The old devils

July 10, 2009

Bij het opruimen, als voorbereiding van een verhuizing, vond ik een vertaling van “The old devils” van Kingsley Amis in de boekenkast. Ik weet niet hoe het in de boekenkast kwam; er vielen ook twee krantenknipsels uit die stamden uit het jaar van overlijden van Kingsley Amis. Misschien had ik het ooit antiquarisch gekocht, omdat ik nu eenmaal geïnteresseerd ben in vertalingen, zie ook After Dark en de discussie daarbij.
Anyway,… Ik had het al een keer in het Engels gelezen en heb deze vertaling nu weer geheel gelezen. Wat ik mij herinner van vertalingen van “Lucky Jim” en “That uncertain feeling” is dat in de Nederlandse vertalingen het meeste van wat nu juist leuk was in de oorspronkelijke versie op een of andere manier plat werd en niet meer leuk. Iets wat je aan het denken zet over wendingen in de Engelse taal die geen Nederlandse equivalenten hebben. Dat vond ik in deze vertaling van Joop van Helmond minder het geval; in het Nederlands vond ik dit boek nog steeds ijzersterk.
Volgens zoon Martin Amis is dit het boek waardoor zijn vader in de herinnering zal blijven voortleven (meer nog dan door “Lucky Jim”) en hij zou daar best eens gelijk in kunnen hebben. Wat steeds heel erg in het boek aan de orde is, is Do not go gentle into that good night, hoewel dit nooit expliciet genoemd wordt, het is meer dat dit thema duidelijk voelbaar is; Dylan Tomas komt ook niet met zijn eigen naam hierin voor, maar heet in het verhaal Brydan. De enige van de old devils die inderdaad “into that good night” gaat, gaat daar zeker niet “gentle” in, integendeel! De overgang naar laatstgenoemde gebeurtenis is heel verrassend. Terwijl het boek tot de gebeurtenissen die hierop preluderen nog enigszins gemoedelijk voortkabbelt, met veel grappige conversaties, krijgt het plotseling een veel grimmiger karakter en lijkt het alsof we de wereld ineens zien door de ogen van de stervende A., die eigenlijk ook niet goed weet wat er aan het gebeuren is, met name met hemzelf.

De schrijfstijl van Amis is volgens mij enigszins verwant met die van Vestdijk. In ieder geval is er veel aandacht voor lichamelijke ongemakken, kunstgebitten en “plaatjes”, keiharde nagels van tenen, die bij het afknippen door de kamer schieten, mannen die zo dik zijn geworden dat ze niet meer kunnen bukken en ook alleen nog achter het stuur van hun auto kunnen door de stoel maximaal achteruit te schuiven en meer van dat soort dingen. Hierin zit volgens mij veel zelfspot (die bij Vestdijk trouwens ook aanwezig is). De dikke Peter is duidelijk één van de alter ego’s van de schrijver, en je kunt best in de relatie tussen Peter en Rhiannon veel herkennen van de relatie van Kingsley Amis met zijn eerste vrouw Hilly. Bij een begroeting met een oude bekende wordt Peter omschreven als iemand die op het eerste gezicht een karikatuur van de vroegere Peter lijkt te zijn, maar bij nader inzien de echte Peter is. Ik neem eigenlijk aan dat de schrijver op een soortgelijke manier over zichzelf dacht. Verder zijn zowel de mannen als de vrouwen in het boek onmatige drinkers, wat me om een of andere reden ook weer aan Vestdijk deed denken, die ergens (ik weet niet meer waar; in “De koperen tuin”, “Heden ik, morgen gij”?) een hoofdfiguur laat zeggen dat de beslissende fout die hij gemaakt heeft voordat een belangrijke gebeurtenis plaatsvond was om niet te drinken.

Er is een episode waarin de vrouwelijke hoofdpersoon Rhiannon een uitstapje maakt met een man (Malcolm) die haar vroeger aanbad en nog steeds aanbidt. Het is niet zo duidelijk waarom ze er eigenlijk op in is gegaan (dat aanbod voor een uitstapje). Ook zijn er allemaal typisch Kingsley Amis observaties, zoals het feit dat ze (i.t.t. Hyacinth in de televisie serie “Keeping up appearances”) net iets eerder uit de auto probeert te zijn dan hij tijd nodig heeft om om de auto heen te lopen en haar er uit te helpen.
Op een gegeven moment test hij haar herinneringen, want hij zegt eerst: “Weet je nog dit, weet je nog dat…” en zij antwoordt dan “Ja, natuurlijk” (“Nu de stoom eraf was, zou Rhiannon hebben beaamd dat ze zich de landing van generaal Tate bij Fishguard herinnerde”), en daarna dingen die niet gebeurd zijn die zij ook beaamt, waarna duidelijk is dat ze zich helemaal niets herinnert. Als ze hiermee geconfronteerd wordt begint ze te huilen en Malcolm zegt dan: “Het feit dat je het je zo aantrekt betekent voor mij net zo veel als dat je het nog wel zou weten, vrijwel net zo veel” (vooral dat “vrijwel net zo veel” vond ik erg goed). Dan komt er:
“Dat zette de zaken weer een beetje scheef, maar uiteindelijk was het toch gewoon de bui voor het opklaarde. Ze ging in de weer met papieren zakdoekjes en een kam en hij liep wat rond en poneerde passende mededelingen zoals over de bouw van de kerk, die waarschijnlijk twaalfde eeuws was en de stoffelijke resten van een lid van de familie Courcy herbergde in de zuidmuur van het koor en rond de top van de toren kantelen bezat – precies wat ze wilde horen, geen sarcasme”.
Dat soort dingen vind ik dan weer zo verrassend en eigenlijk ook tamelijk subtiel. Er zijn ook wel oersaaie schrijvers die net als Kingsley Amis de Booker Prize gewonnen hebben (Kingsley Amis kreeg de Booker Prize voor dit boek) en allerlei vervelende lieden haarscherp beschrijven (zoals bijv. McEwan, zie Ian McEwan and the bouquet series). Maar daar blijf je steken in de haarscherpe beschrijving van vervelende mensen, terwijl de conversatie (maar ook de gang van het verhaal) bij Kingsley Amis altijd (voor mij) verrassende wendingen neemt.

Ik herinner me nog dat ik op een vacantie de eerste bladzijde van Lucky Jim van hem las, in een boekwinkel in Terschelling (eigenlijk opmerkelijk dat die boekwinkel in Terschelling zo maar Lucky Jim in het Engels had), met een beschouwing over het verschil tussen de blokfluit (“flute a bec”) en de dwarsfluit, waarvan tussen de regels duidelijk is dat het de (hoofd-)persoon Lucky Jim (Dixon), tot wie deze woorden gesproken worden, niets maar dan ook niets zegt en toen was ik meteen verkocht. Het blijft één van de grappigste boekjes die ik ooit gelezen heb. Wel gedateerd natuurlijk (zullen mensen ongetwijfeld zeggen); Kingsley Amis is een enorm gehate schrijver…
Eigenlijk denk ik dat aanprijzen van Kingsley Amis zinloos is. Hij was (op latere leeftijd) zeer politiek incorrect, dronk te veel, was enorm overspelig en onsympathiek, enz. Maar hij was m.i. toch een heel goede schrijver. Misschien moeten we nog 50 jaar wachten tot hij weer een beetje in de “up” (van de waardering) zal raken. Tegen die tijd is McEwan wel vergeten, denk ik (evenals Harry Mulisch).

Naschrift. Ik zocht nog even naar het essay van Brigid Brophy dat een of andere titel had in de trant van “Lucky Jim never grew up”, maar ik heb het niet gevonden. Wel vond ik onderstaand citaat, waarin Brigid Brophy zich boos maakt over “when Jim hears a tune by the composer whom either he or Mr. Amis . . . thinks of as ‘filthy Mozart'”. Ik vond dit bijzonder grappig, ik bedoel: het feit dat Brigid Brophy zich daar zo boos over maakt. Ik zou me kunnen voorstellen dat één van de helden van Kingsley Amis, die volgens mij zelf behoorlijk muzikaal was, een melodie hoort en dan (misschien zelfs “affectionately”) bij zichzelf denkt: “Good old, filthy Mozart”. Voor de volledigheid komt hieronder het volledige citaat, gecopieerd uit: Amis, Kingsley (William) (1922-1995):

Jim Dixon, the protagonist of Lucky Jim, is, according to Anthony Burgess in The Novel Now: A Guide to Contemporary Fiction, “the most popular anti-hero of our time.” Though a junior lecturer at a provincial university, Jim has no desire to be an intellectual—or a “gentleman”—because of his profound, almost physical, hatred of the social and cultural affectations of university life. This characteristic of Jim has led several critics to conclude that he is a philistine, and, moreover, that beneath the comic effects, Amis was really attacking culture and was himself a philistine. Brigid Brophy, for example, wrote in Don’t Never Forget: Collected Views and Reviews that the “apex of philistinism” is reached “when Jim hears a tune by the composer whom either he or Mr. Amis . . . thinks of as ‘filthy Mozart.'” Ralph Caplan, however, claimed in Charles Shapiro’s Contemporary British Novelists that Lucky Jim “never [promises] anything more than unmitigated pleasure and insight, and these it keeps on delivering. The book [is] not promise but fulfillment, a commodity we confront too seldom to know how to behave when it is achieved. This seems to be true particularly when the achievement is comic. Have we forgotten how to take humor straight? Unable to exit laughing, the contemporary reader looks over his shoulder for Something More. The trouble is that by now he knows how to find it.”

Advertisements