types leerlingen. In Rusland is dat wel zo, gek genoeg. In Nederland hebben we het te druk met het stichten van allemaal verschillende scholen op levensbeschouwelijke basis!

Posted by: pietg | August 28, 2009

Wat is een goede leraar?

Net een reünie van mijn oude klas achter de rug, waarbij de vraag aan de orde was:
“Wat is een goede leraar?”. Ik ben zelf geneigd daarop te antwoorden: “Een goede
leraar is iemand die aanzet tot zelfstandig denken”. Ja maar, zeggen anderen dan:
“Als je een vreemde taal wilt leren, moet je woordjes leren, moet een leraar je niet
gewoon dwingen om woordjes te leren?”. En: “Als je wiskunde wilt leren, moet je toch
een hoop sommetjes maken, moet de leraar je niet gewoon trainen in het sommetjes
maken?”.

Om met het laatste te beginnen: te denken dat het onderwijzen van wiskunde
bestaat uit het africhten in sommetjes maken is m.i. een misverstand. Bij het dwingen tot eindeloos maken van allemaal stompzinnige algebra opgaven (en vooral: veel van die sommen binnen de gestelde tijd!) worden robots gekweekt, die zich als goed geoliede machines van de hun gestelde taken kwijten.

In het boek van Stephan Enter “Spel” is een buitengewoon boeiend hoofdstuk dat het wel en wee van een jeugd schaakclub beschrijft. Hier is een korte samenvatting. De leden van de schaakclub hebben les van iemand die ik nu maar even zal aanduiden met “de majoor”, die de leerlingen steeds opgaven voorzet van het type: “Wit wint door mat in drie zetten. Vind deze zetten”. De majoor is echter tijdelijk niet beschikbaar en er komt een invaller die niet zo kien is op dit soort opgaven (overigens zonder ze onmiddellijk af te wijzen) en die wat aarzelender over e.e.a. praat. Meer in de trant van: “Tja, wat zouden we hier eens kunnen doen?” of “Hoe zou Wit hier de aanval op de damevleugel eens kunnen voortzetten?”. En de leden van de schaakclub slaan vanzelf aan het meedenken. Ze merken niet onmiddellijk dat ze hier iets aan hebben, maar als ze in een toernooi spelen blijken ze tot hun stomme verbazing enorm te zijn vooruitgegaan: ze winnen meer partijen dan ze verliezen en de hoofdpersoon krijgt zelfs een medaille voor de achtste plaats!

Ze gaan na dit toernooi naar huis in het door de schaakcoach gecharterde busje en zijn natuurlijk behoorlijk blij met dit resultaat. Dan komt er echter nog een ander thema aan de orde dat te maken heeft met de homoseksualiteit van deze invaller, waar deze leerlingen ook weet van hebben. Ik zal niet verklappen wat er dan precies gebeurt, maar in ieder geval is het tevens het afscheid van deze invaller en komt daarna de majoor weer terug met zijn “Mat in drie zetten” problemen, dat door de leerling die een enigszins kwalijke rol in de bustocht naar huis na het toernooi heeft gespeeld als eerste wordt opgelost.

Wat hier beschreven wordt is misschien een fantasie (hoewel het verslag van de gebeurtenissen wel kenmerken heeft die doen vermoeden dat iets van deze aard echt heeft plaatsgevonden); ik denk ook dat een dergelijke vooruitgang onder een goede docent wel mogelijk is. Zo’n vooruitgang is niet mogelijk onder een docent die elk zelfstandig denken in de kiem smoort (tenzij de leerlingen zich daar niets van aantrekken en toch zelf aan het denken slaan; maar zo zal het meestal niet gaan, vrees ik).

Wiskunde is een vak dat zich ontwikkelt en is niet “sommetjes maken”. De mentaliteit
die op het laatste de nadruk legt doet mensen ook geloven dat de wiskunde “af” is.
Niets is minder waar! Er zijn miljoenen te verdienen bij het oplossen van de
onopgeloste Millennium Prize problems van het Clay Institute zie: Millennium problems.

Zijn er oneindig veel priemtweelingen? D.w.z. oneindig veel tweetallen priemgetallen van het type 3,5 of 17,19? (Voor meer informatie, zie: Twin prime.) We weten het antwoord nog steeds niet, hoewel (volgens waarschijnlijk apocriefe bronnen) Euclides het vermoeden dat het er oneindig veel zijn mogelijk al circa 300 jaar voor Christus heeft geformuleerd. En zo wemelt het in de wiskunde van vermoedens waarvan de meeste wiskundigen wel denken dat ze waar zijn, maar waarvoor helaas(?) nog steeds geen bewijs gevonden is.

Nu nog: “Als je een vreemde taal wilt leren, moet je woordjes leren, moet een leraar je niet gewoon dwingen om woordjes te leren?” Toen ik voor de eerste keer naar Amerika ging om daar les te geven aan de universiteit (in wiskunde en statistiek), was ik vergeten een woordenboek mee te nemen. Had ik daar last van? Nee, helemaal niet! Dat was in 1979. Tegenwoordig is het nog gemakkelijker, want je kunt even kijken op internet als je een woord niet weet. En in Amerika kon ik gewoon aan een vriend vragen om een woord te omschrijven dat ik niet thuis kon brengen of ik kon zelf uit de context “an educated guess” doen.

Als je Homerus wilt lezen, moet je dan vooraf heel veel Griekse woordjes hebben geleerd? Ik heb zelf, net als mijn klasgenoten, het begin van het zesde boek van de Odyssee uit mijn hoofd geleerd. Later heb ik op soortgelijke manier gedichten van Mallarmé uit het hoofd geleerd. In beide gevallen begreep ik aanvankelijk niet meteen wat er stond. Maar in beide gevallen heb je te maken met iets dat je misschien de “muziek van de taal” zou kunnen noemen. Daar moet je m.i. zo dicht mogelijk bij proberen te blijven.

Het viel me op toen ik Homerus las met mijn grootvader, die classicus was,
dat hij zelfs de woordvolgorde niet wilde veranderen bij het vertalen in het Nederlands. Hij probeerde buitengewoon dicht bij de oorspronkelijke melodie te blijven, zal ik maar zeggen. Daarbij vergeleken was het “woordjes leren, woordjes leren” van mijn toenmalige leraar Grieks de botte bijl. En verhield deze leraar Grieks zich tot mijn grootvader als de boven beschreven majoor tot “de invaller” bij de schaakclub van Stephan Enter. Grammatica en woordjes leren hoort er natuurlijk wel bij, maar dat moet niet alles gaan overheersen…

Last Friday I listened to a performance of the Brahms clarinet quintet, opus 115, at the Delft Chamber Music Festival. The performance was preceded by performances of the “Chansons de Bilitis”, music by Debussy on poems of Pierre Louÿs, and Fauré’s piano quartet opus 15. Afterwards I had a conversation with a friend about the fact that one should be open to different interpretations of music, and that this is something with which the Dutch in particular seem to have difficulty. Last year I wrote something on the same festival in connection with Midori’s performance (Midori, Nederland en het Delft Chamber Music Festival – in Dutch), which performance elicited very negative comments from gentlemen with upper class accents, sitting very close to me at the time, and this time is was not different. In particular the performance of Fauré’s piano quartet was criticized severely: not sufficiently restrained, etc. Last year Midori was too restrained, this time the performers were not sufficiently restrained. Very difficult to please these gentlemen!
Although I do not particularly like Fauré’s music, I thought that this performance was pretty good and in any case presented to us with great conviction. If I would have had the chance, I would have asked the performers to play it again from beginning to end to submerse myself a little more into it. I thought the performance of the chansons de Bilitis at the opening of the evening was absolutely superb, both by Clarlotte Riedijk, who seemed to me to have exactly the right type of voice for this, and the pianist Enrico Pace.

But, coming back to the Brahms clarinet quintet, I thought this was played fantastically (by which I mean: wonderfully), in particular by the clarinetist Sharon Kam. As happens very often (in my experience), the start is crucial, one is immediately “in it” of “out of it”. I heard a performance of the St Matthew passion in Seattle and prepared myself (at the time) for attempts to keep back the tears that come quite easily with the opening choir. But I did not need to prepare myself, because I was immediately “out of it” by what I heard there. And on Friday night it was the opposite: I was not prepared, but this time I had difficulties of the type I just described in listening to the opening choir of the St Matthew passion. The reason I didn’t expect it is that the string players usually indulge in a wide and slow vibrato in the opening forte which means (for me) that I can easily listen to that with dry eyes. But it was not like that this time, in spite of the remarks of neighboring gentlemen on the “unrestrained playing”. Perhaps the playing was “unrestrained”, but it did not bother me. Instead I asked myself the question, which (for some reason) I often have asked myself before: how would life be without Brahms’ music? If I did not know the intermezzi and rhapsodies for piano, the variations on a theme of Schumann, the three violin sonatas, the piano trios and piano quartets? And the clarinet quintet and the horn trio?

Is the clarinet quintet a “happy piece” (as one commentator puts it on youtube in the always interesting and amusing discussion there, where emotions run high)? I do not think so (that it is a “happy piece”). Perhaps Mozart’s clarinet quintet could be called a “happy piece”, but I think the Brahms clarinet quintet is a very melancholic piece. Even the beginning of it. The beginning theme returns at the end, “closing the circle” so to speak, and after the last notes sounded there was a long silence, very effectively triggered by the performers, by making no movement at all to encourage applause. Even this very ending makes it retrospectively clear that the beginning theme is not meant to be overly joyous. And concerning the second movement (the adagio movement): although the beginning of it is very quiet and perhaps not morose, there is a moment (in the piu lento), where the clarinet seems to shout to us: “No, no, it should not be like this!” So, if we imagine this movement played at a funeral, which no doubt has been done, although I have not experienced this, then, if the beginning would represent resignation, the outburst of the clarinet in the piu lento certainly does not represent that! At least, in my interpretation of it, which seemed to me also to be the interpretation of the performers on Friday night. But I also heard performances where the clarinetist happily plays these fast notes and then all the drama is completely gone!

There is also something extremely interesting in the way Brahms puts very dissimilar instruments together. In the horn trio for (natural) horn, violin and piano this is still more obvious than in the clarinet quintet, but the dissimilarity of the instruments always strikes me. And by letting the string players play “con sordino” in the second movement, Brahms even seems to stress the dissimilarity. On youtube Yuri Basmet is playing the clarinet part on a viola, and the string quartet is replaced by an orchestra. Just for fun I reproduce some of the discussion (including the spelling errors) on this on youtube below. There are two things to consider here: the replacement of the clarinet by the viola and the replacement of the string quartet. If one chooses to replace the string quartet by an orchestra, it seems more natural to me to keep the clarinet as the solo instrument. A clarinet can easily “blow away” a string quartet, but less easily a whole orchestra. But, anyway, the orchestral version doesn’t have it for me. And also, by making the instruments more similar (viola+string orchestra), the “loneliness” of the clarinet in its contrast with the string instruments is lost, which is indeed a loss, I think.

By the way, Sharon Kam had another fantastic performance in Messiaen’s quatuor pour la fin du temps on the last night of the festival, but also the other players were fantastic here. How far away was all this from the traveling virtuosi performances with lots of “encores”. After Messiaen’s quatuor pour la fin du temps an encore would have been impossible. What a treat! And how nice that a festival of this type where friends play together still exists!

Discussion on youtube.
Here is (via “copy and paste”) part of the discussion on Yuri Bashmet’s performance with orchestra (of Brahms’ clarinet quintet) on youtube (see: Brahms – Clarinet Quintet conducted by Bashmet pt.1-1):
CC.: I don’t see anything wrong with Bashmet playing viola here because Brahms specified the viola as an alternative to the clarinet.
However, there is absolutely no reason why Bashmet should be standing up as if it is a viola concerto. That is insulting. This is chamber music, not a show-off piece of music.
K. its so he can conduct i think.
CC. I believe it’s arrogance. There’s a reason why there are conductors.
J. As a violist I think, there is nothing wrong with transcribing it for an instrument of similar range and color. I am also a clarinetist, so I do see both sides of the argument. There are many pieces written for clarinet, and in my opinion few are as great as this. I do not see a problem with sharing the composition with viola, a very underestimated and underwritten for instrument. That being said, I think a lot of the natural color is lost my using an orchestra instead of a chamber ensemble.
HC. How arrogant of Bashmet to take Brahms’ beatuful melancholic calrinet quintet and turn it into a concerto for viola and orchestra! Not only that, but his playing is also very arrogant and virtuoso like. THMUBS DOWN. WAY DOWN.
K. How very ignorant and spiteful.
no.1 brahms wrote this as a quintet for clarinet OR viola, so he’s doing a brahms a favour by popularising the viola version, and he’s showing close minded arse holes like you how to play it differently.
no.2 you should respect bashmet for all he’s done for the viola, sure have an opinion, but get real, bashmets playing is hardly arrogant, its beautiful, and he is a very talented musician.
plus, you talk as you are better than him….like you could do better!
EE. Then perhaps how arrogant of Arnold Schönberg for the arrangement for chamber orchestra of this masterwork? No, enjoy the music, its beautiful, truly.

(This last comment was marked as “spam” in the discussion above on youtube. I could only see it by clicking on “Show” in “Comment(s) marked as spam Show”.)

Epilogue. I once read an interview with Toscanini, who was saying something like: “The most important thing is silence. Then you can hear (in your mind) the music as it is actually meant.” I think this is very true. As an example, after listening to Brahms’ clarinet quintet, I heard it “in my mind”. Strip the instruments, and try to listen to the music “in the mind’s ear”. Of course the clarinet should have its separate role, but the string quartet should be just one sound, answering (or be in dialogue with) the clarinet. Some performances lead more easily to this mind experiment than others. The Friday night performance induced this immediately (with me). I did not have to fight the performance first… This is how it should be.

Older Posts »

Categories