Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld?

July 26, 2008

De hoofdredactrice van NRC-Handelsblad Birgit Donker zegt in haar Weblog Over wel/niet plaatsen van ingezonden brieven: “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. Ik weet niet hoe het de lezer van deze blog vergaat, maar als ik zoiets lees, denk ik meteen: “sales talk”. Na de opmerking “Een interessante brief is een sieraad voor de krant” maakt Birgit Donker nog wat opmerkingen over hoe een brief moet zijn: een brief moet vooral heel erg netjes, om niet te zeggen braaf, zijn; hij mag bijvoorbeeld vooral niet te emotioneel zijn. Hij mag eigenlijk ook niet geestig of zelfs alleen maar grappig zijn; in een nette krant zoals de NRC moeten nette mensen op een nette en gezagsgetrouwe manier met elkaar communiceren, afgezien van de communicatie die tot ons komt van de achterpagina via bijvoorbeeld Fokke en Sukke en Youp van ‘t Hek. Het geeft niet of de brieven/artikelen op de andere pagina’s de grootste onzin bevatten, als het maar netjes gebracht wordt is het in principe in orde. Dit is natuurlijk meer een samenvatting naar de geest dan de letter van wat Birgit Donker na haar openingszin zegt, maar aangezien ik de link hierboven geef, kan iedereen zelf controleren of ik de geest van wat daar staat hier juist weergeef. Het is overigens wel zo dat er inderdaad bepaalde grenzen zijn; als je bijvoorbeeld Leon de Winter in Elsevier te keer ziet gaan tegen de natuurkundige en vioolbouwer Hajo Meyer in Wat lastige joden leerden van de Holocaust, zou je hem bijna wat van de door Birgit Donker genoemde normen willen aanbevelen. “It’s a fine line”.

Ik heb de laatste 15 jaar in totaal drie brieven naar kranten gestuurd, waarvan twee naar de NRC. De derde reactie ging naar Trouw. Trouw is zo fatsoenlijk om een bevestiging van ontvangst te sturen. Hierop hoeven we bij de NRC niet te rekenen. Bij mijn reactie nummer 1 (van vorig jaar) op een artikel van de rechtspsycholoog Elffers, die mij in de NRC een bewering in de schoenen schoof die precies het tegendeel was van wat ik had gezegd (zie Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren), kreeg ik na enkele weken de mededeling dat er inmiddels al zoveel mensen over dit onderwerp geschreven hadden dat mijn reactie helaas niet meer geplaatst kon worden. Maar eerlijk gezegd heb ik in de NRC geen enkele reactie op het opiniestuk van Elffers gezien. Ik zat in die tijd in Zürich en had met behulp van de echtgenoot van een collega daar nog een plaatje van Joris Goedbloed (met tekst) in mijn antwoord aan Elffers gehesen. Iemand schreef mij toen uit Nederland: “Erg leuk dat plaatje van Joris Goedbloed, maar je begrijpt natuurlijk wel dat het met dat plaatje erbij helemaal nooit in de NRC was gekomen.” Nee, inderdaad, met het leuke plaatje erbij werden de door Birgit Donker genoemde normen en waarden natuurlijk met voeten getreden!

joris.jpg

Per aspera ad pecunia oleo, roepen wij, latinisten, feestelijk uit!

(Joris Goedbloed in Panda en de Olie-Magnaat.)

Deze week voelde ik mij gedwongen een reactie te schrijven op een passage in een redactioneel commentaar van de NRC die mij als grote onzin voorkwam en die bovendien steun verleende aan een gevaarlijk soort ontwikkeling in juridisch Nederland. Het ging hier om het redactioneel commentaar van 16-7-08, getiteld “Ten halve gekeerd”. Dit was de tweede brief die ik ooit aan de NRC heb geschreven. Mijn brief staat aan het eind van deze blog. Ik kreeg natuurlijk geen bevestiging van ontvangst en heb daar toen de dag nadat ik mijn reactie gestuurd had nog eens expliciet om gevraagd. Ook vroeg ik aan een bevriende insider m.b.t. hoe dit soort zaken door de NRC behandeld worden waarom de NRC eigenlijk niet het fatsoen had om een ontvangstbevestiging te sturen, al was het maar een automatische bevestiging van ontvangst. Hij stuurde mij toen een heel uitvoerig antwoord dat ik hier graag zou plaatsen omdat het heel grappig was wat hij vertelde over de gang van zaken bij de NRC wat dit betreft, maar omdat ik zo netjes ben en het privé correspondentie betreft zal ik het niet doen. Hij heeft mij echter toestemming gegeven hieruit te citeren, met de toevoeging: “Het is allemaal waar wat ik zeg”.

Om te beginnen zei hij: “Ze hebben per redactie doorgaans daar een of ander meisje voor zitten die dat afhandelt. Als ik zelf een ingezonden brief stuur, word ik precies zo behandeld als jij, op z’n best krijg ik van zo’n meisje een kort briefje dat er helaas geen plaats is voor mijn bijdrage. In feite is dat erg eigenaardig, maar zo werken ze daar. Ze werken ook met volledig gescheiden redacties per rubriek, zodat het kan gebeuren dat er soms twee artikelen over hetzelfde onderwerp in de krant staan op de verschillende pagina’s.” En verder: “Het heeft dus weinig zin je boos te maken over de gang van zaken daar, want zoals men daar werkt, dat is regelrecht onbegrijpelijk voor een ordelijk denkend mens.” En tenslotte: “Ik wou dat ik je iets leukers kon vertellen, maar helaas, zo gaat het daar, en ‘t is doodjammer want die brief van je is voortreffelijk en ik zou ‘t enorm toejuichen als hij geplaatst werd.”

Hier werd een zwart beeld opgeroepen van de behandeling van brieven van lezers, dat niet helemaal leek te passen bij het adagium van de hoofdredactrice Birgit Donker “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. En inderdaad, al zijn voorspellingen kwamen uit. Eerst kreeg ik een briefje van het secretariaat van de opinie redactie “Dank voor uw ingezonden brief. Wij hebben deze in goede orde ontvangen.” Dat was wel als antwoord op mijn expliciete verzoek om zo’n bevestiging de dag na mijn inzending, maar alla, het gaf toch enige moed dat het niet helemaal hopeloos was. Daarna kreeg ik dezelfde dag nog een e-mailtje van iemand anders van de opinie redactie: “Vriendelijk dank voor uw reactie. We hebben die in goede orde ontvangen. Mocht de vermelding van uw naam en/of woonplaats ontbreken, kunt u die dan alsnog toesturen?” Ik had mijn adres nog niet opgestuurd, dus dat heb ik toen meteen gedaan. Tot mijn grote verbazing kreeg ik echter de volgende dag weer een e-mail van een andere redacteur van de opinie redactie van de NRC met de inhoud: “Uw brief is gearriveerd, maar wij kunnen pas tot plaatsing overgaan als wij uw woonplaats weten. Gaarne deze e-mailen.” Ik heb toen de informatie die ik hierover al aan de NRC had opgestuurd geforward aan de betreffende (andere) redacteur en aan mijn kennis geschreven: “Ik heb een forward van mijn e-mail met adres van gisteren aan beide redacties gestuurd in de hoop dat ze zich een beetje schamen, maar dat zal wel niet het geval zijn!” Hij schreef terug: “Dat ze het adres vragen is een goed teken. Schamen zullen ze zich zeer beslist niet, het slag dat daar zit heeft nog nooit van schaamte gehoord.”

Nu was het zo dat ik een aantal kennissen attent had gemaakt op de betreffende passage in het hoofdartikel dat ging over het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt. Op 18 juli (net terug van vakantie had ik de vorige dag een NRC gekocht; ik ben geen abonnee) schreef ik aan deze kennissen:
“M.i. zou iemand moeten reageren op de volgende zinnen in het hoofdcommentaar van de NRC: “Die keuze is op zichzelf juist. De rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment. Daar zijn ze voor en dat kunnen ze.” Hier staan (zonder argumenten) een aantal beweringen achter elkaar die stuk voor stuk onjuist lijken. Ik heb zelf geen geluk gehad met mijn reacties op onzin in de NRC, maar het lijkt mij van belang dat iemand hier iets over zegt. Anders komen we in Nederland steeds meer in een situatie terecht waarin iedereen die voor het gerecht verschijnt een rechtvaardige behandeling wel kan vergeten.”
Twee van deze kennissen hadden de handschoen opgenomen en een reactie (op het hele commentaar) aan de NRC gestuurd. Deze brieven overschreden de limiet van 250 woorden die de NRC (in de op de opiniepagina hiervoor verstrekte normen) geeft, zodat ik enigszins bevreesd werd dat deze reacties er ook niet doorheen zouden komen.

Wel had ik, ingaand op een verzoek van deze twee schrijvers, wat suggesties gedaan m.b.t. woordkeuze e.d., die gedeeltelijk door hen werden overgenomen. Eén van hen kreeg een bevestiging van ontvangst, de ander niet. Ontvangst bevestigen of niet bevestigen, het is een random proces bij de NRC! Aan één van hen schreef ik: “Laat je me nog even weten of het geplaatst wordt? Ik zag dat je 317 woorden gebruikt, terwijl de NRC maar 250 toelaat. Ik overweeg om zelf ook nog even een korte reactie te sturen, als die van jou er niet in komt.”
Hij schreef terug: “Ik heb nog niets van de NRC gehoord, dus ook geen afwijzing. Niettemin zou ik je willen aansporen zelf ook iets te schrijven en wacht daar niet te lang mee. Op de redactie worden ze sterk beïnvloed door de lezersdruk. Als er veel mensen over iets schrijven is het “hot” en de ruimte waard. Pas bij een lawine van stukken gaan ze dan weer ziften.” Afgezien van het feit dat deze brief van een andere insider m.b.t. de NRC weer een nieuw licht werpt op hoe deze “kwaliteitskrant” omgaat met het nieuws (zou een kwaliteitskrant eigenlijk niet meer aandacht moeten besteden aan het belang van een onderwerp dan aan hoe “hot” dit onderwerp is; is het laatste niet meer de taak van de Telegraaf?), geloof ik inmiddels dat het eigenlijk niet zo werkt. Want….

Het is inmiddels 25 juli. Eén van de twee andere schrijvers (die 746 woorden had gebruikt) heeft te horen gekregen van weer een andere redacteur dat het te lang was (zoals ik trouwens ook al tegen deze schrijver had gezegd): “Dank voor de bijdrage die wij echter niet in deze omvang kunnen plaatsen. Indien u hem wilt bekorten tot max. 300 woorden waarin u bondig uw mening terzake formuleert, zullen wij overwegen hem te plaatsen als ingezonden brief.” Hé, ik had begrepen dat er maar 250 woorden gebruikt mochten worden, maar nu bleek ineens 300 ook te mogen…

Na het inzenden van een kortere versie krijgt deze schrijver op 25 juli op kwart voor tien het bericht: “Hartelijk dank voor toezending van uw brief. De grote hoeveelheid post die wij dagelijks ontvangen dwingt ons echter een selectie te maken en helaas moeten wij u mededelen dat wij uw ingezonden brief (deze keer) niet zullen plaatsen. Het spijt ons u niet anders te kunnen berichten. Met vriendelijke groet, Redactie Opinie, NRC Handelsblad”. De brief wordt door deze briefschrijver aan mij geforward met de mededeling: “Einde oefening. Ik geloof niet dat er ooit een keer een stuk wel geplaatst is.” Wat schetst echter de verbazing van deze zelfde briefschrijver bij het ontvangen om 12 uur dezelfde dag van het volgende bericht van weer een andere medewerker van de NRC: “Dank u voor uw antwoord. Als er in de krant van morgen ruimte is, dan plaats ik hem.”

Om half drie ‘s middags ontvang ik van deze zelfde medewerker (die voor mij een nieuwe ster aan het NRC firmament was; het was althans weer een nieuwe naam voor mij, met een e-mail adres, verschillend van de vorige drie) de mededeling: “Geachte heer Groeneboom, Dank u voor uw heldere en korte brief. Ik had hem graag willen plaatsen, maar er is een groot aantal brieven over dit onderwerp binnengekomen, met dezelfde strekking. Uw brief is daarbij helaas gesneuveld.” Eerlijk gezegd moest ik erg lachen om het woord “gesneuveld”, hoewel dat waarschijnlijk niet de bedoeling van deze redacteur was. En het grote aantal brieven met dezelfde strekking waar hier sprake van is, is dus denk ik gelijk aan drie (maar dit is natuurlijk slechts een vermoeden). Hoe het de andere brievenschrijver van een brief “met dezelfde strekking” is vergaan weet ik op dit moment nog niet. (Toevoeging 27 juli: deze brief is er ook “doorgekomen”, zoals deze briefschrijver mij inmiddels heeft laten weten, zie brieven NRC Handelsblad 26 juli).

Tenslotte komt hieronder de reactie die ik zelf op 22 juli heb ingezonden. Ik moet er nog aan toevoegen dat ik de bewering “Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment” als onjuist beschouw vanwege het woord “terecht”; wie weet is het echter wel juist dat rechters dit als een geuzencompliment beschouwen…

Mijn reactie op het redactioneel commentaar in de NRC “Ten halve gekeerd” van 16-7-08 (minder dan 250 woorden!):

In het redactioneel commentaar van 16-7-08 op het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt, wordt opgemerkt: “Die keuze is op zichzelf juist. De rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment. Daar zijn ze voor en dat kunnen ze.”
Hier staan zonder argumenten een aantal beweringen achter elkaar die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze “op zichzelf juist”? Wat is hiervoor het argument? Lucia de Berk zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.
In het voorstel van minister Hirsch-Ballin worden niet-juristen echter nog steeds geweerd en komt er geen onafhankelijke commissie, zoals bijvoorbeeld in Engeland de Criminal Cases Review Commission (CCRS). Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is. In Nederland zijn sinds 1997 slechts 3 zaken heropend, waaronder de Schiedammer parkmoord, waar een ander dan de veroordeelde heeft bekend.
Minister Hirsch-Ballin en ook Mr. Brouwer haasten zich in interviews steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker? De ervaringen van de CCRS wijzen in een andere richting!

Naschrift. Het is nu vrijdag 1 augustus en inmiddels nog iets gekker geworden. Op maandag 28 juli ontving ik weer een brief van een redacteur van de NRC (of liever gezegd: NRC.Next), waarin werd toegegeven dat het een chaos was en waarin ook werd gezegd (“copy and paste”): “Niettemin was ik nog altijd voornemens u brief te plaatsen in NRC.Next, maar ik kan me voorstellen dat u daar inmiddels bezwaar tegen heeft, gezien uw minder positieve ervaringen met onze twee kranten. Laat ik uw reactie wat dit betreft dus nog maar even afwachten”.

Ik heb het toen even aan mijn “forum” voorgelegd en iedereen vond dat ik maar op dit voorstel in moest gaan. Mijn brief was van vorige week dinsdag (22 juli); niet bepaald een flitsende reactie van de redactie! Het redactioneel commentaar was van nog een week eerder, zodat het zo langzamerhand wel enigszins mosterd na de maaltijd was geworden (wat betreft dit redactioneel commentaar, niet wat betreft de zaak waar het om ging). De brief schijnt inmiddels op 30 juli in NRC.Next verschenen te zijn, zoals ik vandaag van een redacteur als reactie op navraag mijnerzijds mocht vernemen.

Ik ben zelf niet geabonneerd op NRC of NRC.Next (zoals ik boven al opmerkte) en heb mijn reactie niet in de krant gezien, maar ik heb de afgelopen twee weken wel een aantal keren een NRC of NRC.Next gekocht. De keren dat ik deze kranten kocht zag ik daarin geen enkele brief van een lezer. Geen wonder dat ze ruimtegebrek hebben voor brieven! Het is ook weer aardig in verband met de uitspraak van de hoofdredactrice van de NRC “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. Is er niet eerder sprake van een soort verachting voor de lezer – in het bijzonder de lezer die een (kritische) reactie schrijft?

Bij de Volkskrant kan men ook door de krant heenbladeren via “Lees de online krant”. Bij NRC.Next heb ik die mogelijkheid niet ontdekt. Wel kwam ik bij pogingen om te bladeren door NRC.Next terecht bij rubrieken als next.lover (“Meer daten in minder tijd? Ga naar nextlover.nl”), maar daar was ik eigenlijk niet naar op zoek.
Zie aflevering 2 voor verdere ervaringen van een brievenschrijver.