Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 3

March 31, 2010

Ik kom nu bij de andere vragen aan het begin van mijn vorige stukje: ” Wat bezielt de schrijver om deze gebeurtenissen, die ongeveer 24 jaar geleden plaatsvonden, aan de openbaarheid prijs te geven?” en “Wat is het psychologisch motief hierachter?” Het antwoord op vraag 1 is dat ik afgelopen zondag een uitzending heb gezien over de refuseniks op de Joodse omroep (Nederland 2), waarin ik een foto zag van één van de refuseniks die ik in 1986 heb opgezocht in Moskou (Alexander Joffe). Hij was in feite het contact dat ik op moest bellen. Het psychologisch motief is dat ik de herinneringen aan mijn bezoek van de refuseniks en alles wat zich daaromheen afspeelde nu al 24 jaar met me meedraag en wil dat dit op een of anderen manier bewaard blijft en niet “dissolves into thin air” omdat ik er verder mijn mond over houd.

Afgezien van het feit dat het bezoek aan de refuseniks een onvergetelijke indruk op mij heeft gemaakt, is me altijd de intimidatie bijgebleven die op mij werd uitgeoefend om van dit bezoek af te zien. Ik beschreef in deel 1 al dat de Engelse delegatie van het bezoek afzag vanwege het dreigement uit Moskou dat bezoeken van de refuseniks zou leiden tot cancelen van de conferentie. Ook besprak ik de brief die ik had gekregen, waarin de Amerikaanse mevrouw G. aan de Nederlandse statisticus B. had geschreven: “Make sure nothing of the kind will happen”, die aan mij door was gestuurd. Richard Gill heeft daar inmiddels al op gereageerd in zijn commentaar op deel 1 van deze blog.

Het bleef niet bij deze eerste pogingen tot intimidatie om het bezoek aan de refuseniks te verijdelen. In het vliegtuig van Moskou naar Tashkent kwam B. op mij af en vroeg: “Piet, ben jij nog steeds van plan de refuseniks op te zoeken?”. Toen ik bevestigend antwoordde, zei hij tegen mij: “Als je maar weet dat als je dit doorzet dit ernstige gevolgen voor je positie in de Bernoulli society zal hebben!”.

De Home Page van de Bernoulli Society zegt:
The Bernoulli Society was founded in 1975 as a Section of the International Statistical Institute ISI). The Bernoulli Society now has a membership of more than 1000 representing nearly 70 countries, a third of those also being members of the ISI who chose the Bernoulli Society as their Section. The objectives of the Bernoulli Society are the advancement of the sciences of probability (including stochastic processes) and mathematical statistics and of their applications to all those aspects of human endeavour, which are directed towards the increase of natural knowledge and the welfare of mankind. The activities of the Bernoulli Society include organizing or sponsoring international and regional meetings and publications, on its own or jointly with other professional societies. These meetings and publications have a prominent relevance in the fields of mathematical statistics, probability, stochastic processes and their applications.

En de Wikipedia zegt: “Mathematical statisticians and probabilists from all around the world may take advantage of the benefits and opportunities which Bernoulli Society membership provides.”

Dus dat “Als je maar weet dat als je dit doorzet dit ernstige gevolgen voor je positie in de Bernoulli society zal hebben!” klonk wel “heftig”, om modern jargon te gebruiken, en ik dacht dat hij bedoelde dat hij er voor zou zorgen dat ik uit de Bernoulli society gedonderd zou worden. En wat voelde ik toen (in 1986)? Vooral nieuwsgierigheid over hoe dat dan in zijn werk zou gaan.

“Piet Groeneboom zet zijn plan om de refuseniks te bezoeken door. De refuseniks zijn joden in de sovjet unie die gevraagd hebben om te mogen emigreren. Die mogen niet worden opgezocht. Piet Groeneboom moet daarom uit de Bernoulli society worden gestoten.”

Ik vroeg me af hoeveel mensen voor deze redenering zouden vallen. Maar je weet het maar nooit, natuurlijk. De vrees voor repercussies en gevolgen voor carrière is wijd verbreid, ook onder wetenschappers. Een Amerikaanse collega heeft wel eens tegen mij gezegd na een diner in de plaatselijke herberg van Oberwolfach, toen ik hem had gevraagd: “Waarom heb je dat gezegd?” (iets dat lijnrecht inging tegen iets dat hij net tevoren tegen mij had gezegd): “So-and-so is a very powerful man; I have to think of my future!”. En in dit geval ging het zelfs om zoiets onbenulligs als het kiezen van de wijn! So-and-so had gevraagd aan de tafel waaraan we zaten te eten: “Who votes for Piet’s choice of wine?”, met de toevoeging” “It smells like manure” (wat aan de bekende film “Back to the future” doet denken). Dat had mijn Amerikaanse collega niet aangedurfd: in dit gezelschap van machtige mannen te kiezen voor “Piet’s choice of wine”! “He had to think of his future”.

In de film “Back to the future” rijdt de antagonist “Biff” van de vader van de hoofdpersoon aan het begin van de film na een wilde achtervolging van de hoofdpersoon tegen een vrachtauto met mest op, die over zijn open convertible wordt uitgestort, waarna hij zegt “I hate manure”. Deze scène herhaalt zich in de vervolgen op deze film. Biff is altijd omringd door zijn “pals”, waaronder een jongen met een witte zonnebril, terwijl de hoofdpersoon er alleen voor staat (afgezien van de hulp die hij krijgt van een “mad scientist”). Een zeer herkenbare situatie…

Jaren later bleek overigens dat, na mijn verzekering in het vliegtuig van Moskou naar Tashkent dat ik gewoon de refuseniks op zou gaan zoeken, het (door mij toen niet volledig begrepen) “dreigement” dat in het vliegtuig tegen mij was geuit in Tashkent een invulling had gekregen.

Advertisements

Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 2

March 31, 2010

Men kan zich afvragen: wat bezielt de schrijver om deze gebeurtenissen, die ongeveer 24 jaar geleden plaatsvonden, aan de openbaarheid prijs te geven? Wat is het psychologisch motief hierachter? En waarom moet dat allemaal op internet?

Laat ik beginnen met de laatste vraag te beantwoorden. Ik was bijzonder verrast om op internet een document (proefschrift) Rechters in oorlogstijd aan te treffen, waarin een zaak die mijn vader in 1941 als advocaat voor de hoge raad heeft verdedigd wordt beschreven. Dat is nog wel iets langer geleden dan 1986! Tijdens de oorlog heeft hij als advocaat heel veel aanvaringen met de bezetter gehad en is daardoor op een gegeven moment ook op transport gezet naar Duitsland (maar door zeer handig optreden de dans ontsprongen). Na de oorlog was hij raadsheer in het Bijzonder Gerechtshof (dat oorlogsmisdadigers berechtte).

Het proefschrift Rechters in oorlogstijd, waarop Derk Venema in 2007 promoveerde aan de juridische faculteit van de Radboud Universiteit Nijmegen, heeft als ondertitel:
“De confrontatie van de Nederlandse rechterlijke macht met nationaal-socialisme en bezetting”. Hierin wordt op blz. 155 een pleidooi dat mijn vader als advocaat voor de hoge raad in 1941 hield beschreven, waarbij het ging om “kopen van varkensvlees zonder geldige bonnen”. Hij verdedigde de man die deze “misdaad” had begaan in cassatie voor de hoge raad! Maar het was tevens een poging het aanpassen van de wet waar de Duitsers mee bezig waren tegen te gaan. De hoge raad is het natuurlijk niet met hem eens en kiest de kant van de bezetter. Een kwestie van subtiele diplomatie, zullen we maar zeggen!

Ik was de naam van mijn vader eerder tegengekomen in een document over het (foute) gedrag van de hoge raad in de oorlog en in het bijzonder in verband met deze zaak van de “zwarthandelaar” die dus (zoals ik nu heb gelezen) varkensvlees had gekocht zonder bonnen. Dus de definitie van “zwarthandel” omvatte “kopen zonder bonnen”. Dat lijkt me al enigszins een oprekking van het begrip “zwarthandel”, maar wie ben ik…

Ik wijd deze blog nu maar verder aan de interessante uiteenzetting van Derk Venema over deze zaak. Hij zegt:
“De raadsman van de verdachte, P. Groeneboom, betoogde in zijn pleidooi voor de hoge raad op 27 oktober 1941 dat de rechter de bevoegdheid heeft verordeningen van de bezetter te toetsen aan het Landoorlogreglement, het decreet van de Führer en de eerste verordening van de Rijkscommissaris. Art. 43 LOR bepaalt, zoals in paragraaf 3.2.2 besproken, dat een bezettende macht maatregelen treft tot herstel en handhaving van de openbare orde en het openbare leven ‘met eerbiediging van de in het land geldende wetten’. Alleen in het geval van ‘volstrekte verhindering’ mocht de bezetter met die maatregelen de nationale wetten terzijde schuiven. Volgens Groeneboom waren de wetten betreffende de inrichting van de Nederlandse rechtspraak geen ‘volstrekte hindernis’ voor de bezettende macht om ‘de openbare orde en het openbare leven te herstellen en te verzekeren’. Ook waren ze ‘mit der Besatzung vereinbar’, zoals geëist door §5 van het decreet van de Führer en §2 van de Verordening van de Rijkscommissaris. Daarom had de bezetter de wettelijke regeling van de rechtspraak niet opzij hoeven zetten, wat feitelijk het effect was van de invoering van een aparte politierechter voor economische delicten met aangepaste procesregels. Advocaat-Generaal Rombach leidt uit dit betoog af dat volgens Groeneboom de strijdigheid van de verordening tot instelling van de economische rechtspraak met deze regelingen tot gevolg zou hebben, dat die verordening onverbindend is, waardoor hof en rechtbank onbevoegd zouden zijn.”

Dan komt een passage over het mij werkelijk verbijsterende antwoord van de advocaat-generaal van de hoge raad Rombach:
“Rombach is het hier zelf niet mee eens: een behoorlijk bestuur van het bezette gebied is de taak van de bezetter, die daarvoor ook justitiële regelingen moet kunnen aanpassen. De economische rechtspraak was nodig voor zo’n behoorlijk bestuur, en de Nederlandse wetgever zou in deze economische situatie hetzelfde hebben kunnen doen. Bovendien vindt Rombach dat de invoering van de economische rechtspraak niet zo ingrijpend is geweest dat van ‘niet-eerbiediging van de hier te lande geldende wetten kan worden gesproken’. Daarom komt volgens hem de toetsingsvraag niet aan de orde.”

De hoge raad neemt het oordeel van Rombach over:
“De hoge raad oordeelt dat de betreffende verordening van de secretaris-generaal als een ‘door de bezettende macht genomen maatregel van wetgevende aard’ te beschouwen is, omdat ze indirect afkomstig is van de rijkscommissaris. Die heeft vanwege de bezetting (de hoge raad zegt hier dat Nederlandse bevolking zich onder het gezag van ‘het leger van de bezetter’ bevindt, terwijl er een burgerlijk bezettingsbestuur was) volgens artt. 42 en 43 LOR en het decreet van de Führer en zijn eigen eerste verordening de bevoegdheid bindende regels op te stellen tot herstel en verzekering van de openbare orde. Vervolgens zouden volgens de strafkamer al zulke voorschriften ‘onder de huidige omstandigheden’ te beschouwen zijn als Nederlandse wetten. Daarom beschouwt de hoge raad het beroep op de ongeldigheid van de verordening als een klacht wegens schending of verkeerde toepassing van ‘de wet’, zoals bedoeld in het toenmalige art. 99 lid 1 Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO).”

Concluderend zegt Venema over deze kwestie:

“Het gevolg hiervan was volgens de hoge raad dat de verordeningen van de bezetter en de secretarissen-generaal evenmin als gewone wetgeving getoetst konden worden op hun innerlijke waarde of billijkheid (art. 11 Wet Algemene Bepalingen) of aan verdragen zoals het Landoorlogreglement of aan het decreet van de Führer. Tenslotte zou uit de tekst, de geschiedenis en de Nederlandse parlementaire geschiedenis van het landoorlogreglement niet blijken dat aan de rechter van een bezet gebied een bevoegdheid toekomt tot toetsing van maatregelen van de bezetter aan het landoorlogreglement. Het middel kon dus niet tot cassatie leiden: de veroordeling door de economische rechter bleef dus in stand, omdat de verordening waarbij de economische rechtspraak was ingesteld de geldigheid heeft van een wet.

Met deze ontkenning van de mogelijkheid om de regels die uitgevaardigd worden door de nationaal-socialistische overheerser te toetsen, sloot Nederland aan bij wat ook in Duitsland en Italië de regel was. Hitler had op basis van twee noodmaatregelen de bevoegdheid onaantastbare wetten uit te vaardigen en de rechterlijke macht erkende zijn eigen onbevoegdheid om ‘politieke’ maatregelen te toetsen, waarbij ‘politiek’ datgene was wat de politieke instanties als politiek beschouwen. In Italië erkende het Hof van Cassatie de vrije verordenende bevoegdheid van Mussolini en de onbevoegdheid van de rechter die te controleren.”

Dus een zaak met tamelijk verstrekkende gevolgen! Waarschijnlijk lieten de formele regels toch een zekere speelruimte toe en ik heb in dit geval de indruk dat binnen deze regels de advocaat-generaal Rombach de kant van de bezetter kiest, terwijl mijn vader probeerde nog wat tegengas te geven.
Ik was deze zaak trouwens al eerder tegengekomen op internet en ik wist er op dat moment nog niets van.

Nu ga ik vervolgens het hele proefschrift van Derk Venema lezen (ben ik tenminste van plan; het is wel 465 blzn., proefschriften in de wiskunde zijn een stuk korter!), want ik vind dit allemaal geweldig interessant. Er staan ook wat beschouwingen in over Hegel, bijv. de secties “Hegel als inspiratiebron voor nationaal-socialisten”, “Hegel in de Nederlandse rechtsfilosofie”. Hegel is iemand die in de Angelsaksische filosofie meestal bijzonder onpopulair is en was, om niet te zeggen “het pispaaltje” was (ook bij de Wiener Kreis trouwens), maar daarentegen op het continent nogal omarmd is door de fenomenologen. Ik verheug me op het lezen over zijn rol in de Nederlandse rechtsfilosofie! En dat heb ik dus zo maar allemaal gevonden op internet!

Epiloog. Ik heb inmiddels contact met Derk Venema, die mij o.a. schreef: “Ja, uw vader speelde een belangrijke rol in de, onder juristen, meest beruchte Nederlandse rechtszaak uit de bezettingstijd.”. En: “Het is aan uw vader te danken dat deze cruciale kwestie tot aan de Hoge Raad aan de orde is gesteld. Er was toch wel moed voor nodig om deze zaak op scherp te stellen voor de hoogste rechter, en ik weet niet of dit hem nog in moeilijkheden heeft gebracht.”
Ik geloof niet dat per se deze zaak hem nu in moeilijkheden heeft gebracht, maar wel zijn “brutaliteit” tegen Duitse rechters, bij het verdedigen van joden tijdens de oorlog. Om die reden is hij ook op een gegeven moment aan het eind van de oorlog opgepakt van huis, bij welke gelegenheid hij afscheid van mij kwam nemen, geflankeerd door twee soldaten. Ik schijn vanuit mijn kinderbedje geroepen te hebben: “Ha, soldaten!”, in dit verband schrijnende woorden die ik later nog vaak van hem heb moeten horen. Het doet een beetje denken aan een zin in Gerard Reve’s meesterwerk “De ondergang van de familie Boslowits”: “Echt in de oorlog, prachtig”, zei ik zacht voor mezelf.


Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 1

March 29, 2010

Gedreven door enige recente gebeurtenissen en ook omdat ik gistermiddag een programma over de refuseniks heb bekeken (Nederland 2, Joodse omroep), ontruk ik -zij het met enige aarzeling- de volgende ware gebeurtenissen aan de vergetelheid.

Het is 1986, het jaar van de eerste wereldconferentie in de statistiek, die zal plaatshebben in Tashkent. Omdat ik net de Rollo Davidson prijs heb gekregen, ben ik daar uitgenodigd spreker. Wat is de Rollo Davidson prijs? Dit is een prijs die jaarlijks wordt toegekend aan één of twee wiskundigen door de Rollo Davidson trust in Cambridge, UK. Ik kreeg de prijs in 1985, samen met Terry Lyons, maar we hielden ons met totaal verschillende dingen bezig. Ik schat het werk van Terry Lyons heel hoog, en vind het daarom heel leuk dat wij in hetzelfde jaar de prijs gekregen hebben en nu “side by side” op de lijst van prijswinnaars staan.

Uit de Wikipedia over Rollo Davidson: Rollo Davidson Prize: In 1970, Rollo Davidson, a Fellow-elect of Churchill College, Cambridge died on Piz Bernina. In 1975 a fund was established at Churchill College in his memory, endowed initially through the publication in his honour of two volumes of papers, edited by E. F. Harding and D. G. Kendall. A prize from the Rollo Davidson trust fund has been awarded annually since 1976.

Rollo Davidson was een briljante wiskundige die op jonge leeftijd om het leven is gekomen bij het bergklimmen. Hoe krijgt men de prijs? Via een check in de post, samen met de mededeling dat men de prijs hebt gekregen. Eerlijk gezegd had ik nog nooit van Rollo Davidson gehoord toen ik de prijs kreeg en was het een volslagen verrassing. In mijn geval was David Kendall, een wiskundige uit Cambridge die ook al in Tashkent was en daar zelfs op de televisie is verschenen, verantwoordelijk voor het mij toekennen van de prijs, zoals later bleek. David Kendall heb ik in Tashkent ook pas voor het eerst ontmoet. Dus het is een prijs die niet bepaald via lobbyen en netwerken tot stand komt!

In feite was het zo gegaan: ik had gemusiceerd met iemand uit Cambridge (Henry Daniels), die daarna een rapport van mij, waarin de oplossing van een “lang open” wiskundig probleem stond, aan David Kendall had gegeven. Henry Daniels was een markante en bijzonder muzikale man, die tijdens de Tashkent meeting al 73 was. Hij bespeelde een typisch Engels instrument, de zg. “concertina”, een instrument dat enigszins verwant is aan de bandoneon (het tango instrument). Ook kon hij goed piano spelen. Met zijn concertina viel hij wel in voor altviool, als we een altviool misten bij het musiceren in het Mathematisches Forschungsinstitut Oberwolfach (hadden we maar zoiets in Nederland!). Hij probeerde dan ook een soort vibrato te suggereren met zijn concertina. In Tashkent viel me op dat jongeren voor hem opstonden in de metro; kom daar eens om in Amsterdam!

Eigenlijk had Henry Daniels “mixed feelings” over mijn rapport, omdat hij zelf over hetzelfde onderwerp had geschreven, en hij verzekerde mij ook later dat zijn enige inbreng in het toekennen van de prijs was geweest dat hij mijn rapport had doorgegeven aan David Kendall. David Kendall had het gelezen en was toen erg blij geworden, zoals hij me later schreef (“I was so excited when I saw this”). Ik had zelf een soortgelijke ervaring bij het zien van een resultaat van Terry Lyons. Mogelijk denkt de lezer nu: hij is aan het opscheppen (of iets van dien aard), maar wat ik eigenlijk probeer te doen is een tipje van de sluier van de wereld van wiskundigen op te lichten. Het is een moeilijk pad waarop ik me begeef (en me in het volgende nog zal begeven).

Omdat ik één van de weinige uitgenodigde sprekers uit Nederland was op deze conferentie in Tashkent, had een joodse organisatie contact met mij opgenomen (ze hadden om deze reden -dat ik uitgenodigd spreker was- mijn naam gekregen) en mij verzocht om ofwel op de heenreis, ofwel op de terugreis, contact op te nemen met de refuseniks in Moskou. Weer iets dat mij onbekend was: nooit gehoord van Rollo Davidson en ook wist ik niet wat refuseniks waren. Ik citeer nu maar weer de Wikipedia: refusenik: “Refusenik (Russian: отказник, otkaznik, from “отказ”, “refusal”) was an unofficial term for individuals, typically but not exclusively Soviet Jews, who were denied permission to emigrate abroad by the authorities of the former Soviet Union and other countries of the Eastern bloc. The term refusenik derived from the “refusal,” handed down to a prospective emigrant from the Soviet authorities.”

De mensen die tot deze joodse organisatie behoorden bezochten mij op mijn huisadres en gaven mij een aantal instructies over hoe ik het bezoek aan moest pakken. Ik moest één van hun contacten opbellen (in dit geval Alexander Joffe), maar niet vanuit mijn hotel (het zg. “Akademia hotel” in Moskou), waar ik zou worden afgeluisterd. Ik zou naar beneden moeten gaan en moeten bellen vanuit een telefooncel op de “Prospekt”, waar dat Akademia hotel aan lag. Ik herinner me nog het uitzicht op de remise vanuit mijn hotelkamer. Vervolgens zou mijn “refusenik contact” zeggen waar ik in de metro naar toe moest gaan en dan zouden wij elkaar op het afgesproken station ontmoeten. Terugkijkend vind ik het eigenlijk verbazend dat dit allemaal goed ging, maar inderdaad ging het allemaal precies volgens plan. Maar daar was heel veel aan voorafgegaan.

Want… de Nederlandse (academische) statistici hadden een brief gekregen van (de Amerikaanse) mevrouw G. uit Moskou, die daar in die tijd zat om samen te werken met de skikampioen en statisticus/probabilist Shiryaev. De brief was gericht aan een Nederlandse statisticus, die ik hier en in het volgende zal aanduiden met B. (om privacy redenen gebruik ik niet zijn werkelijke initiaal, hoewel iedereen die die brief gekregen heeft natuurlijk weet om wie het gaat). In die brief stond m.b.t. het bezoek aan de refuseniks: “B., make sure nothing of the kind will happen!”. Ik was in die tijd hoogleraar mathematische statistiek aan de Universiteit van Amsterdam, en ik las deze brief, die door B. aan mij was doorgestuurd, met enige bevreemding. Wat te doen? Ik had net toegezegd dat ik de refuseniks wel op zou zoeken.

Erg groot was mijn dilemma echter niet. Er stond in die brief geen enkel overtuigend argument voor het cancelen van mijn bezoek. Inmiddels was echter nog meer gebeurd. Een bekende Engelse statisticus, Bernard Silverman, had met nogal veel tam-tam aangekondigd dat hij ook de refuseniks op zou gaan zoeken. Alleen zou hij dat op de heenweg naar Tashkent gaan doen, terwijl ik het op de terugweg zou gaan doen. Na al deze tam-tam kwam vanuit Moskou het dreigement: “als de Engelsen vasthouden aan hun plan om de refuseniks op te zoeken, cancelen wij de conferentie in Tashkent!”. Volgens mij was dit een volstrekt loos dreigement: die eerste wereld conferentie van de Bernoulli society in Tashkent was een enorme propaganda “event” voor de sovjet unie, nooit van z’n leven zouden ze die conferentie cancelen. Het was sovjet intimidatie van de gebruikelijke soort. Maar… het werkte. Bernard Silverman cancelde zijn bezoek aan de refuseniks.

Ik verkeerde echter in een enigszins andere positie, in de eerste plaats omdat ik niet vooraf tam-tam had gemaakt over mijn bezoek, en in de tweede plaats omdat ik de refuseniks op zou zoeken op de terugreis in plaats van de heenreis. Dus de conferentie cancelen was niet meer aan de orde als ik ze op zou zoeken. Kortom, ik zag nog steeds geen enkele reden om mijn voorgenomen bezoek aan de refuseniks te cancelen. In feite was er ook niets onwettigs aan het bezoeken van de refuseniks. Wat was de “misdaad” begaan door de refuseniks? Hun misdaad was dat ze joden waren en dat ze een verzoek tot emigratie hadden ingediend.


“Vrijpleiten is niet hetzelfde als rehabilitatie”

March 21, 2010

In NRC-Handelsblad van vandaag (20-3-2010) stond een artikel met de titel “Vrijpleiten is niet hetzelfde als rehabilitatie”. Het gaat hier over de kwestie dat het OM, als het niet in staat is de schuld van de verdachte aan te tonen, overgaat op de strategie: “We zeggen dat we de schuld van de verdachte niet kunnen aantonen, maar formuleren het zo dat gesuggereerd wordt dat de verdachte desondanks best eens schuldig zou kunnen zijn.” Zie OM eist vrijspraak Lucia de B. Op die manier komt in Nederland iemand die eens veroordeeld is hier nooit meer vanaf, laat staan dat er van enige vorm van rehabilitatie sprake is.

In dit artikel in NRC-Handelsblad komt Theo de Roos ook weer eens aan het woord en deze doet duidelijk pogingen zijn beroepsgroep te dekken. Hij merkt op dat het OM geen verontschuldigingen hoeft te maken, dat het requisitoir van de advocaat-generaal Rijkers “een goed en correct verhaal” is en dat er geen veroordelingscultuur is “omdat er ook heel veel vrijspraken zijn”. Bij de laatste uitspraak moet ik denken aan: “ik heb ook negers onder mijn vrienden”. Maar ook overigens zijn dit stuk voor stuk zeer aanvechtbare uitspraken, natuurlijk.

Bovendien: wat zei Theo de Roos in 2003 in de uitzending statistiek in het strafproces:
“In de Lucia de B. zaak is het statistisch bewijs ontzettend belangrijk geweest. Ik zie niet hoe men zonder dat bewijs tot een veroordeling zou zijn gekomen.”

Misschien kan iemand nog eens aan Theo de Roos vragen hoe hij daar inmiddels over denkt? Waarom horen we hem daar nu niet meer over?

En wie trad samen met Theo de Roos in deze uitzending op? De rechtspsycholoog Henk Elffers, die hier zijn kans van 1 op 342 miljoen de wereld in slingerde.

Deze uitzending is één van de vele zwarte bladzijden in het hele proces tegen Lucia de Berk. Wat hierin aan de orde komt heeft ook betrekking op een bijzonder belangrijk aspect van de zaak, nl. de leugenachtige verklaring van het hof dat statistiek “geen rol heeft gespeeld” in het uiteindelijk arrest. Ik citeer maar weer eens voor de zoveelste keer professor ‘t Hooft: “Dat het gerechtshof pretendeert geen statistische argumenten te hebben gebruikt wordt door de verwoordingen van het vonnis weerlegd.” Zo is het.


OM eist vrijspraak Lucia de B.

March 18, 2010

Nadat gisteren door het OM gevraagd is om vrijspraak van de beschuldiging (door het OM!) van (aanvankelijk) 8 moorden en 5 pogingen tot moord was er enige euforie omdat eindelijk, eindelijk na jarenlange trekkebekkerij een vrijspraak in zicht is. Tegelijk was er echter treurnis over de formulering van het requisitoir van de advocaat-generaal Jan Willem Rijkers. In de NOVA uitzending van gisteren Vrijspraak geëist voor Lucia de B., waarin we eerst Metta de Noo een “hearty breakfast” zagen bereiden (waarschijnlijk denkend: “I could do with a hearty breakfast”), zagen we na de zitting Ton Derksen min of meer briesend naar buiten komen, waarna hij de kijker voorlas uit het requisitoir.

En inderdaad, wat hij voorlas was weer dermate gruwelijk, dat ik onmiddellijk het requisitoir (zie: requisitoir_Rijkers) op internet heb opgezocht en gelezen. Je zou verwachten dat het OM, na tot het inzicht gekomen te zijn dat de beschuldigingen van moorden en pogingen tot moord geen grond hebben, enige bescheidenheid zou betrachten en bijvoorbeeld excuses zou aanbieden. Dat is toch wel het minste als je bezig bent geweest met het verwoesten van levens. Maar nee, het OM wil eerst de uitspraak van het hof afwachten voordat het mogelijk over excuses na gaat denken. “Uitspraak van het hof afwachten”? Het OM vraagt vrijspraak, maar wil met de excuses wachten op wat het hof zegt. Wat is dat voor idiote gedachtegang? Als het OM nu vindt dat de beschuldigingen niet onderbouwd kunnen worden, is nu minstens een verontschuldiging op zijn plaats, lijkt me.

Opvallend in het requisitoir is de negatief getinte formulering. Niet dat het me erg verbaast, want het rapport van de advocaat-generaal van de hoge raad Mr. Knigge blonk ook al uit door dubbele ontkenningen, waardoor iets dat in feite positief geformuleerd zou moeten worden een negatieve lading kreeg (bijvoorbeeld zegt Mr. Knigge op p. 61 van zijn rapport: “Op grond van de cijfers kan derhalve niet worden geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat één van de incidenten die zich in de periode van 1 oktober 2000 to 5 september 2001 op de desbetreffend afdeling hebben voorgedaan, een onnatuurlijke oorzaak hadden”; de drie cursiveringen in deze zin zijn van mij, zie: de grote misleiding). Grappig is in dit verband de zinsnede in het requisitoir_Rijkers, doelend op het publiek debat over deze zaak:
“Dat debat en die bemoeienis zijn overigens mede debet geweest aan het kunnen ontstaan van nieuwe inzichten.”
“Debet”? De woorden “credit” en debet” worden meestal tegenover elkaar gesteld. Volgens mij is het woord “credit” hier beter op zijn plaats! Misschien kent de advocaat-generaal Jan Willem Rijkers de betekenis van het woord “debet” niet? Of hebben we hier misschien te maken met wat in de wandeling wel een “Freudiaantje” wordt genoemd? In ieder geval kunnen we wel constateren dat het OM, samen met de rechterlijke macht, hier debet is aan de zoveelste gerechtelijke dwaling.

Minister Hirsch Ballin en de topman van het OM, Harm Brouwer, haasten zich voor de camera altijd om te zeggen dat gerechtelijke dwalingen in Nederland “hoogst zeldzaam” zijn. Waarschijnlijk hopen ze dat wij dit zullen geloven als zij dit maar vaak genoeg zeggen en als zij de instelling van een onafhankelijke revisieraad naar Engels model, waar ook niet-juristen zitting in hebben, kunnen tegenhouden. Op dezelfde manier heeft het hof bij herhaling in de zaak tegen Lucia de Berk aan de pers meegedeeld dat statistiek in het uiteindelijk arrest geen rol heeft gespeeld en heeft de geraadpleegde rechtspsycholoog, die verantwoordelijk was voor het de wereld inzenden van de kans van 1 op 342 miljoen, dit ook nog eens in NRC-Handelsblad beweerd. Zoals professor ‘t Hooft in zijn ondertekening van de petitie voor heropening van de zaak tegen Lucia de Berk echter al heeft opgemerkt: “Dat het gerechtshof pretendeert geen statistische argumenten te hebben gebruikt wordt door de verwoordingen van het vonnis weerlegd.” En wat de bewering dat gerechtelijke dwalingen “hoogst zeldzaam” zijn betreft: zie bijvoorbeeld Zembla kraakt topman Brouwer. Het OM en de hoge raad schijnen niet te beseffen dat deze verzekering weinig indruk maakt zolang het instellen van een onafhankelijke revisieraad krampachtig wordt tegengehouden en het begrip “novum” wordt gehanteerd om heropening te verhinderen, ook als duidelijk is dat er grove fouten zijn gemaakt (als deze fouten al bekend waren tijdens de behandeling van de strafzaak, is er geen “novum”).

Als we ooit nog mochten hopen dat in Nederland een verdachte onschuldig is totdat het tegendeel is bewezen, dan wordt deze hoop door dit requisitoir wel geheel met de grond gelijk gemaakt. In Nederland is een verdachte schuldig tenzij het tegendeel met overweldigende kracht is aangetoond!

Ik doe hier een enigszins willekeurige greep uit het requisitoir:
“In het licht van het vorenstaande kan ook ten aanzien van de overige zeven – deels fataal afgelopen – incidenten een natuurlijke oorzaak niet meer buiten redelijke twijfel worden uitgesloten en kan er ook niet meer van worden uitgegaan dat de aan verdachte toegeschreven handelingen of gedragingen ten opzichte van de betrokken patiënten (telkens) levensbedreigend moeten zijn geweest.
Dit geldt zelfs als – zoals het gerechtshof Den Haag op grond van uitvoerige beschouwingen (telkens) heeft gedaan – die handelingen of gedragingen als ronduit verdacht zouden kunnen worden aangemerkt.
Overigens lijkt ook niet in alle gevallen buiten twijfel vast te staan dat verdachte dergelijke handelingen moet hebben verricht..”

Wat zou hier eigenlijk moeten staan: “Er was en er is geen grondslag voor onze beschuldigingen. Wij moeten helaas concluderen dat wij, door af te gaan op door ons niet goed gekozen deskundigen, zoals amateurstatistici, en toxicologen die niet voldoende deskundig waren op bijv. het terrein van de digoxine, iemand ten onrechte beschuldigd hebben van moorden”.

Maar nee, een ruimhartige erkenning van het schuldig zijn aan het op onvoldoende gronden iemand 6 jaar in de gevangenis laten zitten, en het verwoesten van levens, hoeven we van het OM niet te verwachten.
En, helaas…, waarschijnlijk ook niet van het hof.

Epiloog. Naar aanleiding van de uitzending van Zembla: Officieren van justitie in de fout, keek ik even op de site van Zembla. Ik zag daar tot mijn verbijstering:

“Het Openbaar Ministerie heeft in een brief aan de redactie Zembla gesommeerd
de lijst falende officieren van justitie van de website te verwijderen voor de duur van het onderzoek van het Wetenschappelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (WBOM). In een schriftelijke reactie heeft Zembla laten weten niet van plan te zijn de lijst te verwijderen, maar deze wel wanneer nodig te corrigeren. In overleg met het parket zijn drie keer kleine aanpassingen gemaakt.”

Goed zo, Zembla! Dit optreden van het OM gaat toch wel ver! Te ver, zou ik zeggen. Het lijkt mij dat het OM hier debet is aan pogingen tot intimidatie!

Verder lezen we:
“Voor de documentaire Officieren van justitie in de fout van Jos van Dongen en Frans Glissenaar, bestudeerde Zembla honderden vonnissen en arresten van de laatste tien jaar, en zocht uit waar de rechter zich negatief uitspreekt over de werkwijze van het Openbaar Ministerie. Op basis van dit onderzoek werd een lijst samengesteld van negentig gevallen die geanonimiseerd gepubliceerd werd op zembla.tv voorafgaand aan de uitzending op zondag 31 januari 2010.”

Zie: Openbaar ministerie sommeert Zembla lijst te verwijderen.


SP tegen de rest: mens tegen robot

March 8, 2010

Naar aanleiding van het vertrek van Agnes Kant als lijsttrekker bij de SP en ook naar aanleiding van het slotdebat voor de gemeenteraadsverkiezingen moest ik denken aan “Star Trek, the next generation”. Wat opvalt als een lid van de SP aan het woord is, zoals Agnes Kant, of Marijnissen, maar toch ook wel de opvolger van Agnes Kant, Emile Roemer, is dat je het gevoel hebt met een mens te maken te hebben. Marijnissen die tranen plengt, Agnes Kant die helemaal van de kaart is in het slotdebat en tevergeefs aan het woord tracht te komen, terwijl de zelfgenoegzaam glimlachende robots tegenover haar dit proberen te verhinderen, Emile Roemer die zijn postuur in stelling brengt als hem gevraagd wordt of hij uit de schaduw van Marijnissen kan treden….

In “Star Trek, the next generation” treedt een heel sympathieke en ook wel geestige “androïde” op, genaamd “Data”. Hij is een onuitputtelijke bron voor het ontwikkelen van gedachten over wat humor eigenlijk is (hij is in feite heel grappig, maar als hij opzettelijk probeert leuk te zijn, mist hij het juiste “gevoel”) en wat “gevoel” is, enz. En, zoals te verwachten valt, als zijn “gevoel” wordt geactiveerd, loopt het helemaal uit de hand.

We hebben nu al 4 kabinetten een “androïde” als premier, is iedereen waarschijnlijk wel opgevallen. Zelfs de manier van lopen van deze androïde wijst daar al op. Tenminste bij dit type ouderwetse robot, in tegenstelling tot de modernere robot, zie Delftse robot loopt als een mens. Druk op de knop van de androïde JPB en er komt uit: “Ik ben nooit voor mijn verantwoordelijkheid weggelopen”, “Terug naar de VOC mentaliteit…toch?” of “Ik ga voor goud”. Maar Bos en Pechtold zijn natuurlijk ook androïden, en Rutte, tja, die schijnt in ieder geval nog redelijk piano te kunnen spelen. Dat is nog iets… Hij is toch ook wel een androïde, denk ik.
Het verschil met de androïde “Data” is dat “Data” een leuke androïde was. Dat kan ik helaas van de zo juist genoemde Nederlandse androïden in de politiek niet zeggen.

O ja, ik vergat nog te zeggen dat Wilders natuurlijk ook een androïde is. Druk daar op de knop en er komt “hoofddoekjes” of “linkse elite” uit. Die heeft trouwens ook zijn bleke gelaatskleur met “Data” gemeen (maar is eveneens veel minder leuk).

Epiloog. Een vriend schreef mij n.a.v. het bovenstaande:
Ja Piet, dat is een goede waarneming! Je moet er toch echt niet aan denken dat deze en soortgelijke androïde types straks een regering gaan vormen in ‘crisistijd’. Ik moet nog al eens denken aan twee regels van Lucebert ooit:

Voor je het weet, is ‘t weer zo ver,
dan draagt de één een zweep, de andere een jodenster.

Druk op Balkenende’s knop, en hij zal zeggen het zo ver natuurlijk nooit te laten komen…