Jan en Willem discussiëren over het thema “Wat is een goede leraar?”

August 31, 2009

J. Ik las dat stukje Wat is een goede leraar? van je collega Piet Groeneboom.
W. Ja, ik heb het ook gelezen.
J. Een belachelijk stukje!
W. Hoezo?
J. Het is volkomen irreëel wat daar in staat. Laat ik even in de mannelijke vorm spreken, hoewel wat ik zeg natuurlijk evenzeer geldt voor leraressen.
Een leraar heeft bepaalde onderwijsdoelen. Daar wordt hij op afgerekend. Hij moet onwillige kinderen klaarstomen voor het eindexamen. Stampen en veel sommetjes maken, dat is waar het om gaat! Zo niet goedschiks dan wel kwaadschiks! De leraar moet er gebruik van maken dat kinderen op die leeftijd nog een soort sponzen zijn die enorm veel in zich kunnen opnemen. Dus die leerlingen moeten vooral veel woordjes uit het hoofd leren.
W. Laat ik even ingaan op “Zo niet goedschiks dan wel kwaadschiks!”. Besef je wel dat er leerlingen zullen zijn die het gewoon zullen verdommen om te “stampen”? Die zullen proberen de kantjes er af te lopen en bij wie dat soort dwang een averechts effect zal hebben? En dat dit niet noodzakelijkerwijs de allerdomsten zullen zijn?
J. Dat ze niet willen stampen laat al zien dat het waarschijnlijk domoren zijn die niet eens kunnen stampen. Hoe denk dat je een rechtenstudie kunt voltooien zonder stampen?
W. Ja J., ik heb geen rechten gestudeerd zoals jij, dus ik heb daar geen ervaring mee. Maar laat ik eens een voorbeeld geven van wat me op school niet beviel. Onze Franse lerares las het gedicht van Verlaine “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” voor.
J. Ja, dat prachtige gedicht!
W. Mmm… Ik herinner me nog dat ik toen ze dit voorlas dacht: “Daar wil ik niets mee te maken hebben”.
J. Wat laat zien dat jij geen gevoel voor literatuur hebt, je bent nu eenmaal een echte beta!
W. Misschien. Maar laat me even uitleggen waarom ik dat dacht. Het was de gezwollen toon waarop dit werd voorgelezen. Ik voelde het als het doorgeven van een dogma. Het dogma “Dit is een prachtig gedicht, dit horen jullie allemaal mooi te vinden”.
J. Het is ook een prachtig gedicht, zelfs jij zou dit mooi moeten kunnen vinden, als je ook maar een greintje gevoel voor literatuur en dichtkunst had!
W. Je begrijpt niet wat ik bedoel J.! Laten we even afzien van de vraag of dit een goed of slecht gedicht is. De kwestie is dat toen dat zo gezwollen werd voorgelezen, ik dacht: gatver, ik wil daar niets mee te maken hebben! En dat er natuurlijk op dezelfde manier legio leerlingen zullen zijn die dat ook zullen denken.
J. Hoe moet het volgens jou dan wel?
W. Ik denk dat de methode van die schaakleraar in het boek “Spel” van Stephan Enter die in dat belachelijke stukje (jouw woorden) ten tonele wordt gevoerd zo gek nog niet is. Ik denk dat een leraar heel erg terughoudend moet zijn.
Ik heb ergens gelezen dat iemand ‘s avonds in een tuin wandelde en daar de Franse dichter Mallarmé tegenkwam die tegen hem zei: “Ik heb net deze zin bedacht die ik zelf erg mooi vind, zou u er misschien nog een betekenis aan toe kunnen kennen?” Dat sprak me wel erg aan.
J. Sprak je wel erg aan?
W. Ja, omdat ik denk dat een gedicht toch een beetje raadselachtig moet zijn, een verrassingselement moet hebben, en moet beginnen vanuit de klank. Aan “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” is niets raadselachtigs of verrassends, je begrijpt meteen dat Verlaine dacht: “pleure”, “coeur” en “pleut”, daar kan ik iets moois mee fabriceren.
J. Maar het begint wel vanuit de klank en dat wil je dus.
W. Ja, O.K. Het begint vanuit de klank, maar het is me allemaal net iets te voor de hand liggend.
J. O god, krijgen we dat. Het moet van jou natuurlijk allemaal diep en raadselachtig zijn. Zo’n mooi lekker in het oor liggend gedicht als van Verlaine mag weer niet.
W. Laten we even van Verlaine afstappen en het over Mallarmé hebben. Ik was onlangs op een conferentie in Göteborg en toen liep ik met een aantal Fransen langs de haven en zei “Brise marine”.
Bij Franse academici heb je altijd mensen die op de “Ecole normale supérieure” zijn geweest en mensen die daar niet op zijn geweest. De mensen die op de “Ecole normale supérieure” zijn geweest zeggen altijd dat het niet erg is als je er niet op bent geweest en de mensen die er niet op zijn geweest zeggen toch wel vaak dat ze opzien tegen mensen die er wel op zijn geweest. Eén ding is duidelijk: het is voor die Franse academici een heel erg belangrijk thema.
Maar goed, toen ik dus zei “Brise marine”, zei de Fransman van de Ecole normale superieure: “La chair est triste, hélas! et j’ai lu tous les livres.” En ik weer: “Fuir! là-bas fuir!” Het is bijzonder leuk om elkaar met citaten uit gedichten om de oren te slaan!
Maar wat bleek: hij vond er niets aan, aan dat gedicht. Hij had het op school uit zijn hoofd moeten leren. De kleinburger die droomt van het ‘t ruime sop kiezen, alles achter zich te laten, zo ongeveer dacht hij over dit gedicht. Maar ik denk eigenlijk dat hij aan dat gedicht zo de pest had omdat hij op school een soortgelijke ervaring had doorgemaakt als ik bij dat gedicht van Verlaine. Dat “Fuir! là-bas fuir!” sprak mij juist heel erg aan, omdat ik dat op school ook altijd zat te denken: was ik maar ergens anders, zat ik maar op een boot op de wilde vaart of zo. Ik had natuurlijk helemaal geen Mallarmé gehad op school, dus ik las het “onbelast”. En overigens kwam ik tot Mallarmé en Valéry via Vestdijk, die daar enorm goede essays over heeft geschreven.
J. Kijk, kijk, je bent dus niet helemaal ongeletterd. Maar wat is nu de pointe van deze uiteenzetting?
W. De pointe is de terughoudendheid die een leraar moet betrachten. Hij moet beseffen dat veel van de leerlingen, als het tenminste niet enorme braverikken zijn, eigenlijk niets willen weten van zijn wereld, en dat het zwelgen in gedichten als “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” alleen maar hun walging opwekt.
J. Ten onrechte!
W. Misschien J., maar toch zouden die leraren zich dat meer moeten realiseren. Wij lazen op school ook het boekje “Prose d’aujourd’hui”. Daar stond een kort stukje uit La nausée van Sartre in, waarin hij beschrijft dat hij in de mist loopt. Dat vond ik nu ineens fantastisch! Er gebeurt ongeveer niets, maar het is buitengewoon goed geschreven. Maar Sartre en La nausée, dat was natuurlijk niets voor die christelijke school waar ik op zat. Ik heb later het hele boek gelezen.
J. Nausée, daar had je zeker erg veel last van toen je op school zat?
W. Ja J., dat heb je goed gezien, ik was één bonk nausée. Woordjes leren, luisteren naar gezwollen voordrachten, stupide sommetjes maken, verschrikkelijk! Ik las thuis boeken over wis- en natuurkunde, als tegenwicht tegen de saaiheid van wat ik op school moest doen, bijvoorbeeld het enorm leuke boek van Fred Schuh “Spelen met getallen” en “Eén, twee, drie… oneindig” van Gamow.
J. Nou, nou, je kunt toch niet van de gemiddelde leerling verwachten dat hij dat ook gaat doen?
W. Als er ook maar iets, iets… van wat er werkelijk in de wis- en natuurkunde gebeurt was onderwezen op school, o, hoe anders zou mijn leven dan, in ieder geval op school, zijn geweest! Ik mocht er zelfs niet over praten, omdat dit onmiddellijk door de wiskundeleraar als “geleerd doen” werd neergesabeld.
Ik had bijvoorbeeld net gelezen hoe je betekenis kon toekennen aan wortels uit negatieve getallen (derde klas) in het platte vlak. Het was voor mij een openbaring! Ik zei er iets over op de wiskundeles, omdat de leraar altijd riep: “De wortel uit min één bestaat niet”. Toen hij dat weer eens riep, riep ik: “De wortel uit min één bestaat wel, het is een imaginair getal!”. Misschien had ik beter kunnen roepen “complex getal” om het woord “imaginair” te vermijden, dat inderdaad suggereert dat het niet bestaat. Maar wat werd hij boos op mij! Hij zei: “Voor jullie bestaat de wortel uit min één niet!” en kwalificeerde wat ik daar over zei als “geleerd doen”. Ik las in die tijd ook het boek “Inleiding tot de logica” van Tarski, dat ik van mijn zakgeld had gekocht, maar ik durfde dat na deze ervaring niet te vertellen aan mijn leraren.
J. Het is wat! Ik heb mijn schooltijd heel anders ervaren. Ik vond het heel leuk op school. En dan die schoolfeestjes en klasse avonden, dat was toch verdomd gezellig! Het heeft zich bij mij naadloos voortgezet in mijn studententijd, waarin ik, zoals je weet, rector van de senaat van het corps ben geweest. Dat was ook een verdomd gezellige tijd.
Wat jij daar beschrijft, dat zijn dingen die je op school nog niet moet doen. En ach, een beetje woordjes leren en sommetjes maken tussendoor, is dat nou zo erg? De school is toch een voorbereiding op het (sociale) leven? Dat is toch ook waar het studiehuis over ging? In groepjes werken aan iets? Je moet toch leren netwerken en leren met je medeleerlingen om te gaan? Dat is waar het om gaat!
W. Het is duidelijk dat we er anders over denken. En het is inderdaad jammer dat er niet verschillende scholen zijn voor verschillende types leerlingen. In Rusland is dat wel zo, gek genoeg. In Nederland hebben we het te druk met het stichten van allemaal verschillende scholen op levensbeschouwelijke basis!

Advertisements

Wat is een goede leraar?

August 28, 2009

Net een reünie van mijn oude klas achter de rug, waarbij de vraag aan de orde was: “Wat is een goede leraar?”. Ik ben zelf geneigd daarop te antwoorden: “Een goede leraar is iemand die aanzet tot zelfstandig denken”. Ja maar, zeggen anderen dan: “Als je een vreemde taal wilt leren, moet je woordjes leren, moet een leraar je niet gewoon dwingen om woordjes te leren?”. En: “Als je wiskunde wilt leren, moet je toch een hoop sommetjes maken, moet de leraar je niet gewoon trainen in het sommetjes maken?”.

Om met het laatste te beginnen: te denken dat het onderwijzen van wiskunde bestaat uit het africhten in sommetjes maken is m.i. een misverstand. Bij het dwingen tot eindeloos maken van allemaal stompzinnige algebra opgaven (en vooral: veel van die sommen binnen de gestelde tijd!) worden robots gekweekt, die zich als goed geoliede machines van de hun gestelde taken kwijten.

In het boek van Stephan Enter “Spel” is een buitengewoon boeiend hoofdstuk dat het wel en wee van een jeugd schaakclub beschrijft. Hier is een korte samenvatting. De leden van de schaakclub hebben les van iemand die ik nu maar even zal aanduiden met “de majoor”, die de leerlingen steeds opgaven voorzet van het type: “Wit wint door mat in drie zetten. Vind deze zetten”. De majoor is echter tijdelijk niet beschikbaar en er komt een invaller die niet zo kien is op dit soort opgaven (overigens zonder ze onmiddellijk af te wijzen) en die wat aarzelender over e.e.a. praat. Meer in de trant van: “Tja, wat zouden we hier eens kunnen doen?” of “Hoe zou Wit hier de aanval op de damevleugel eens kunnen voortzetten?”. En de leden van de schaakclub slaan vanzelf aan het meedenken. Ze merken niet onmiddellijk dat ze hier iets aan hebben, maar als ze in een toernooi spelen blijken ze tot hun stomme verbazing enorm te zijn vooruitgegaan: ze winnen meer partijen dan ze verliezen en de hoofdpersoon krijgt zelfs een medaille voor de achtste plaats!

Ze gaan na dit toernooi naar huis in het door de schaakcoach gecharterde busje en zijn natuurlijk behoorlijk blij met dit resultaat. Dan komt er echter nog een ander thema aan de orde dat te maken heeft met de homoseksualiteit van deze invaller, waar deze leerlingen ook weet van hebben. Ik zal niet verklappen wat er dan precies gebeurt, maar in ieder geval is het tevens het afscheid van deze invaller en komt daarna de majoor weer terug met zijn “Mat in drie zetten” problemen, dat door de leerling die een enigszins kwalijke rol in de bustocht naar huis na het toernooi heeft gespeeld als eerste wordt opgelost.

Wat hier beschreven wordt is misschien een fantasie (hoewel het verslag van de gebeurtenissen wel kenmerken heeft die doen vermoeden dat iets van deze aard echt heeft plaatsgevonden); ik denk ook dat een dergelijke vooruitgang onder een goede docent wel mogelijk is. Zo’n vooruitgang is niet mogelijk onder een docent die elk zelfstandig denken in de kiem smoort (tenzij de leerlingen zich daar niets van aantrekken en toch zelf aan het denken slaan; maar zo zal het meestal niet gaan, vrees ik).

Wiskunde is een vak dat zich ontwikkelt en is niet “sommetjes maken”. De mentaliteit die op het laatste de nadruk legt doet mensen ook geloven dat de wiskunde “af” is. Niets is minder waar! Er zijn miljoenen te verdienen bij het oplossen van de onopgeloste Millennium Prize problems van het Clay Institute zie: Millennium problems.

Zijn er oneindig veel priemtweelingen? D.w.z. oneindig veel tweetallen priemgetallen van het type 3,5 of 17,19? (Voor meer informatie, zie: Twin prime.) We weten het antwoord nog steeds niet, hoewel (volgens waarschijnlijk apocriefe bronnen) Euclides het vermoeden dat het er oneindig veel zijn mogelijk al circa 300 jaar voor Christus heeft geformuleerd. En zo wemelt het in de wiskunde van vermoedens waarvan de meeste wiskundigen wel denken dat ze waar zijn, maar waarvoor helaas(?) nog steeds geen bewijs gevonden is.

Nu nog: “Als je een vreemde taal wilt leren, moet je woordjes leren, moet een leraar je niet gewoon dwingen om woordjes te leren?” Toen ik voor de eerste keer naar Amerika ging om daar les te geven aan de universiteit (in wiskunde en statistiek), was ik vergeten een woordenboek mee te nemen. Had ik daar last van? Nee, helemaal niet! Dat was in 1979. Tegenwoordig is het nog gemakkelijker, want je kunt even kijken op internet als je een woord niet weet. En in Amerika kon ik gewoon aan een vriend vragen om een woord te omschrijven dat ik niet thuis kon brengen of ik kon zelf uit de context “an educated guess” doen.

Als je Homerus wilt lezen, moet je dan vooraf heel veel Griekse woordjes hebben geleerd? Ik heb zelf, net als mijn klasgenoten, het begin van het zesde boek van de Odyssee uit mijn hoofd geleerd. Later heb ik op soortgelijke manier gedichten van Mallarmé uit het hoofd geleerd. In beide gevallen begreep ik aanvankelijk niet meteen wat er stond. Maar in beide gevallen heb je te maken met iets dat je misschien de “muziek van de taal” zou kunnen noemen. Daar moet je m.i. zo dicht mogelijk bij proberen te blijven.

Het viel me op toen ik Homerus las met mijn grootvader, die classicus was, dat hij zelfs de woordvolgorde niet wilde veranderen bij het vertalen in het Nederlands. Hij probeerde buitengewoon dicht bij de oorspronkelijke melodie te blijven, zal ik maar zeggen. Daarbij vergeleken was het “woordjes leren, woordjes leren” van mijn toenmalige leraar Grieks de botte bijl. En verhield deze leraar Grieks zich tot mijn grootvader als de boven beschreven majoor tot “de invaller” bij de schaakclub van Stephan Enter. Grammatica en woordjes leren hoort er natuurlijk wel bij, maar dat moet niet alles gaan overheersen…


Brahms’ clarinet quintet (and the Delft Chamber Music Festival)

August 12, 2009

Last Friday I listened to Brahms’ clarinet quintet, opus 115, performed at the Delft Chamber Music Festival. This was preceded by the “Chansons de Bilitis”, music by Debussy on poems of Pierre Louÿs, and Fauré’s piano quartet opus 15. Afterwards I had a conversation with a friend about the fact that one should be open to different interpretations of music, and that this is something with which the Dutch in particular seem to have difficulty. Last year I wrote something on the same festival in connection with Midori’s performance (Midori, Nederland en het Delft Chamber Music Festival – in Dutch), which performance elicited very negative comments from gentlemen with upper class accents, sitting very close to me at the time, and this time it was not different. In particular the performance of Fauré’s piano quartet was criticized severely: not sufficiently restrained, etc. Last year Midori was too restrained, this time the performers were not sufficiently restrained. Very difficult to please these gentlemen!
Although I do not particularly like Fauré’s music, I thought that this performance was pretty good and in any case presented to us with great conviction. If I would have had the chance, I would have asked the performers to play it again from beginning to end to submerse myself a little more into it. I thought the performance of the chansons de Bilitis at the opening of the evening was absolutely superb, both by Clarlotte Riedijk, who seemed to me to have exactly the right type of voice for this, and the pianist Enrico Pace.

But, coming back to the Brahms clarinet quintet, I thought this was played fantastically (by which I mean: wonderfully), in particular by the clarinetist Sharon Kam. As happens very often (in my experience), the start is crucial, one is immediately “in it” of “out of it”. I heard a performance of the St Matthew passion in Seattle and prepared myself (at the time) for attempts to keep back the tears that come quite easily with the opening choir. But I did not need to prepare myself, because I was immediately “out of it” by what I heard there. And on Friday night it was the opposite: I was not prepared, but this time I had difficulties of the type I just described in listening to the opening choir of the St Matthew passion. The reason I didn’t expect it is that the string players usually indulge in a wide and slow vibrato in the opening forte which means (for me) that I can easily listen to that with dry eyes. But it was not like that this time, in spite of the remarks of neighboring gentlemen on the “unrestrained playing”. Perhaps the playing was “unrestrained”, but it did not bother me. Instead I asked myself the question, which (for some reason) I often have asked myself before: how would life be without Brahms’ music? If I did not know the intermezzi and rhapsodies for piano, the variations on a theme of Schumann, the three violin sonatas, the piano trios and piano quartets? And the clarinet quintet and the horn trio?

Is the clarinet quintet a “happy piece” (as one commentator puts it on youtube in the always interesting and amusing discussion there, where emotions run high)? I do not think so (that it is a “happy piece”). Perhaps Mozart’s clarinet quintet could be called a “happy piece”, but I think the Brahms clarinet quintet is a very melancholic piece. Even the beginning of it. The beginning theme returns at the end, “closing the circle” so to speak, and after the last notes sounded there was a long silence, very effectively triggered by the performers, by making no movement at all to encourage applause. Even this very ending makes it retrospectively clear that the beginning theme is not meant to be overly joyous. And concerning the second movement (the adagio movement): although the beginning of it is very quiet and perhaps not morose, there is a moment (in the piu lento), where the clarinet seems to shout to us: “No, no, it should not be like this!” So, if we imagine this movement played at a funeral, which no doubt has been done, although I have not experienced this, then, if the beginning would represent resignation, the outburst of the clarinet in the piu lento certainly does not represent that! At least, in my interpretation of it, which seemed to me also to be the interpretation of the performers on Friday night. But I also heard performances where the clarinetist happily plays these fast notes and then all the drama is completely gone!

There is also something extremely interesting in the way Brahms puts very dissimilar instruments together. In the horn trio for (natural) horn, violin and piano this is still more obvious than in the clarinet quintet, but the dissimilarity of the instruments always strikes me. And by letting the string players play “con sordino” in the second movement, Brahms even seems to stress the dissimilarity. On youtube Yuri Basmet is playing the clarinet part on a viola, and the string quartet is replaced by an orchestra. Just for fun I reproduce some of the discussion (including the spelling errors) on this on youtube below. There are two things to consider here: the replacement of the clarinet by the viola and the replacement of the string quartet. If one chooses to replace the string quartet by an orchestra, it seems more natural to me to keep the clarinet as the solo instrument. A clarinet can easily “blow away” a string quartet, but less easily a whole orchestra. But, anyway, the orchestral version doesn’t have it for me. And also, by making the instruments more similar (viola+string orchestra), the “loneliness” of the clarinet in its contrast with the string instruments is lost, which is indeed a loss, I think.

By the way, Sharon Kam had another fantastic performance in Messiaen’s quatuor pour la fin du temps on the last night of the festival, but also the other players were fantastic here. How far away was all this from the traveling virtuosi performances with lots of “encores”. After Messiaen’s quatuor pour la fin du temps an encore would have been impossible. What a treat! And how nice that a festival of this type where friends play together still exists!

Discussion on youtube.
Here is (via “copy and paste”) part of the discussion on Yuri Bashmet’s performance with orchestra (of Brahms’ clarinet quintet) on youtube (see: Brahms – Clarinet Quintet conducted by Bashmet pt.1-1):
CC.: I don’t see anything wrong with Bashmet playing viola here because Brahms specified the viola as an alternative to the clarinet.
However, there is absolutely no reason why Bashmet should be standing up as if it is a viola concerto. That is insulting. This is chamber music, not a show-off piece of music.
K. its so he can conduct i think.
CC. I believe it’s arrogance. There’s a reason why there are conductors.
J. As a violist I think, there is nothing wrong with transcribing it for an instrument of similar range and color. I am also a clarinetist, so I do see both sides of the argument. There are many pieces written for clarinet, and in my opinion few are as great as this. I do not see a problem with sharing the composition with viola, a very underestimated and underwritten for instrument. That being said, I think a lot of the natural color is lost my using an orchestra instead of a chamber ensemble.
HC. How arrogant of Bashmet to take Brahms’ beatuful melancholic calrinet quintet and turn it into a concerto for viola and orchestra! Not only that, but his playing is also very arrogant and virtuoso like. THMUBS DOWN. WAY DOWN.
K. How very ignorant and spiteful.
no.1 brahms wrote this as a quintet for clarinet OR viola, so he’s doing a brahms a favour by popularising the viola version, and he’s showing close minded arse holes like you how to play it differently.
no.2 you should respect bashmet for all he’s done for the viola, sure have an opinion, but get real, bashmets playing is hardly arrogant, its beautiful, and he is a very talented musician.
plus, you talk as you are better than him….like you could do better!
EE. Then perhaps how arrogant of Arnold Schönberg for the arrangement for chamber orchestra of this masterwork? No, enjoy the music, its beautiful, truly.

(This last comment was marked as “spam” in the discussion above on youtube. I could only see it by clicking on “Show” in “Comment(s) marked as spam Show”.)

Epilogue. I once read an interview with Toscanini, who was saying something like: “The most important thing is silence. Then you can hear (in your mind) the music as it is actually meant.” I think this is very true. As an example, after listening to Brahms’ clarinet quintet, I heard it “in my mind”. Strip the instruments, and try to listen to the music “in the mind’s ear”. Of course the clarinet should have its separate role, but the string quartet should be just one sound, answering (or be in dialogue with) the clarinet. Some performances lead more easily to this mind experiment than others. The Friday night performance induced this immediately (with me). I did not have to fight the performance first… This is how it should be.