Personal observations on mathematicians and musicians

September 24, 2016

Have you ever watched a “master class” in music on television or in real-life? This is an event where there is a “maestro”, (mostly) to be called “master” in the sequel (man or woman), who is listening to the performance of a student, often exhibiting acute physical discomfort in doing so, and who is subsequently telling the student something like: “You are playing (singing) this in such and such way…, but you should play (sing) it….”.

Nowadays there are also “master classes” in mathematics (the name may have a different origin, but the identity of the names is probably not entirely unintentional). Now suppose that in the latter case the “master” is talking, and a student interrupts the master and says: “Wouldn’t it be much easier (more elegant,..) to use the following line of argument…” Well, if the student is right, the master would say something like: “You’re absolutely right, your argument is much better (more beautiful, or whatever the correct expression may be), it changes my view on the whole matter”. Of course the conditional statement “if the student is right” is harder to interpret in the context of musical performance; you might say, “there is no absolutely right or wrong interpretation of a musical piece” (some musicians seem to think otherwise, though), but this would even allow more freedom for different interpretations. But never have I heard a master in a music master class say anything like “the way you play -sing- this is completely new to me, and it changes my view on the piece” (I may have watched a biased selection of master classes, but I’ve seen a lot of them, so I think that I have a feeling for the general tendency here).

Why is there this big difference? The mathematical world having a kind of anarchy (recent movies on mathematics and mathematicians, although mostly nonsense, rightly point to this aspect), in contrast with the very hierarchical world of (classical) musicians. Both groups are ultimately after the same thing, which I will call “beauty” for the moment, but in the world of musicians there seems to be very little tolerance for differences in interpretation. A notable exception to this rule was Cesar Franck who heard Ysaye play his sonata in a way he did not have in mind when he composed the piece. But he said something like “The first movement is played faster than I had in mind, but it is played so beautifully that I changed my mind”.

Another notable exception to rigid views on interpretation was provided by Glenn Gould (that might be a reason that many mathematicians like him so much). There are the famous two completely different recordings of the Goldberg variations by Glenn Gould that even inspired a nice theatre play for four men, representing different aspects of Glenn Gould’s views on all kinds of things. Of course, Glenn Gould was not the “typical maestro” (the typical maestro is represented in the play by von Karajan). The two different recordings are at the beginning and the end of the play. Glenn Gould also tried (very courageously, but I think somewhat unsuccessfully) to play Mozart in such a way that it would become clear to everybody that Mozart was a bad composer. Still, how original and courageous to try to do a thing like that! Glenn Gould was a real anarchist of the mathematical type! And now please don’t say something like “Glenn Gould played Mozart in this way because he just couldn’t play Mozart”. This is like the critic who suggested that Glenn Gould took such a “scandalously slow” tempo in the performance of the Brahms concerto with Bernstein, because his technical abilities didn’t allow him to play it faster. A more ridiculous statement has never been made about Glenn Gould (and it seems to have been one of the decisive things to make him withdraw from public performances). Of course Glenn Gould could have introduced more “finesse” in his Mozart playing, but he just wanted to make a point.

I recently noticed another sign that things may be changing for the better, reading the booklet with the recording of the first and ninth (Kreutzer) Beethoven sonatas for violin and piano by Pamela Frank (another violinist I have in high esteem) and her father. Pamela Frank is saying: “For me the particular technical challenge of the Beethoven sonatas is that the violin should always strive to sound like a piano”. Very interesting remark! At first sight this seems to be a hopeless goal for a violinist. But what she probably means to say is that the violin and the piano should “blend” in such a way that one forgets that there is a violin and a piano; the “non-instrumental” aspect of Beethoven’s works. The world of musical interpretation might be opening up!

Advertisements

Een Murakami haatmiddag

January 23, 2011

Mijn zoon, die gisteren (22 januari, 2011) moest optreden en daardoor verhinderd was om naar de door de NRC georganiseerde discussiemiddag over Murakami te komen, had mij de elektronische tickets opgestuurd in een zip file, getiteld “Murakami haatmiddag.zip”. Zo had ik het zelf nog niet gezien, maar hij bleek hierbij een vooruitziende blik te hebben gehad. Wel had ik niet erg hoge verwachtingen, zoals ik al zei in mijn vorige blogje Over Murakami, dat eindigde met:

“Dat die Japanse studenten echt van Murakami zijn gaan houden heeft te maken met het bijzondere gevoel dat door zijn boeken bij de lezer (die daar gevoelig voor is) wordt opgeroepen en misschien ook met de afwezigheid van pogingen om de lezer te intimideren of ergens van te overtuigen. Gezien het panel van de NRC dat hier over gaat praten op zaterdag, zijn mijn verwachtingen voor die discussie op zaterdag niet erg hoog gespannen, maar ik ben van plan er na afloop over te berichten. Ik heb me vast voorgenomen me niet al te boos te maken.”

Aan het laatstgenoemde voornemen heb ik me niet helemaal kunnen houden. Ondanks alles had ik me toch wel enigszins op deze middag verheugd, want ik had verwacht dat er echt over de thema’s en de korte verhalen in de bundel “Blinde wilg, slapende vrouw” gepraat zou worden. Maar ik had natuurlijk kunnen weten dat het zo niet gaat in Nederland, waar discussies over boeken al gauw in de moralistische en levensbeschouwelijke sfeer worden getrokken. Met gebruikmaking van een door Menno ter Braak geïntroduceerde term: deze middag zou eigenlijk het beste “Murakami in domineesland” genoemd kunnen worden.

De middag begon, na een wat mij betreft nodeloos lange inleiding van Pieter Steinz, met een betoog van Sanneke van Hassel, die sprak als een bekeerling bij wie de schellen van de ogen waren gevallen. Langzaam maar zeker was de twijfel gaan knagen en was ze gaan inzien dat het toch eigenlijk allemaal maar niks was. Murakami legde te veel uit, als het al lang duidelijk was wat hij bedoelde kwamen er nog wat overbodige zinnen om het nog eens uit te leggen. Het lijkt me dat Sanneke van Hassel het werk van Marcel Proust dan ook maar meteen bij het vuilnis moet zetten, want die schrijver legt vele malen meer uit dan Murakami zonder dat het de bewonderaars van zijn werk erg schijnt te hinderen. Bovendien was het aan Sanneke van Hassel opgevallen dat Murakami’s werk doortrokken was van het zoeken naar zingeving en kosmische verbanden, wat meteen tot de eerste vraag aan het publiek leidde: “Was het publiek ook dit zoeken naar zingeving en kosmische verbanden opgevallen?”

Het publiek werd door Pieter Steinz erg aangemoedigd om hier iets over te zeggen, waarna een mijnheer op de eerste rij zei dat deze visie op het werk van Murakami zijns inziens onzin was en dat Murakami zelf al in een interview had opgemerkt dat hij totaal niet geloofde in paragnostische verschijnselen en “kosmische zingeving”, maar dat al die wonderbaarlijke dingen nu eenmaal uit zijn pen vloeiden; hij wist eigenlijk zelf ook niet waarom het zo ging. Verder zei deze toehoorder ook nog dat hij dacht dat “het religieuze” evenmin in Murakami’s werk gezocht moest worden.

Deze opmerkingen leken echter volkomen in een leegte te vallen, want daarna zei een dame in het gehoor dat ze wel degelijk “het kosmische” in het werk van Murakami onderkende. Elsbeth Etty zag toen haar kans schoon om daar nog een schepje bovenop te doen door in één moeite door Murakami van “ietsisme” te beschuldigen, wat de start was van een lange serie onzinnige opmerkingen over het werk van Murakami die zij deze middag zou gaan maken (later op de middag zou zij er -natuurlijk- de beschuldiging van “seksisme” aan toevoegen; Elsbeth Etty volgend moeten we Murakami misschien een “seksistisch ietsist” noemen). Over dat veronderstelde “ietsisme” werd nog wat doorgeneuzeld totdat Frits Abrahams het woord kreeg. Aangezien hij was aangekondigd als Murakami scepticus had ik verwacht dat hij allemaal negatieve dingen zou gaan zeggen, maar dat viel eigenlijk erg mee. Hij had een vrij genuanceerd oordeel over het boek, waarvan hij sommige verhalen erg goed vond. Hij noemde deze verhalen ook met name, hiermee Elsbeth Etty een houvast gevend om daar later op de middag nog wat over uit te varen.

Daarna was het al gauw pauze, waarna Elsbeth Etty aan de beurt was om haar verhaal te doen. Tijdens haar betoog dat ongeveer 20 minuten in beslag nam, kwamen we vooral veel te weten over Elsbeth Etty. Wat grappig was in verband met het feit dat zij Murakami onder andere van ijdeltuiterij beschuldigde. Ze had dit betoog de afgelopen nacht geschreven. Wat moesten we daar eigenlijk mee? Hieruit afleiden dat ze zich niet goed had voorbereid? Of klappen omdat ze de afgelopen nacht zo’n prachtig verhaal had geschreven? We kwamen ook te weten dat ze het boek van Murakami dat ze moest lezen “gelukkig” was kwijtgeraakt bij een vliegreis, want ze wilde het ook eigenlijk niet lezen, maar ze had toen Murakami maar in het Duits gelezen. Over de vertalingen van Ursula Gräfe is trouwens al eerder in deze blogs gediscussieerd, zie After Dark, en ik had hier eigenlijk ook nog iets over willen opmerken, maar ik kreeg geen kans.

Verder had Elsbeth Etty het over haar verblijf in het ziekenhuis, waar ze onder andere de volgende passage uit het titelverhaal van de bundel had gelezen, waarbij de ik van het verhaal in de kantine van een ziekenhuis zit:

“Aan het tafeltje naast ons zat een keurig echtpaar van middelbare leeftijd een broodje te eten en te praten over hun kennis die met longkanker in het ziekenhuis lag. Dat hij vijf jaar geleden was gestopt met roken, maar dat het toch te laat was geweest, dat hij ‘s ochtends bij het opstaan bloed ophoestte – zo’n soort gesprek. De vrouw stelde vragen, de man gaf antwoord. De man legde uit dat kanker in zekere zin ook een uitkristallisering was van iemands levenshouding”.

Elsbeth Etty had zich bijzonder gestoord aan deze passage. Ze had zelf veertig jaar gerookt en was ook bang longkanker te krijgen. Ik begreep uit haar betoog zoiets als: “Nou, dan lig je in het ziekenhuis, bang voor longkanker, en dan lees je zo’n ongevoelige passage. Daar zit (lig) je dan toch ook niet op te wachten!”. Terwijl Murakami hier volgens mij alleen maar (vrij goed) het soort gesprek dat je in zo’n kantine van een ziekenhuis kan beluisteren weergeeft zonder daar een oordeel aan te verbinden. Het lijkt net alsof onze bijzonder hoogleraar Literaire Kritiek hier wat een personage in een boek zegt gelijkstelt met de mening van de schrijver! Terwijl toch het begin van alle literatuurwijsheid is deze elementaire fout niet te maken!

Zelf moest ik bij deze passage sterk denken aan de laatste alinea van “De ondergang van de familie Boslowits” van onze eigen volksschrijver Gerard Reve. (Het feit dat Murakami eigenlijk ook een “volksschrijver” is werd gelukkig benadrukt door een Japanse dame, met wie ik na afloop nog even heb gesproken. Ten overvloede: “volksschrijver” is hier niet pejoratief bedoeld, i.t.t. de opmerking van Elsbeth Etty dat Murakami met McDonalds kon worden vergeleken; inderdaad begint overigens “After Dark” in Denny’s, één van de redenen waarom Murakami wel “postmodern” wordt genoemd, de hoofdpersonen verkeren meestal niet in de “high society” en als er over muziek wordt gepraat is het niet altijd – maar vaak ook wel- over klassieke muziek.)

(Laatste alinea van “De ondergang van de familie Boslowits”:)
“Tot die tijd besprak men alle dingen: de afstanden der planeten, de vermoedelijke duur van de oorlog en het al dan niet bestaan van een god. Ook namen beide mannen kennis van de mededeling van de verpleegster, die wist te vertellen, dat het geld van oom Hans zeker nog tot een jaar onderhoud had kunnen strekken. `Dat is de reden niet geweest’, zei ze”.
(Dit nadat oom Hans gestorven is, waarschijnlijk na het innemen van een overdosis achtergehouden slaappillen.)

Opmerkelijk genoeg kreeg na de uiteenzetting van Elsbeth Etty over haar verblijf in het ziekenhuis een arts in het gehoor de microfoon, die onder bijval van het publiek Elsbeth Etty een nog veel hardere variant van de passage die zij net had voorgelezen voorschotelde. Hij zei: “Als mevrouw Etty al veertig jaar gerookt heeft, kan ze rustig doorgaan met roken, het maakt nu toch niet meer uit.” Waarna deze arts nog even zijn onvrede uitte over het lage peil van de commentaren van het panel, waarin hij zich in het geheel niet kon vinden. Wat dit betreft moet ik echter een uitzondering maken voor Frits Abrahams, die zelfs nog even een aspect van het verhaal “De zevende man” aan Elsbeth Etty probeerde uit te leggen. Verspilde moeite, leek me. Ook de voorzitter Pieter Steinz liet zich af en toe wat genuanceerder uit.

Het is overigens heel begrijpelijk dat Murakami geen BJ-er (Bekende Japanner) wil worden die dan zou optreden in talk shows om onzinnige vragen te beantwoorden of om te praten over dingen waar hij geen verstand van heeft, op de manier waarop Elsbeth Etty nu optrad in deze discussiemiddag.

Naschrift (26-1-11). Iemand maakte mij attent op het feit dat Frits Abrahams gisteren (dinsdag 25 januari) ook nog even zijn licht heeft laten schijnen op de discussiemiddag. Hij kreeg compassie met het publiek (zo schreef hij). Gelukkig had het publiek geen compassie met de domme opmerkingen van de leden van het panel! In het bijzonder was geen compassie met de opmerkingen van Elsbeth Etty (zie het commentaar van de arts in het publiek hierboven). “Stevige kritiek” lijkt mij ook te veel eer voor de bijdrage van Elsbeth Etty. “In het wilde weg schelden” geeft haar bijdrage beter weer.
Overigens, van NRC zijde wordt steeds gesuggereerd dat bewonderaars van Murakami geen kwaad woord over hem kunnen horen. Ik weet niet waar men dat vandaan heeft, maar het is niet waar. De meeste mensen die van zijn werk houden en die ik hierover gesproken heb, hebben een vrij genuanceerde mening over zijn boeken: een aantal daarvan vinden ze heel goed, andere weer niet. Dat bleek afgelopen zaterdag in het theater aan het Spui ook weer het geval te zijn. En zelf vind ik bijvoorbeeld het boek “Ten zuiden van de grens” niet erg geslaagd, terwijl dat kennelijk nu juist op Frits Abrahams veel indruk heeft gemaakt. Maar het is natuurlijk het gemakkelijkste om de mensen in het gehoor die zich stoorden aan domme opmerkingen van het panel als “Murakami aanhangers die geen kwaad woord over hem willen horen” te beschouwen.
Misschien zijn de liefhebbers van de tamelijk zachtaardige Murakami in het algemeen wat genuanceerder dan zijn tegenstanders, die al gauw hun toevlucht nemen tot een ongenuanceerde schreeuwpartij, zoals bijvoorbeeld ook na zijn lezing ter gelegenheid van de Jeruzalem prijs voor literatuur in 2009 (die aan hem werd toegekend). Bepaalde passages in zijn lezing werden opgevat als “het opnemen voor de Palestijnen” en dit heeft hem heel wat haatmail bezorgd!


Over Haruki Murakami

January 17, 2011

In 2007 kocht ik in een stationsboekwinkeltje in Zürich “After Dark” van Haruki Murakami, zie After Dark. In een Duitse vertaling, want daar was natuurlijk geen Engelse of Nederlandse vertaling. Later heb ik ook de Engelse vertaling gelezen, waarin een toch wel belangrijke figuur in dit boek, die in het Duits met “Grossvater” werd aangeduid in het Engels een “uncle” was geworden. In het Duits was hij een “Lebemann”, wat in het Engels “playboy” was geworden.
Ik heb het (Japanse) origineel niet gezien, maar ik ben er eigenlijk van overtuigd dat de Duitse versie dichter bij het origineel zal staan. Waarom? Het is moeilijk daar “harde feiten” voor aan te voeren, maar het is gebaseerd op een totaalgevoel over deze roman, dus gebaseerd op de context waarin deze grootvader/oom een rol speelt.

Sinds ik dat eerste boek van Murakami heb gelezen, heb ik alles van hem gelezen, zelfs zijn boek over het lopen van marathons, en ik zal ook, zodra deel 3 van de trilogie 1q84 uitkomt dit gaan lezen. Aanstaande zaterdag 22 januari is er een discussiemiddag van de NRC, waar ik door één van mijn zoons (die geabonneerd is op de NRC; ik zelf ben dat niet meer) voor ben uitgenodigd. Er zal dan in het bijzonder gediscussieerd worden over “Blinde wilg, slapende vrouw”.

Ik stond eens in de Engelse vertaling “Blind willow, sleeping woman” te lezen op een tramhalte, toen er een leuk meisje op mij afkwam, die tegen mij zei: “Geweldig boek is dat, hè? Ik heb het ook gelezen. Kun jij me een ander boek van hem aanraden?”. Bijna een gebeurtenis die ook in een boek van Murakami zelf zou kunnen voorkomen; iets van deze aard was mij nog nooit overkomen. Ik geloof dat ik haar “Norwegian Wood” heb aangeraden. Nu zou ik misschien “Dans, dans, dans” aanraden.

Zoals al vaak is opgemerkt is “Norwegian Wood” Murakami’s gewoonste boek; het regent niet bloedzuigers, er zijn ook geen geheimzinnige schaapmannen, die alleen op bepaalde tijden waargenomen kunnen worden op de tiende verdieping van het Dolfijn hotel (als ik me het goed herinner). Er is nu zelfs een film “Norwegian Wood”, maar ik heb hem nog niet gezien en vrees eigenlijk het ergste, hoewel hij moeilijk zo beroerd kan zijn als de film “De eenzaamheid van de priemgetallen”, die gebaseerd is op het gelijknamige boek van Paolo Giordano.

Ooit heb ik een filmpje gezien over Murakami, waarbij Japanse studenten werden geïnterviewd. Wat mij daarbij heel erg opviel was: die studenten hielden echt van Murakami. Ik geloof een beetje op dezelfde manier als waarop Murakami zelf van zijn eigen romanfiguren gaat houden tijdens het schrijven. Hij heeft bijvoorbeeld eens gezegd over één van de hoofdpersonen van “Kafka aan het strand” (ik meen Nakata, maar het zou ook de vrachtwagenchauffeur Hoshino kunnen zijn): “Ja, ik ging tijdens het schrijven steeds meer van hem houden”. De Nederlandse vertaling heet trouwens “Kafka op het strand”, maar ik heb een voorkeur voor “Kafka aan het strand”.

Dat die Japanse studenten echt van Murakami zijn gaan houden heeft te maken met het bijzondere gevoel dat door zijn boeken bij de lezer (die daar gevoelig voor is) wordt opgeroepen en misschien ook met de afwezigheid van pogingen om de lezer te intimideren of ergens van te overtuigen. Gezien het panel van de NRC dat hier over gaat praten op zaterdag, zijn mijn verwachtingen voor die discussie op zaterdag niet erg hoog gespannen, maar ik ben van plan er na afloop over te berichten. Ik heb me vast voorgenomen me niet al te boos te maken.


Janine

January 7, 2011

Een paar weken geleden ging ik op een maandagavond kijken naar de film “Janine”. Dichtbij waar ik woon is een “filmhuis” waar deze film werd vertoond. De filmvoorstelling was uitverkocht (ik kreeg net voor aanvang de laatste plaats in de zaal omdat iemand zijn reservering niet was komen ophalen). Toch wel opmerkelijk (dat de filmvoorstelling was uitverkocht), vond ik. Evenals het feit dat er doodstil werd gekeken en geluisterd naar deze documentaire, afgezien van het lachen om de reclamejongens die een glossy aan het maken waren voor Janine en zich in passend jargon aan het beraden waren over hoe ze Janine moesten “marketen”. Hoogtepunt van deze beraadslagingen was het moment van de eerste versie van de “glossy”, waar de bouwer van het instrument waarop Janine Jansen speelt gespeld was als “Stradivarus” (dus een speciaal soort Rus: een Stradivarus).

Van Paganini (een beroemd violist uit de negentiende eeuw) werd verteld dat hij nooit oefende. Op dezelfde manier waarop Janine nu gevolgd werd in deze film, schijnt Paganini gevolgd te zijn door een bewonderaar die hem overal achterna reisde. Hij ging (volgens het verhaal) zelfs zo ver dat hij door het sleutelgat van de hotelkamer van Paganini keek om te kijken wat die aan het doen was. Hierbij was het één keer voorgekomen dat Paganini zijn vioolkist had geopend. Paganini’s “stalker” had toen gedacht: “Nu komt het!”. Maar Paganini had alleen een tijdje naar zijn viool gekeken en vervolgens de kist weer gesloten.
Het is grappig om de beschouwingen over het al dan niet oefenen van Paganini te lezen, bijvoorbeeld: “Dat Paganini nooit meer oefende is uitgesloten!”. Het is net zoiets als: “Dat Fermat zijn eigen laatste stelling echt bewezen heeft is uitgesloten!”. In feite denk ik dat ook, hoewel ik mij iets zekerder voel over de bewering over Fermat dan de bewering over Paganini.

Paganini sprak ook over zijn “geheim” (dat hem in staat zou stellen zo goed te spelen). Dat volgen van een beroemd artiest doet daaraan denken: een poging tot ontfutselen van een geheim. Wat dat betreft was het interessant om de opnamen van Janine Jansen te zien op heel jonge leeftijd. Er zijn (zeer krasserige) opnamen van Jascha Heifetz op jonge leeftijd, en volgens mij speelde hij toen een stuk beter dan Janine Jansen op jonge leeftijd. Des te opmerkelijker is om te zien hoe snel Janine beter is gaan spelen; als je naar haar spel als puber luistert -en kijkt- is er werkelijk een wereld van verschil. Dus wat moeten we hieruit afleiden? Ik denk vooral: oefenen onder goede leiding helpt! Of misschien moet ik zeggen: “kan helpen”. Als de aanleg er niet is zal het natuurlijk niet helpen.

Wat vooral interessant was in de film waren de commentaren van haar vriend Julian Rachlin. Hij zei o.a. dat zij alles benaderde vanuit de kamermuziek. Ik denk dat dat waar is. Je zag haar de driestemmige inventionen van Bach spelen, in een zetting voor viool, altviool en cello.
Wat mij weer, niet voor de eerste keer, deed denken dat deze versie eigenlijk ontroerender is dan de versie voor klavecimbel (of piano). In ieder geval: dat is de uitwerking die het op mij heeft.

Ook interessant was het verschil in “nadenken over hoe je het doet” tussen Julian Rachlin en Janine Jansen: Julian Rachlin had het soort training gehad waarbij hij had geleerd zich volkomen bewust te zijn van wat hij deed; volgens hem wilde Janine daar liever niet over nadenken (en daarom ook geen les geven). Wat dat betreft zijn violisten inderdaad zeer verschillend: als je les hebt kun je (volgens mij) maar beter te maken hebben met iemand die wel bereid is daar over na te denken!

En wat “het geheim” betreft: het onttrekt zich aan onze waarneming. Als je elke dag oefent, wordt het steeds beter (of kan het steeds beter worden, zie boven). Wat dat betreft is er een soort analogie tussen de beoefening van wiskunde en het bespelen van een instrument.
Het lijkt er soms op dat er een heleboel ‘s nachts gebeurt, als je slaapt. Bij het opstaan realiseer je je opeens dat… (bij het werken aan een wiskunde probleem). Of je kunt plotseling die passage spelen, waarvan je dacht dat je hem nooit zou kunnen spelen.
Of als componist (of schrijver) weet je ineens hoe je wat je tot nu toe hebt moet voortzetten. Misschien niet heel spectaculair voor de marketing, maar dat is wel hoe het gaat.


2010 in review

January 2, 2011

(WordPress offered a one-click opportunity to publish the summary below in my blog, which I could not resist…)

The stats helper monkeys at WordPress.com mulled over how this blog did in 2010, and here’s a high level summary of its overall blog health:

Healthy blog!

The Blog-Health-o-Meter™ reads Wow.

Crunchy numbers

Featured image

A helper monkey made this abstract painting, inspired by your stats.

A Boeing 747-400 passenger jet can hold 416 passengers. This blog was viewed about 11,000 times in 2010. That’s about 26 full 747s.

In 2010, there were 19 new posts, growing the total archive of this blog to 57 posts. There were 3 pictures uploaded, taking up a total of 206kb.

The busiest day of the year was April 15th with 557 views. The most popular post that day was Lucia de Berk en de amateurstatistici (in Dutch).

Where did they come from?

The top referring sites in 2010 were hetvrijevolk.com, luciadeb.nl, startgoogle.startpagina.nl, ssor.twi.tudelft.nl, and nl.wikipedia.org.

Some visitors came searching, mostly for henk elffers, wat is een argument, piet groeneboom, lucia de berk, and de eenzaamheid van de priemgetallen thema.

Attractions in 2010

These are the posts and pages that got the most views in 2010.

1

Lucia de Berk en de amateurstatistici (in Dutch) May 2007
5 comments

2

Lucia de Berk and the amateur statisticians May 2007
4 comments

3

De eenzaamheid van de priemgetallen October 2009

4

Het Haga Ziekenhuis en Lucia de Berk July 2010
3 comments

5

The day after: vrijspraak voor Lucia de Berk April 2010
2 comments


Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 5

December 9, 2010

Al ongeveer een half jaar denk ik dat ik mijn stukjes over de refuseniks af moet maken, maar er is gewoon geen tijd; “mijn vak roept”, om het zo maar eens te zeggen. Maar vandaag, toen Vrij Nederland in de bus viel, met voorop Lucia de Berk, en daaronder: “Na de vrijspraak. Lucia de B. en Kees B. kregen hun naam terug. Nu hun leven nog.”, probeer ik me aan te gorden om het af te maken.

De mensen die direct of indirect verantwoordelijk zijn geweest voor de veroordeling van Lucia de Berk (waarvan een aantal banden hebben of hadden met de Erasmus Universiteit, Rotterdam) proberen nog steeds op slinkse wijze hun gelijk te halen. Dat verschijnsel van te maken krijgen met mensen die ondanks het feit dat duidelijk de onschuld aan het licht gekomen is nog steeds proberen de veroordeelde verdacht te maken is iets waar Kees Borsboom (die volgens het Vrij Nederland artikel elke dag aan zelfmoord denkt) ook last van heeft.

Lucia de Berk is officieel vrijgesproken, maar dat voorrecht is Kees Borsboom niet ten deel gevallen. Vrijspraak voor Kees Borsboom is op uiterst laffe wijze vermeden door het Openbaar Ministerie “niet ontvankelijk” te verklaren, zie voor informatie hierover bijvoorbeeld het boek “De slapende rechter” van Wagenaar et al. De Rotterdamse officier van justitie die waarschijnlijk bewijsmateriaal heeft achtergehouden om Borsboom achter de tralies te krijgen is inmiddels benoemd tot rechter in Dordrecht. Ik kan me begrijpen dat dit voor Borsboom een onverdraaglijke gedachte is. Voor meer details over deze zaak, zie: De grote misleiding en de Wikipedia artikelen Commissie Posthumus en Schiedammer Parkmoord. Ik citeer: “Harm Brouwer, hoofd van het college van Procureurs-generaal, erkende dat het OM “onmiskenbaar fouten” had gemaakt en dat er “heel veel” was misgegaan, met ernstige gevolgen. Volgens hem was uit het onderzoek echter niet gebleken dat het OM “te kwader trouw of bewust verkeerd” zou hebben gehandeld.”. Groen-Links en de SP hebben in de tweede kamer naar aanleiding van deze zaak een motie van wantrouwen tegen minister Donner ingediend (die in deze kwestie voortdurend het OM de hand boven het hoofd heeft gehouden), maar deze motie kreeg geen meerderheid (want dat durfden de gezagsgetrouwe grote partijen natuurlijk niet aan; merkwaardig genoeg -of misschien niet zo merkwaardig- werd de motie wel gesteund door de “groep Wilders”). Zo lang er in Nederland geen revisieraad naar Engels model is, zal justitie de gemaakte fouten kunnen blijven toedekken.

Ik zou hier graag nog het een en ander over willen zeggen, maar laat ik vandaag maar beginnen met te vertellen hoe dat afliep met Piet Groeneboom en de Bernoulli society na zijn bezoek aan de refuseniks. Jaren later was er een week in Oberwolfach voor kansrekenaars en statistici. Oberwolfach is een klein plaatsje in het Schwarzwald waar een wiskunde instituut op een heuvel ligt. Hier kun je als wiskundige worden uitgenodigd voor een week die gewijd wordt aan een deel van de wiskunde waarin je geacht wordt expert te zijn. Ook kun je worden uitgenodigd als je op een of andere manier een machtige positie in de wereld van de wiskunde hebt en niet per se een expert bent op het gebied waar zo’n week aan is gewijd. Wiskundigen vinden het daar in het algemeen heel leuk; er is bijvoorbeeld een muziekkamer waar ik vaak strijkkwartet heb gespeeld of bijv. (voor het eerst van mijn leven) de Goldberg variaties van Bach in een zetting voor viool, altviool en cello. Ook staat er een vleugel, dus er kunnen ook piano trio’s worden gespeeld, enz. Ik ben er nu al weer een tijdje niet meer geweest, maar er kon ook worden gepingpongd en gebiljart en woensdagmiddag werd er altijd gewandeld in de bergen. En ‘s avonds en ‘s nachts werd er meestal vrij veel gedronken, hoewel dat enigszins van het aanwezige gezelschap afhing; ik ben er ook wel eens geweest in een week waarin iedereen vroeg naar bed ging.

In ieder geval: op zo’n avond, of liever gezegd nacht in Oberwolfach, zaten B. en ik, samen met wat Amerikanen en een (van origine) Australiër (die mij de volgende ochtend vertelde “very embarrassed” te zijn door wat zich had afgespeeld) wat te drinken in het hoofdgebouw, toen B. mij ineens vroeg: “Piet, do you still remember our flight from Moscow to Tashkent?” Waarop ik antwoordde: “Of course I remember, B.! That was the flight where you threatened to throw me out of the Bernoulli society if I would persist in my plan to visit the refuseniks!”. B. werd toen bijzonder rood in het gezicht en schreeuwde: “That’s a lie! Take that back! I don’t take that from you, Piet!”. Ik wil even stil staan bij: “I don’t take that from you, Piet!” Wat betekent dat precies? Dat vroeg ik mij toen ook al af. Betekent het dat hij het wel “genomen” zou hebben van een belangrijker iemand, maar niet van zo’n onbelangrijk persoon als ik? Maar goed, ik antwoordde: “Well, I’ll try to reproduce your exact words. I think you said that it would have very serious consequences for my position in the Bernoulli Society”. B. gaf toen toe dat hij dit wel eens gezegd zou kunnen hebben. Want wat was het geval? “I was up for a nomination in the council of the Bernoulli Society” en het was misschien verstandiger om dit niet te laten doorgaan met zo iemand die niet de officiële lijn van de partij, pardon de Bernoulli Society, volgde, en het voornemen om de refuseniks in Moskou op te zoeken ondanks alle waarschuwingen toch doorzette! Grappig genoeg wist ik niets van die eventuele benoeming in de council van de Bernoulli Society en als ik het wel had geweten zou het geen enkel verschil hebben gemaakt. Sommige mensen (waaronder B.) vinden het heerlijk om vereerd te worden met dat soort officiële functies, maar ik behoor niet tot die categorie! Een bevriende collega zei later tegen mij: “Ben je daar even mooi aan ontsnapt!” Inderdaad heeft B. kennelijk mijn benoeming in die council verijdeld, want ik heb er nooit meer iets van gehoord en wist er ook niets van tot dat gesprek in Oberwolfach.

Nu deze kwestie is afgehandeld (eigenlijk is het een stukje geschiedschrijving), kan ik nog iets zeggen over het bezoek aan de refuseniks zelf. Ik had strikte instructies uit Nederland en een telefoonnummer gekregen van Alexander Joffe (een foto die ik van hem zag in een TV uitzending op een zondagmiddag over de refuseniks heeft deze serie blogs “getriggerd”). Die mocht ik niet uit mijn Akademia hotel in Moskou bellen, maar ik moest naar beneden gaan en in een telefooncel op straat bellen. Je gangen en telefoongesprekken in het Akademia hotel werden inderdaad gecontroleerd; er zat bijvoorbeeld een meisje op de overloop van de verdieping waar mijn kamer was, die iets in een boekje schreef als ik wegging of terugkwam. Ik heb dus gebeld uit een telefooncel en met Alexander Joffe afgesproken hem te ontmoeten aan het eind van een metrolijn in een station met spiegels. Kennelijk een bekend ontmoetingspunt, ook voor paartjes…

Een aantal mensen wilde graag met mij meegaan, een bekende Amerikaanse statisticus P.B. (vriend van de Nederlandse B.), mijn promotor K.O., en twee Nederlandse kansrekenaars, die ik zal aanduiden met L. en F.; L. had ook een “briefing” gehad van de Nederlandse organisatie die mij had benaderd over het bezoek en had net als ik het verbod om te gaan genegeerd. P.B. duidde de brief die ons uit Moskou via B. was toegestuurd aan als de “hysterical letter of G.” en vatte dus die verboden om te gaan ook niet al te serieus op. Maar om een of andere reden heb ik toch de volle blaam voor dit bezoek gekregen.

Tot mijn verbazing ging alles volgens plan. We ontmoetten Alexander Joffe in het metrostation en werden door hem naar een bushalte gebracht. Het was behoorlijk koud en er stonden heel veel mensen te wachten bij die bushalte. De bus was dan ook zo vol dat het onmogelijk was de stempelautomaat te bereiken. We stonden daar als haringen in een ton totdat we dichtbij de flat van Alexander Joffe waren. Bij hem thuis troffen we ook een oudere collega van hem aan (die al 20 jaar probeerde het land uit te komen). Zijn vrouw serveerde lekkere dingen bij de thee. Alexander vertelde dat zijn moeder, zodra hij de wens te kennen had gegeven dat hij naar Israël wilde emigreren, ontslagen was wegens “het niet goed opvoeden van haar kinderen”. Hij zelf kon ook wel vergeten ooit nog als wetenschapper in Moskou aan de slag te kunnen komen, want zodra je de wens te kennen had gegeven het land te verlaten, kreeg je een aantekening op je “conduite” staat dat je “morally unstable” was. En daar nog bijgevoegd dat je jood was maakte dat je alleen nog conciërge kon worden of iets van dien aard. Verder kon je proberen aan geld te komen door bijlessen te geven. Iedereen die ik toen gesproken heb is inmiddels het land uit, dus ik kan er nu vrij over spreken. Freidlin, die hier niet bij was, maar wel bevriend met Alexander Joffe, was ook naar Tashkent geweest en had daar aan het begin van zijn praatje een uiteenzetting over de situatie van de refuseniks gegeven, die simultaan in het Engels, enz. vertaald was; een succesje van de refuseniks, waar Alexander Joffe opgetogen over vertelde.

Ik had op aanraden van de Nederlandse organisatie wat (wiskundige) rapporten meegenomen (de refuseniks hadden geen toegang tot de wiskunde bibliotheken), F. had chocola meegenomen (hij vertelde mij nog onlangs dat hij daar eigenlijk zo’n slecht gevoel over had, maar hij had niets anders kunnen bedenken). Toch goed van F. om ueberhaupt iets mee te nemen (vind ik). Het was voor mij een onvergetelijke avond en ik geloof voor de anderen ook, hoewel ik behalve met F. en L. er daarna nooit meer met de anderen over gesproken heb.

F. herinnert zich dat we in een taxi zijn teruggegaan en daarbij eindeloos door grauwe buitenwijken zijn gereden. Ik herinner me daar eerlijk gezegd niets meer van. Wel herinner ik me de opluchting bij het weer terugzijn in “het Westen”, een opluchting die ik altijd voel als ik het oostblok heb verlaten (moet ik bekennen).

A screen-shot of Biff (B., aka Bill) and his pals. Biff encourages his mates to go after the probabilist-statistician P.G. (not in the picture), who ignored his veto. The guy (boy) with the white-rimmed sunglasses has been identified to be the well-known statistician of British descent R.D.G. (he seems unsure of whether going after P.G. is a wise thing to do; perhaps he is also thinking: “Biff is a very powerful guy, I have to think of my future”, see visit to the refuseniks, part 3).

Epilogue. (I switch to English which I should perhaps have done at the start of this blog.) I lost track of the refuseniks I met that evening in Moscow. On internet I found the following links:

Soviet ‘Refuseniks’: All They Want Is Out
A Refusenik Tries Hunger to Free His Son’s Family.

They are from long ago and roughly date back to the time of my visit. It is interesting to read again about the pretext the refusenik was given for the disallowance to emigrate: this was for “national security” reasons. This pretext was for example also used for the refusal to let Freidlin leave the country (“his wife had had access to “classified material””).


Het Haga Ziekenhuis en Lucia de Berk

July 12, 2010

Na de vrijspraak van Lucia de Berk heeft het Haga Ziekenhuis een verklaring op haar web site gepubliceerd, zie: Verklaring HagaZiekenhuis inzake vrijspraak Lucia de Berk. De laatste zin van deze verklaring luidt:
“Het HagaZiekenhuis heeft op alle momenten meegewerkt aan het onderzoek, dat uiteindelijk geleid heeft tot vrijspraak van mevrouw De Berk door het Hof.”

Het klinkt in deze verklaring alsof het ziekenhuis eigenlijk weinig te maken had met de veroordeling en de lange gevangenisstraf van Lucia de Berk. De verklaring van het Haga Ziekenhuis legt de verantwoordelijkheid hiervoor geheel bij het Openbaar Ministerie en de politie.

Maar hoe is het eigenlijk gegaan? Een tipje van de sluier is hierover opgelicht door prof. Richard Gill, die vanwege dit feit thans door het Haga Ziekenhuis bedreigd wordt met een kort geding. Let wel, het gaat hier niet om de vraag of wat prof. Gill over de toedracht van dit alles onthult waar is of niet, het gaat het Haga Ziekenhuis om het feit dat hij gegevens uit de privé sfeer onthult. De verwachting is dat als het Haga Ziekenhuis zijn dreigement tot een kort geding doorzet, het dit zal winnen. Want… de rechters zullen waarschijnlijk alleen kijken naar: “Is hier een inbreuk op privacy gemaakt?”, niet naar “Is wat hier gezegd wordt waar?”

Toch, als men uit al deze gebeurtenissen enige lering zou willen trekken, moet men zich verdiepen in: “Hoe heeft dit kunnen gebeuren?”. En dan is de voorgeschiedenis wel degelijk relevant. Om die reden geef ik hier nog eens een overzicht van de manier waarop alles begonnen is, voorzover ik dat heb kunnen reconstrueren met behulp van diverse betrouwbare bronnen.

Op de afdeling waar Lucia de Berk werkte maakte men zich zorgen over het grote aantal sterfgevallen op de afdeling. Om die reden had de chef de clinique een Excel spreadsheet tabel van “incidenten” gemaakt en hier een berekening aan vastgeknoopt die zij liet zien aan een bevriende wiskundige/informaticus in de familiesfeer. Overigens niet iemand die mathematische statistiek als specialisme uitoefende of daar onderzoek in deed, evenmin als de andere later door de rechtbank en het hof m.b.t. de statistiek geraadpleegde personen (de door de rechtbank en het hof geraadpleegde wiskundige was na zijn wiskundestudie psychologie gaan studeren en inmiddels rechtspsycholoog geworden). Het Excel spreadsheet koppelde de incidenten aan het wel of niet dienst hebben van Lucia de Berk.

Op de achteraf gezien historische dag 4 september 2001 werd contact opgenomen met de politie en werd gesproken over “vijf onverklaarbare doden”. Dit was een actie die door directeur Smits, algemeen directeur van het Juliana Kinderziekenhuis en het Rode Kruis ziekenhuis in Den Haag (deze ziekenhuizen zijn inmiddels onderdelen van de fusie van ziekenhuizen die HagaZiekenhuis wordt genoemd), in samenwerking met de chef de clinique werd ondernomen. De heer Smits beweerde later dat hij de “statistische berekening van de koude grond” van de kans dat Lucia de Berk bij zoveel “incidenten” in het ziekenhuis betrokken was geweest zelf had gedaan, maar volgens mijn laatste informatie was deze Excel spreadsheet berekening dus het werk van de chef de clinique.

Bovendien legden de directies van het Juliana kinderziekenhuis en het Rode Kruis ziekenhuis contact met de ochtendkrant De Telegraaf. Deze krant deed op 17 september 2001 een bericht over de zaak uitgaan, waarin stond dat een verpleegkundige in de twee ziekenhuizen mogelijk betrokken was bij de moorden op verschillende volwassenen en kinderen. Het bericht vermeldde verder dat de directie van het Juliana ziekenhuis  het gebeurde zeer betreurde en zijn medeleven met de betrokken ouders uitsprak (na opgemerkt te hebben dat het vertrouwen van de patiënten in het ziekenhuis mogelijk door dit bericht geschaad zou kunnen zijn of worden). Merk op dat dit suggereerde dat op dit moment al bewezen was dat er “moorden” waren begaan.

We kunnen na deze acties van de de chef de clinique en de directie van de ziekenhuizen niet meer beweren dat het ziekenhuis eigenlijk weinig te maken had met de veroordeling tot levenslange gevangenisstraf van Lucia de Berk. Na het bericht in de Telegraaf was een proces van verdachtmakingen tegen Lucia de Berk op gang gezet dat niet meer te stoppen viel. Aan het slot van bovengenoemde verklaring van het Haga Ziekenhuis wordt gezegd: “Het HagaZiekenhuis heeft op alle momenten meegewerkt aan het onderzoek, dat uiteindelijk geleid heeft tot vrijspraak van mevrouw De Berk door het Hof.” Is dit waar? Heeft de persoon die dit alles in gang heeft gezet, de chef de clinique, een getuigenis afgelegd? Dat is toch wel het eerste wat je zou verwachten van “meewerken aan het onderzoek”. Echter, op de ochtend van de dag in 2004 dat zij voor het hof zou verschijnen heeft zij iets gedaan wat door Richard Gill beschreven is, waardoor zij niet in staat was voor het hof te verschijnen en in feite opgenomen moest worden.

Richard Gill is nu door de advocaten van het HagaZiekenhuis gesommeerd de beschrijving van de ware toedracht van deze cruciale gebeurtenis in de justitiële behandeling van Lucia de Berk van internet te verwijderen en hij wordt ook al vast door de advocaat van het HagaZiekenhuis bedreigd met dwangsommen van 15000 euro per dag als dit niet gebeurt.
Verder wordt gedreigd met een kort geding. Niet een kort geding vanwege de onjuistheid van wat hij in de openbaarheid brengt, maar een kort geding vanwege aantasting van de privé sfeer. Op deze manier houdt het Haga Ziekenhuis opnieuw openheid van zaken tegen en is het bezig met pogingen tot “damage control”. De sleutelfiguur in de veroordeling van Lucia de Berk (die chef de clinique was en nog steeds verbonden is aan het HagaZiekenhuis – en bovendien, ondanks de problemen die haar verhinderden te getuigen in de Lucia de Berk zaak, lid van de medische tuchtraad is) wordt door het ziekenhuis uit de wind gehouden en zodra iets van de werkelijke toedracht naar buiten dreigt te komen, wordt gedreigd met dwangsommen en een kort geding.

De uiteindelijke vrijspraak van Lucia de Berk is bepaald niet te danken aan inspanningen van het Haga Ziekenhuis om de waarheid boven water te krijgen, maar daarentegen aan de inspanningen van een aantal individuen, met name Metta de Noo en haar broer Ton Derksen!