De grote misleiding

May 30, 2008

In Nederland is de situatie ontstaan dat vertegenwoordigers van justitie en politie geen moeite hebben om hun meningen in de krant te krijgen, terwijl mensen die op allerlei misstanden bij deze instanties wijzen de grootste moeite hebben om hun reacties geplaatst te krijgen of om zelfs maar door iemand gehoord te worden. Naar de oorzaken van deze situatie kan ik alleen maar gissen, maar het heeft volgens mij iets te maken met het feit dat Nederland steeds meer een corrupte politiestaat aan het worden is, waarin politie en justitie als een gesloten kordon opereren, en waarbij mensen buiten dit gesloten kordon verteld wordt hun mond te houden, omdat ze zouden praten over dingen waar ze geen verstand van hebben. Een jaar geleden zou ik de uitspraak die ik net deed nog belachelijk gevonden hebben, maar na een jaar strijd voor heropening van de:
1. Lucia de Berk rechtszaak
en na bovendien kennis genomen te hebben van de hieronder opgesomde zaken ben ik hier van overtuigd geraakt.

2. de Schiedammer parkmoord: de officier van justitie Bernadette Edelhauser, tegen wie in deze zaak aangifte is gedaan wegens achterhouden van ontlastend bewijsmateriaal voor de ten onrechte veroordeelde Cees B., is mei 2008 tot rechter benoemd in Dordrecht, zie Edelhauser in categorie ‘grote fouten’.
De forensisch psycholoog (orthopedagoog?) Ruud Bullens, die in deze zaak ook zo’n kwalijke rol heeft gespeeld, is als directeur van FORA (in deze link terecht aangeduid met: “Frauduleus Onderzoek bij Raads Adviezen”) met eigen geld van de Landelijke Vereniging Externe Deskundigenbureaus benoemd tot bijzonder hoogleraar op de Vrije Universiteit via een o.a. door hemzelf opgestelde advertentie, zie Hoe vaak waste Ruud Bullens al zijn handen in onschuld? Ter herinnering: Ruud Bullens was de “psycholoog” die toekeek bij het mishandelen door de politie van de 11-jarige Maikel; hij greep bijvoorbeeld niet in toen de rechercheurs bovenop Maikel gingen zitten en de verwurging van Maikel naspeelden, zie de werkelijk verbijsterende Zembla uitzending van 20-4-2006: de professor en de parkmoord. De betrokken rechercheurs hebben achteraf toegegeven dat er te ver is gegaan in de verhoren van Maikel; de heer Bullens vindt dat niet. Hij zegt nog steeds: “Ik heb niets fout gedaan” en vindt zichzelf “deskundig, zeer deskundig”. Men vraagt zich af: deskundig waarin?
Frits Posthumus, die de evaluatie van de Schiedammer parkmoord heeft geleid, bleef in dit geval bij de kritiek die zijn commissie heeft geuit op Bullens, ondanks protesten van Bullens. Minister Donner heeft naar aanleiding van alle commotie rond deze affaire het OM en Justitie opgeroepen Bullens en FORA niet meer te benaderen voor het doen van onderzoek, zie Affaire Maikel. Bullens publiceert samen met Rolf Loeber, die aanleg tot crimineel gedrag onderzoekt door aan kinderen te vragen: “Heb jij het afgelopen jaar iets verkeerds gedaan?” (het eenderde aantal kinderen dat “Ja” zegt en dus de waarheid spreekt moet merkwaardig genoeg volgens Rolf Loeber in de gaten gehouden worden; misschien worden de kinderen die eerlijk antwoorden later wel lastposten!), zie: Levenslang voor Dik Trom. Om dezelfde reden kan de heer Bullens natuurlijk niet zeggen dat hij iets fout heeft gedaan in de verhoren van Maikel, want dan belandt hij in die categorie van mensen die volgens zijn collega Loeber die in de gaten gehouden moeten worden!
Ook interessant is het artikel in Elsevier: Justitie, dwalingen in parkmoord, waarin niet alleen de kwalijke rol van Bernadette Edelhauser, maar ook het “gedraai van Harm Brouwer” (niet mijn woorden, maar die van Elsevier) in deze zaak aan de orde wordt gesteld. Uit dit artikel: “Het Openbaar Ministerie (OM) heeft geblunderd in de zaak van de Schiedammer Parkmoord. Zowel officier van justitie Bernadette Edelhauser als later advocaat-generaal Mariëtte Renckens had de rechters moeten informeren over de twijfel die er bij het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) bestond of verdachte Cees B. de moord op de 10-jarige Nienke Kleiss op 22 juni 2000 wel had gepleegd” en “Het tv-programma Netwerk zwengelde de zaak vorige week aan en schetste een beeld van leugen en bedrog door het OM”.
10 jaar Netwerk
: “Toen de korpsleiding hoorde dat Timmerman en Gosewehr met Netwerk praatten over deze zaak, werden ze op het matje geroepen. Volgens de korpsleiding beschadigden de rechercheurs het imago van het NFI en dat zou het vertrouwen in het instituut ondermijnen. Gosewehr werd daarop overgeplaatst en gedegradeerd. Timmermans contract bij de politie werd niet verlengd.
Dit alles gebeurde nog voor de eerste uitzending. Toen Timmermans zijn baan toch al kwijt was, besloot hij om zijn verhaal op tv te vertellen.
Timmermans heeft er een bittere nasmaak aan overgehouden. Hij is er boos over dat hij als klokkenluider werd ontslagen, maar dat de verantwoordelijken en degenen die de zaak in de doofpot hebben proberen te stoppen, niet zijn bestraft.”
Klokkenluiders worden -zoals bekend- door een politiestaat nu eenmaal bijzonder slecht behandeld!
3. de Deventer moordzaak,
4. de Puttense moordzaak,
5. de zaak Ina Post: de commissie CEAS (Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken) heeft inmiddels geconstateerd dat in deze zaak een gerechtelijke dwaling heeft plaatsgevonden. Dit nadat 21 jaar verstreken zijn sinds haar veroordeling!
6. de Eper incestzaak (“de zaak Jolanda”): zie professor Wagenaar bij Pauw en Witteman, de twee raadsheren Balkema en Machielse die -volgens prof. Wagenaar- tijdens deze rechtszaak hebben zitten slapen maken thans deel uit de Hoge Raad, waardoor de kans op heropening vrijwel nihil is,
7. de zaak Sweeney: TNO heeft voor deze zaak 6 miljoen gulden uitgegeven om een experiment te construeren dat zou moeten laten zien dat een brand niet door roken in bed kan ontstaan, wat volgens het CBS -en ook buitenlandse instanties- daarentegen een van de meest voorkomende oorzaken van brand is. N.B.: Het feit dat de deskundige Jan Bijl van het NFI, met wiens verklaring dat hij in de woning geen aanwijzingen heeft gevonden voor brandstichting niets is gedaan door het hof, heeft gezegd dat slechts in 10% van de gevallen door een brandende sigaret een brand ontstaat is geenszins in tegenspraak met het feit dat dit volgens het CBS één van de meest voorkomende oorzaken van brand is, denk bijv. ook aan de Schipholbrand. Misschien was deze gedachtengang wat moeilijk voor het hof! Als het OM en rechtbank of hof eenmaal alles hebben ingezet op hun favoriete verdachte worden kosten, noch moeiten, noch dossier manipulaties (zie bijv. hierboven de Schiedammer parkmoord m.b.t. dit punt) gespaard om deze favoriete verdachte achter de tralies te krijgen, en
8. de op mysterieuze wijze uit het Elizabeth ziekenhuis in Tilburg verdwenen organen van Denise Schouten zie: Recherche kan hart Denise Schouten ook niet vinden, het NFI heeft de moeder van Denise een random selectie van organen van andere personen dan haar dochter gegeven, waarschijnlijk in de hoop dat ze het niet zou laten controleren,
9. (toevoeging 20-8-08): de Enschedese ontuchtzaak; merk op dat de president van het Arnhemse hof Mr. van Dijk zich in de KRO reportage weer verweert met de inmiddels bekende uitvlucht: “de deskundigen spraken elkaar tegen”. Maar in feite spraken de deskundigen elkaar hier helemaal niet tegen! Er waren 3 vernietigende rapporten over de manier waarop de kinderen herhaald ondervraagd waren en één algemeen rapport dat ging over de manier waarop ondervraagd zou moeten worden en waarin niets over de verhoren zelf stond. Deze 3 vernietigende rapporten werden genegeerd, zo zeer waren de leden van het hof overtuigd van de schuld van de verdachten. De president van het Arnhemse hof Mr. van Dijk zegt hierover: “Het kan wel zijn dat er iets met de verhoormethode aan de hand was, maar de raadsheren kwamen toch de conclusie dat de verdachten schuldig waren.” Professor Theo de Roos die tot de commissie CEAS (die heropening van de zaak aanbeveelt) behoorde zegt echter: “Ik kan alleen maar zeggen dat ik mag hopen dat ik de kritiek zo serieus had genomen,.., dat ik had vrijgesproken”. Mr. van Dijk merkt naar aanleiding hiervan nog op over de drie leden van de commissie CEAS: “Deze drie leden zijn geen rechter”. Dit klinkt bijzonder zwak en je zou hopen dat iedereen die Mr. van Dijk dit heeft zien opmerken het ook zo heeft ervaren.

Deze week konden we in de NRC lezen dat Nederland koploper is in het afluisteren van telefoons (zie: 1700 telefoons per dag afgeluisterd) en dat past ook weer in het beeld van een corrupte politiestaat. En wat te denken van de detentiekampen en bajesboten voor vreemdelingen? Zie: Amnesty spreekt schande van behandeling illegalen, en het Amnesty International rapport: Vreemdelingenbewaring in Nederland op gespannen voet met internationale normen (links toegevoegd 27-6-08).

Interessant in dit verband is ook het door kranten geweigerde artikel over vervanging van rechters tijdens lopende rechtszaken (o.a in de “Chipshol” zaak), waarin ook het vervangen van een Srebrenicarechter ter sprake komt. Het is allemaal buitengewoon verontrustend, vooral omdat in Nederland, in tegenstelling tot omringende landen, justitie een totale, oncontroleerbare, greep op de “rechtsgang” heeft: Nederland heeft geen lekenrechters zoals in bijv. in Duitsland, geen jury, zoals bijv. in Frankrijk en Engeland; er is geen onafhankelijke commissie waartoe men zich kan wenden bij afgesloten strafzaken, zoals in Engeland; het begrip “novum” wordt door de Hoge Raad ge- (mis-)bruikt om in bijna alle gevallen heropening van rechtszaken te voorkomen, rechters kunnen niet worden aangesproken op hun fouten, en ga zo maar door.

De Nederlandse commissie CEAS, die aanbevelingen doet voor het wel of niet heropenen van strafzaken, is een commissie die weer geheel binnen het justitiële bolwerk opereert, in tegenstelling tot de British Criminal Cases Review Commission (CCRS). Mr. Brouwer en het ministerie van justitie hebben al laten weten dat zij niet voor zo’n commissie in Nederland voelen omdat dit niet zou passen in het Nederlandse rechtssysteem. Nee, zij vrezen natuurlijk verlies van macht! In het Volkskrant artikel In 70% van de zaken draait nieuwe rechter het vonnis terug kan men lezen dat in Engeland in 70% van de opnieuw bekeken zaken het oorspronkelijk vonnis wordt teruggedraaid. CCRC heeft 103 medewerkers, van wie 11 “Commissionars” zijn, benoemd door de koningin, en heeft een budget van ongeveer 10 miljoen euro per jaar. Vergelijk dit met de situatie in Nederland, waar rechters niet op hun fouten kunnen worden aangesproken!

Zie voor verdere informatie m.b.t. dit punt Power and stupidity; in Engeland heeft men bijv. via de commissie CCRC ongeveer 400 zaken heropend sinds 1997; in Nederland slechts 3 sinds 1997. Bij deze 3 hoort de Schiedammer parkmoord, waar een ander dan de veroordeelde de moord heeft bekend; in deze zaak beweert het Haagse Hof trouwens nog steeds niets fout te hebben gedaan! Wel was het iedereen die zich in de zaak heeft verdiept duidelijk dat het Haagse Hof het dossier niet goed kende en andere ernstige fouten heeft gemaakt, maar de raadsheren weerhielden zich niet toch weer op te merken: “wij hebben niets fout gedaan!”, mogelijk in de hoop dat deze mededeling zal blijven hangen bij het publiek (zie de Zembla uitzending van 3 juni 2007: het geheim van de rechter). Het past geheel in de geest van mijn sinterklaasrijmpje van vorig jaar voor prof. Buruma in Wie hebben de petitie voor heropening van de Lucia de Berk zaak getekend?:

En laat men ‘t volgende goed verstaan:
Wij hebben nooit iets fout gedaan!

Een voorbeeld van de grote misleiding, genoemd in mijn titel, die deze keer (niet voor het eerst) afkomstig is van het hoofd van het OM, Mr. Harm Brouwer, stond deze week in het dagblad Trouw, zie OM-chef mist forensische kennis bij rechters. Ik heb daar Trouw een ingezonden brief over geschreven die ik hieronder weergeef, maar ik ben er min of meer van overtuigd dat hij niet geplaatst zal worden. Deze reactie zal waarschijnlijk als “gezagsondermijnend” gekwalificeerd worden. Bovendien constateerde ik via automatisch tellen dat ik in mijn reactie 538 woorden gebruik i.p.v. de toegestane 250. Als ik 250 woorden gebruikt had, had ik in de eerste alinea kunnen citeren wat Mr. Brouwer in het jaarverslag van het NFI, dat hier in Trouw geciteerd werd, beweerde en daarna hier één alinea aan kunnen toevoegen. De rechtspsycholoog Elffers, die in mijn hieronder gegeven commentaar ter sprake komt, had voor zijn onzinnige reactie in de NRC (“Statistiek doet er nu niet meer toe” ) 957 woorden nodig, maar hij heeft natuurlijk bij die krant de voorsprong als vertegenwoordiger van justitie en politie op te treden. Zie voor mijn reactie op dit stukje: Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren.

Mr. Brouwer haalt in het artikel in Trouw “OM-chef mist forensische kennis bij rechters” als voorbeeld de zaak van Lucia de Berk aan: “Bij elke nieuwe vraag die een deskundigenrapport opriep, werd bij wijze van spreken een andere deskundige gezocht om die te beantwoorden, terwijl wetenschappers het zelden met elkaar eens zijn.” Volgens Brouwer is de aanstelling van een forensisch officier bij elk parket een eerste stap op de lange weg om beter om te gaan met forensisch-technische opsporing.

Dit is een zeer misleidende voorstelling van zaken. Voor het statistisch aspect van de zaak zijn bijvoorbeeld door het OM geen deskundigen op dit gebied geraadpleegd, maar mensen uit de eigen kennissenkring, nl. een rechtspycholoog en een jurist die tevens in Amerika een graad in “Business administration” had gehaald (resp. prof. Elffers en prof. de Mulder). Deze “deskundigen” kenden elkaar bovendien van de Erasmus Universiteit en hadden samen artikelen geschreven. In de uitzending van NOVA/Den Haag Vandaag van 4 november 2003 Statistiek in het strafproces zegt de hoogleraar strafrecht Theo de Roos nog: “In de Lucia de B. zaak is het statistisch bewijs ontzettend belangrijk geweest. Ik zie niet hoe men zonder dat bewijs tot een veroordeling zou zijn gekomen.”. In deze uitzending komt ook de rechtspsycholoog Elffers aan het woord, die hier stelt dat de kans dat een verpleegkundige, werkzaam op de drie ziekenhuisafdelingen, bij toeval bij zoveel van de onverklaarbare overlijdensgevallen en reanimaties op élk van de drie afdelingen aanwezig is, 1 op 342 miljoen zou zijn.

Nadat alle statistici in Nederland, maar ook statistici buiten Nederland, zich van de kans van 1 op 342 miljoen van prof. Elffers en prof. de Mulder gedistantieerd hadden, heeft het Haagse Hof het doen voorkomen of statistiek geen rol meer heeft gespeeld in het uiteindelijk arrest, maar zoals de Nobelprijswinnaar prof. ‘t Hooft terecht bij zijn ondertekening van de petitie voor heropening van de zaak Lucia de Berk heeft opgemerkt: “Dat het gerechtshof pretendeert geen statistische argumenten te hebben gebruikt wordt door de verwoordingen van het vonnis weerlegd.”

Als men echt statistici had willen raadplegen, had men bijvoorbeeld gewoon op internet kunnen opzoeken wie er hoogleraar statistiek zijn in Nederland. Daar is geen forensisch officier bij elk parket voor nodig. Van zo’n forensisch officier kan daarentegen gevreesd worden dat deze misschien ook weer in de eigen kennissenkring zal gaan zoeken en dat leidt niet tot een verbetering van de situatie.

Ook voor het inmiddels geheel ontkrachte “digoxine argument” in deze zaak heeft men niet een echte digoxine expert geraadpleegd: Professor DasGupta, met wie NOVA op 29 september 2007 sprak (Deze baby is niet vergiftigd) heeft meer dan 100 publicaties over digoxine op zijn naam staan, de door justitie geraadpleegde prof. de Wolff daarentegen nul. Dus het gaat niet om een verschil van mening tussen deskundigen: alle deskundigen op het gebied van de statistiek zijn het er over eens dat de kans van 1 op 342 miljoen van prof. Elffers en de Mulder nergens op sloeg en alle deskundigen op het gebied van de digoxine zijn het er over eens dat het overlijden van het kind Amber niet aan digoxine vergiftiging toegeschreven kan worden. Het is bijzonder flauw dat juristen, waaronder Mr. Brouwer en prof. Buruma, altijd maar weer aankomen met: “De deskundigen zijn het niet eens”; men heeft gewoon niet de moeite genomen om echte deskundigen te raadplegen. De deskundigen op de betreffende vakgebieden zijn het juist wel allemaal eens over de wijze waarop in deze zaak door de door het OM geraadpleegde personen met hun vak is gesold!

Voor verdere informatie over hoe de rechtszaken tegen Lucia de Berk zijn verlopen, zie: Nederlands Wikipedia artikel over de zaak Lucia de Berk en Engels Wikipedia artikel over de zaak Lucia de Berk. Aan het schrijven van deze overzichten hebben wel echte deskundigen meegewerkt!

Naschrift. Nog bonter maakt Paul Mevis het in de Volkskrant van 31 mei jl. in zijn stukje “Revisieraad is verkeerd signaal”. Paul Mevis is hoogleraar strafrecht aan de Erasmus Universiteit. Deze universiteit kwam in het bovenstaande al ter sprake n.a.v. de rechtspsycholoog prof. Elffers en de jurist prof. Mr. de Mulder die de kans van 1 op 342 miljoen hebben geïntroduceerd. Weer een jurist die geen moeite heeft zijn mening in de krant te krijgen. Mevis bestrijdt de noodzaak van een “Revisieraad”, zoals bepleit door een aantal personen in een advertentie in de Volkskrant van 27 mei jl. Hij vindt dit het “paard achter de wagen spannen”: “De rechter moet veel meer worden aangezet pas te beslissen nadat hij onderzocht heeft.”. Is dit een impliciete erkenning dat de rechter zaken te vlug afhandelt en niet onderzoekt? Zijn betoog bevat wat dit betreft een inconsistentie, want even later merkt hij op: “En we vertrouwen in Nederland ter zake niet voor niets op de rechter!”

Aan het eind merkt hij op: “In de zaak Lucia de B. (iedereen die zich in de zaak heeft verdiept weet inmiddels dat het om Lucia de Berk gaat, maar juristen blijven haar hardnekkig aanduiden met Lucia de B., PG) heeft het meer binnen het bestaande systeem uitgevoerde onderzoek van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad pas werkelijk de knelpunten boven water gehaald, en niet het onderzoek van de daarbuiten staande CEAS.” Dit is een zo mogelijk nog grotere misleiding dan waar Mr. Brouwer zich aan schuldig maakt. Nee, de knelpunten zijn boven water gehaald door niet-juristen: door Metta de Noo en Ton Derksen en door statistici, samen met de schrijver Maarten ‘t Hart! Als deze niet-juristen niet in actie waren gekomen was er waarschijnlijk niets gebeurd! Het valt juristen kennelijk heel zwaar dit laatste te erkennen.

In het door Mevis genoemde rapport van de advocaat-generaal van de Hoge Raad Mr. Knigge wordt overigens weer amateur statistiek bedreven, waarbij op oncontroleerbare manier gerommeld wordt met statistiekjes die opnieuw door het Juliana kinderziekenhuis in Den Haag geproduceerd zijn, net als de eerste statistiekjes van de toenmalige directeur Smits, die Lucia de Berk (o.a. via het dagblad de Telegraaf) in beschuldiging hebben gesteld. Weer zijn hiervoor geen echte statistici geraadpleegd. Met deze nieuwe statistiekjes worden in het rapport van Mr. Knigge via dubbele ontkenningen een aantal nieuwe beschuldigingen, om niet te zeggen insinuaties, gelanceerd.

Mr. Knigge zegt op p. 61 van zijn rapport: “Op grond van de cijfers kan derhalve niet worden geconcludeerd dat het onwaarschijnlijk is dat één van de incidenten die zich in de periode van 1 oktober 2000 to 5 september 2001 op de desbetreffend afdeling hebben voorgedaan, een onnatuurlijke oorzaak hadden.” (de drie cursiveringen in deze zin zijn van mij). Dit wordt opgevoerd als conclusie van de (nieuwe) amateur statistiek die in zijn rapport bedreven wordt. Hij merkt ook op: “De conclusie dat in de periode waarin mevr. de B. op de betrokken afdeling werkzaam was, sprake moet zijn geweest van onnatuurlijke doodsoorzaken, kan dus niet op grond van enkel de kale cijfers getrokken worden.” Een heel erg misse en bijzonder insinuerende zin. Want wat had hier eigenlijk moeten staan:
“De conclusie dat in de periode waarin mevr. de B. op de betrokken afdeling werkzaam was, sprake moet zijn geweest van onnatuurlijke doodsoorzaken, kan dus niet getrokken worden.”
Dat “op grond van enkel de kale cijfers” zou een fatsoenlijk jurist daar niet bij horen te zetten.

Gewoon ronduit erkennen dat er wat dit betreft ernstige fouten zijn gemaakt is blijkbaar niet mogelijk. We kunnen eigenlijk alleen concluderen: de betrokken juristen hebben niets van alle gemaakte fouten geleerd. Het is allemaal buitengewoon deprimerend.

Toevoeging 22-8-08: Terugkomend op mijn opmerkingen over de “vrije pers”: enkele ervaringen met de redacties van NRC en nrc.next die brieven van lezers (horen te) behandelen worden beschreven in:
Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld?, Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld, aflevering 2 en Hoe worden door NRC.NEXT ingezonden brieven mishandeld?


Wie hebben de petitie voor heropening van de Lucia de Berk zaak getekend?

November 22, 2007

Prof. Ybo Buruma is naast Wibi Soerjadi, Klaas Hendrikse en Arjan Dasselaar op 9 november 2007 opgetreden in “Pauw en Witteman”. Men kan zich afvragen of zo’n talkshow de juiste plaats is om over de Lucia de Berk zaak te praten. Dus, naast het gepraat over de nieuwe vleugel van Wibi Soerjadi konden we luisteren naar de trivialiserende opmerkingen die Ybo Buruma over de Lucia de Berk zaak maakte.

Ybo Buruma verkondigde hier en passant een aantal feitelijke onjuistheden, met name de onjuistheid dat 80 hoogleraren statistiek de petitie hadden getekend. Nadat hij door een aantal mensen na afloop van de uitzending hierop gewezen werd, reageerde hij met een brief (ik behoorde zelf ook -naast de redactie van de NRC- tot de ontvangers van deze brief), waarin hij opmerkte:

“Dat ik de krant volgde waarin stond dat er 80 statistici waren terwijl het kennelijk ook om vogels van andere wetenschappelijke pluimage ging, is typisch een detail waarvan de relevantie mij ontgaat.”

Ik heb daar (o.a.) het volgende op geantwoord in een e-mail aan Ybo Buruma van 11 november:

“Ik wijs eerst even op het woord “detail”. Ach, het is maar een detail. En de relevantie van dit detail ontgaat u. Is dat werkelijk waar, vraag ik mij af? Ik zal u uitleggen waarom dit “detail” volgens mij heel belangrijk is (maar misschien weet u dat ook best wel zelf). In het arrest wordt op de eerste bladzijde gezegd dat statistiek in het arrest uiteindelijk geen rol heeft gespeeld. Wie het arrest bestudeert ziet dat deze uitspraak niet waar is. Maar het Hof denkt waarschijnlijk: als we dit nu maar voldoende vaak zeggen en het ook zo in de pers brengen, dan zal iedereen die niet de moeite neemt om het arrest zelf te lezen, dit op een gegeven moment wel gaan geloven. En als we dat eenmaal bereikt hebben, kunnen we zeggen: “Ach, het zijn alleen maar 80 hoogleraren statistiek die hebben getekend, en, zoals we al hebben gezegd, statistiek speelt geen rol in ons arrest, dus de mening van deze 80 hoogleraren statistiek is irrelevant.”.

Echter: onder die hoogleraren zijn ook wiskundigen die een heel ander specialisme dan mathematische statistiek of kansrekening hebben, fysici, informatici, biologen, toxicologen, linguïstisten, (wetenschaps-)filosofen, enz. en zelfs een emeritus hoogleraar rechten. Is de mening van al deze hoogleraren nog steeds irrelevant? Wat te denken van de toxicologen, bijvoorbeeld. Dat klinkt toch al weer heel anders, dat wetenschappers uit deze discipline ook vinden dat de zaak heropend moet worden. Het lijkt weer wat moeilijker te worden om te claimen dat hun mening ook irrelevant is, net als die van de statistici.

Dan moeten er op de eerste pagina van het arrest nog enkele zinnen worden toegevoegd, bijv. dat toxicologische evidentie ook geen rol heeft gespeeld in het arrest. Bovendien moet dit dan ook weer naar de pers. Het lijkt me een eindige verzameling die hier doorlopen kan worden door de leden van het Hof. Op een gegeven moment zijn ze er doorheen en dan heeft niets meer een rol gespeeld in het vonnis, behalve de overtuiging van de rechters en leden van het Hof dat Lucia de Berk schuldig was.”

Prof. Ybo Buruma zegt in zijn brief ook nog:
“De volgende rechter zal zich wel hoeden om het woord statistiek maar in de mond te nemen.”

Ik heb daar op geantwoord door te zeggen:
“Ik neem aan dat de volgende rechter zich dan ook wel zal hoeden om het woord “digoxine” in de mond te nemen. Maar we wisten al van de uitzending van Zembla van 3 juni 2007 het geheim van de rechter dat rechters ueberhaupt het advies krijgen zo min mogelijk motivatie te geven, dan kunnen ze ook op zo min mogelijk worden “gepakt”. Dus wat blijft er dan tenslotte over? De overtuiging van de rechter dat de verdachte schuldig is? En dat hoeft hij/zij dan niet meer te motiveren? Zeker niet door gebruik te maken van wetenschappelijke methoden? Want hij/zij kan daar alleen maar gedonder mee krijgen? En dat moeten wij allemaal maar gewoon accepteren, want alleen de juristen gaan hier tenslotte over?”

Inmiddels is het 22 november. Onder de ongeveer 100 hoogleraren die de petitie nu getekend hebben is ook de Nobelprijswinnaar voor natuurkunde prof. Gerard ‘t Hooft. Hij zegt in het commentaar bij zijn handtekening het volgende.

“Dat het gerechtshof pretendeert geen statistische argumenten te hebben gebruikt wordt door de verwoordingen van het vonnis weerlegd. Men laat de getallen, ofwel de wetenschappelijke onderbouwing, achterwege, maar legt wel een a priori verband tussen de diverse sterfgevallen waar Lucia de B. aanwezig zou zijn geweest. Als men echt de rol van het toeval achterwege had willen laten had men de 7 gevallen alle afzonderlijk in beschouwing moeten nemen, en zich steeds moeten afvragen of er werkelijk sprake is geweest van moord dan wel dood door schuld of nalatigheid. De conclusie dat er van moord of poging tot moord sprake is kan alleen maar berusten op het argument van de coincidentie, en dat argument had men niet mogen gebruiken. De teksten in het dagboek hadden als aanwijzing kunnen gelden, maar niet als onomstotelijk bewijs. Ik concludeer dat de bewijsvoering hier ondeugdelijk is geweest. Daar medisch personeel nu eenmaal beroepshalve veel betrokken is bij sterfgevallen dient het gerecht daarbij nog meer dan in andere gevallen terughoudend te zijn in aanklachten van dood door schuld, laat staan moord.”

Dit is in overeenstemming met wat ik in mijn blogs hierover heb gezegd en ook in overeenstemming met wat Ton Derksen, Richard Gill en anderen hierover hebben opgemerkt. En bovendien is het relevant voor de discussie met Ybo Buruma die ik hierboven heb weergegeven. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak “Dat het gerechtshof pretendeert geen statistische argumenten te hebben gebruikt wordt door de verwoordingen van het vonnis weerlegd” van Gerard ‘t Hooft hierboven met de uitspraak van Ybo Buruma bij Pauw en Witteman dat “de statistiek nu achter ons ligt” in deze zaak, iets wat Prof. Henk Elffers, die voor de rechtbank en het Hof is opgetreden als (amateur-)statisticus in deze zaak, ons ook wil doen geloven in de NRC van 5 november 2007. Zie verder Lucia de Berk en de amateurstatistici, The Lucia de Berk case, part 2 en Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren en de commentaren die hierop zijn gegeven. Een overzicht met links naar verschillende relevante sites wordt gegeven in het Wikipedia artikel over Lucia de Berk.

Epiloog. Voortbouwend op zijn foutieve weergave van het “pluimage” van de ondertekenaars van de petitie merkte Ybo Buruma in zijn brief ook nog het volgende op:

Want er kunnen 1000 statistici op hun hoofd gaan staan – strikt juridisch heeft de statistiek vrijwel alleen (wellicht) een rol gespeeld in de overtuiging van het Hof, niet in de selectie van de bewijsmiddelen.

Herhalen, herhalen van deze duidelijk onware bewering van het Haagse Hof, door Ybo Buruma, door Henk Elffers; het wordt eentonig. Vergelijk deze bewering weer met de geciteerde argumentatie van Gerard ‘t Hooft bij zijn tekenen van de petitie hierboven en met mijn analyse van het arrest in The Lucia de Berk case, part 2. Dit inspireerde mij tot het volgende Sinterklaasrijmpje (het is al bijna weer zover tenslotte; het metrum is niet perfect, maar ja,… ,“nood breekt wet”):

Al staan 1000 Nobelprijswinnaars op hun kop
Wij, juristen, staan nu eenmaal aan de top.
En laat men ‘t volgende goed verstaan:
Wij hebben nooit iets fout gedaan.

Wij tarten eindeloos Neerlands geduld
En geven de wetenschap de schuld.
Wij spreken van: “zorgvuldigheid”
Op die manier verstrijkt de tijd.

Overigens: de petitie voor heropening van de Lucia de Berk zaak kan nog steeds getekend worden, zie: Petition for reopening the Lucia de Berk case.


After dark

October 20, 2007

Just read the book “After Dark” by Haruki Murakami. Since I am temporarily living in a town where it is somewhat hard (though not impossible) to buy books in another language than German, I read this in German translation. The original is in Japanese anyway, but what I found rather appalling is that other books of the same author were available in the bookshop I visited as translations from the English translation, whereas the English translation was not available.

The action in this novel is just constricted to one night, like the action in McEwan’s “Saturday” is constricted to one day (well, and perhaps part of the night). But what a difference! Whereas one imagines McEwan sitting at his desk surrounded by books with medical terms, hoping to impress the reader with the solidity of his writing, one has the feeling that the book by Haruki Murakami has been written in one continuous flow of inspiration. One is drawn into it from the first page and, in fact, I could hardly put it down and read the whole novel in one day.

The book has an extraordinary richness of interrelated themes. One of the themes is perhaps “to sleep or not to sleep”. The main characters Mari and Takahashi don’t want to sleep, Mari’s sister Eri on the other hand doesn’t want to do anything else but sleep, also during the day. Although the introduction of the sleeping Eri first seems a bit far-fetched, with a guy with a mask, watching her from “the other side” of an unplugged TV screen, this image is gaining strength during the development of the story, where we realize that Eri’s sleeping is partly metaphorical and that the masked person watching from the TV screen also represents something else (in connection with Eri).

This theme is related to another theme which I would call the tension between subject and object. Mari and Takahashi are very much on the “subject side”, whereas Eri is completely on the “object side”. This may sound as if in this novel ideas replace real action, but that is absolutely not true. In particular the conversations beween Mari and Takahashi are fascinating to read, working up to a climax near the end of the book in a conversation they have in a park.

Then there is the theme of “time”. Takahashi says to the nineteen year old Mari that she is perhaps still in a “preparation phase” and that she may be a person who needs time. The Chinese prostitute (also nineteen years old) who has been “verprügelt” (in my German translation) by the software specialist Shirokawa (again someone who does not want to sleep at night) has had no preparation time. No one will care whether she needs any preparation time; she is just thrown into business by a Chinese company which has guys on motor bikes delivering girls instead of pizzas.

I note in passing that there is an amusing implicit suggestion of a relation between cruelty (and perhaps inhibition) and listening to Bach’s English suites (and baroque music in general) in connection with this thoroughly unsympathetic character Shirokawa who works at the firm “Veritech” (another well-chosen name) and is also “into yoga” (the suggestion is the more amusing because the author apparently told in an interview that he himself often listens to baroque music while writing). The name “Veritech” later turns up again in connection with the sleeping Eri.

There is a very interesting conversation between Mari and a girl (called “Grille”) at the love hotel “Alphaville” (yes, from the Godard movie about a town where it is officially forbidden to show emotion in public) on reincarnation. Grille is someone who has no time. She cannot accept that this is all, she needs to think that she will have more time, even coming back as an animal is a more bearable thought than the thought that “this will be it”. Mari, on the other hand, still has time, and doesn’t need to believe things like that.

Takahashi also still has lots of time. His motto is: “go slowly and drink a lot of water”. He plays in a band and slowly thinks about what to do after that. Water: another theme. Takahashi compares the law system with a monster with many arms (like an octopus), living deep below sea level. It will strangle everything and everyone. For this monster one only exists as a number, there is no “I” or “you”, only formal procedures. He realized this when attending cases in a Court room in a phase of his life where he was planning to become a lawyer (he is still playing with that idea). His father has been grabbed by the monster and put into prison when he was seven.

What is remarkable in the description of his feelings in attending the law cases is that not the questions of guilty or not guilty got to him. No, the feeling of the monster deep down in the sea came when he was watching a case where a man was condemned to “the rope”. This man was guilty as hell, but didn’t care; he showed no remorse. What got Takahashi was the gruesomeness of watching this man, strangled by the deep sea monster of the law system. What also got him was the growing realization that the wall between him and the persons “on the other side of the law” was rather a paper wall than a stone wall.

More water: when Eri wakes up, or perhaps it is still a dream, she also wonders whether she is on the sea or even below the water level. This theme is further developed from the point of view of someone (or rather an eye) that is watching her.

Anyway, I think this book is a masterpiece…

A note on translations: Friends in Zürich pointed me to a bookshop where they sell books in English. So now I bought “After Dark” in the English translation. I was a bit curious. Although it is somewhat embarrassing to say, I must confess that in an impressionable phase of my life I read books like “Phénoménologie de la Perception” by the philosopher Merleau-Ponty. One of the things I remember from “Phénoménologie de la Perception” is that Merleau-Ponty states that each language has its own completely untranslatable atmosphere. I think he was right.

Somehow “After Dark” is much more “unheimisch” (or “unheimlich”) in the German translation than it is in the (American) English translation by the Harvard professor of Japanese literature Jay Rubin, who also wrote a book about the author (“Haruki Murakami and the music of words”). Could it be that there is more formality in the German language which makes it closer to the Japanese? Anyway, I noticed some interesting differences. The girl, called “Grille” in the German translation (by Ursula Gräfe), is called “Korogi” in the English translation. That’s a rather interesting difference! Is there a meaning of “Korogi” which suggests “Grille”? I somehow liked “Grille”.

Then, for example, Mari learned about the Godard movie “Alphaville” from her grandfather, who, in the German translation, is a “Lebemann”. In the English translation he becomes an “uncle” who was also a “playboy”. I don’t know the original Japanese version, but I’m inclined to believe that the German version is the right one. Perhaps there is no English equivalent for “Lebemann”. “Playboy” sounds too strong and too negative. The German translation says: “Er war Universitätsprofessor, aber auch ein Lebemann”. The English translation says: “He was a professor, but he was kind of a playboy, too”. To me this sounds totally different!

And what to think of: “”So you and your uncle were kinda on the same wavelength, huh?”, asks Kaoru” in comparison to: “”Du hast deinen Grossvater sehr gern gehabt, was?”, fragt Kaoru.”?


The Lucia de Berk case, part 2

August 11, 2007

Making errors is so common in mathematics that there is not too much embarrassment about it. For example, both Cauchy (1789-1857) and Kummer (1810-1893) made a very serious error in attempting to prove the Fermat conjecture, which was finally proved by Andrew Wiles at the end of the previous century, using tools Cauchy and Kummer could not have dreamed of. Cauchy (a really very famous mathematician, whose name pervades mathematics in all kinds of results) had to withdraw a paper he had submitted to the French Academy of Sciences which claimed to prove Fermat’s conjecture. Kummer made a similar error, but after the mistake was pointed out to him by the mathematician (and successor of Gauss in Göttingen) Dirichlet, he set out on a completely new track. E.T. Bell (see p. 522 of: “Men of Mathematics, volume 2″, Pelican Books) says about this event: “This failure of Kummer’s was one of the most fortunate things that ever happened in mathematics. Like Abel’s initial mistake in the matter of the general quintic, Kummer’s turned him into the right track, and he invented his “ideal numbers””. Abel (1802-1829), another outstanding mathematician…

The book by Ton Derksen, “Lucia de B. Reconstruction of a Miscarriage of Justice” (in Dutch), discussed the errors made by the prosecutors, judges and consulted experts in the case of Lucia de Berk. Like the mistakes of Cauchy, Kummer and Abel, admitting these mistakes might conceivably set the people in the Dutch legal system who are involved in this case onto the right track. It did not happen… Instead, there seems to be a culture of denial of mistakes made. Outside the rather closed group of Dutch lawyers consisting of prosecutors, judges, etc. (including the Supreme Court), scientists and other non-lawyers fear that because of all recent cases of judicial errors in the Netherlands (the most conspicuous one is the so-called “Schiedam Park murder”, see Miscarriage of justice, where the judicial errors came to the surface just because someone other than the convicted person confessed having committed the crime, and not because of efforts of persons inside the Dutch system of law; the Court in the Hague still claims not to have committed any errors!), the people involved in the Dutch legal system will refuse to reopen cases where there is a serious suspicion of miscarriages of justice. Just for fear of more embarrassment and for getting publicly a bad (or worse) name.

As I mentioned in my blog Lucia de Berk and the amateur statisticians, the cheapest “argument”, which has been used to fight people who have an opinion on the Lucia de Berk case which runs against the Court decisions, is to say that they have no understanding of how the Dutch law system works. And, since I stated that the “statisticians” consulted by the court were amateurs or acting as such, the corresponding cheap reply of persons defending this Court verdict is to say that I am an amateur lawyer and should therefore keep my mouth shut about law cases. And the same reproach has been addressed to Richard Gill who spends a large part of his time nowadays in fighting for justice in a number of cases where he (and also I) suspect that serious miscarriages of justice in the Netherlands have happened.

But there is an essential difference between my reproach of the amateur statisticians not doing a proper job and the “counter reproach” that I am an amateur lawyer and should therefore keep my mouth shut. The amateur statisticians come forward with statistical statements. These statements should be evaluated by statisticians. Richard Gill and I do not comment on law or make statements of a judicial nature. Our observations are external to the legal system itself, in that they do not concern the system but rather the way this appears to be (mis)used or (mis)applied. Any person in society, not just lawyers, can and may make such statements. The same cannot be said of doing statistical computations, though.

Of course everyone can try to do amateur statistical computations, like Mr. Smits, general director of the Juliana children’s hospital and the Red Cross hospital in the Hague, the law psychologist prof. Elffers, or Prof. Mr. de Mulder in his role of explaining to the Court the computations of his colleague prof. Elffers, but these calculations are open to criticism from statisticians. And this is indeed what happened: the flaws in these calculations have been exposed in, for example, Elffers corrected. People in the Netherlands have been using the Dutch expression “Tailor stick to your trade!” in saying that Richard Gill should not have pointed out the implications of these errors for the Lucia de Berk Court case. What kind of repressive mentality is this? In fact, Richard Gill was sticking to his trade by correcting the calculation! The next step was to point out the implications of this for the Court case. Is this next step not allowed? Should he just have let it pass, waiting for the people involved in the Dutch legal system to do something with this information? I personally think that he would have waited forever.

The the Hague Court verdict in the Lucia de Berk case (after appeal) is publicly available. I have made the print version of this verdict available in: the Hague Court verdict (in Dutch). On page 1 of the print version we read the statement (I translate literally): “Statistical evidence in the form of probability calculations has not been used”. What is the meaning of this statement? Amateur statistics have played a role in every phase of the Court case, as I will now explain more fully.
1. Henk Elffers convinced the police that “so many incidents could not be a coincidence”.
2. He secondly convinced the (two) Courts (second one after appeal) that “so many incidents could not be a coincidence”. As possible alternative explanations (besides murder) for “so many coincidences” he offered 5 explanations on page 7 of his first NSCR report (in Dutch), by way of example (Henk Elffers has to be praised for making this publicly avalaible). He also stated that an explanation should be given for “so many coincidences”.
3. Prof. Mr. de Mulder in his role of “expert in statistics” has stated that “Yes, Elffers’ computation is correct, and yes, an explanation for the coincidences has to be found”. The Court has interpreted this as: our suspect Lucia de Berk should provide the explanation.

The Court has presented Lucia de Berk with 3 of the 5 alternative explanations of the “coincidences” on page 7 of first NSCR report Elffers. The following two other explanations were not applicable or not applied:
a) Lucia de Berk preferred to work with another nurse who caused the incidents.
b) Someone tried to “frame” Lucia de Berk.
Explanation a) was not applicable and explanation b) was not applied, and, in any case, Lucia de Berk was not in a position to comment on the truth or falseness of this explanation.
The three other explanations on p. 7 of Elffers’ report were:
c) Lucia de Berk (denoted by “V” in Elffers’ report) often did night shifts and there is a higher chance during the night that a life-threatening situation is not discovered in time.
d) Lucia de Berk is a bad nurse and does not spot dangerous situations in time.
e) Lucia de Berk always takes the most difficult cases.

One can read the use of this in the the Hague Court verdict, (see p. 77 and pages thereafter, if one can read Dutch). As an example, p. 79 of the verdict says:
“One cannot consider as a plausible explanation that the suspect is not a good nurse, where one’s attention should in particular be on her functioning in the Juliana Children’s hospital. Suspect has declared in the Court session, March 22, 2004: “I think that I have been a good nurse. I cannot think of anything which I often did wrong or should have done differently and where there is a causal connection between one or more incidents. It is correct that I have declared in an earlier Court session that I consider myself to be a good nurse.””
This does away with explanation d). And explanations c) and e) are discarded by the Court in a similar way. This leads the Court to say, see 11.13, p. 78: “No plausible explanation has been found for the fact that suspect was present with so many deaths and life-threatening incidents in such a short period”.
Well, the Court now argues (somewhat implicitly perhaps): “The five alternative explanations in Elffers’ report do not apply. Then only one possibility remains for the coincidences: Lucia de Berk must be a murderer”. In the pages preceding p. 77 it is argued that there were two cases where there was “hard evidence” (for example, digoxin intoxication). This “hard evidence” has dissolved into thin air, as discussed in my blog Lucia de Berk and the amateur statisticians and further detailed in the book by Ton Derksen, see also Lucia de Berk.

So it is clear to everyone who takes the trouble of reading the 90 pages of the the Hague Court verdict that, quite contrary to what the opening remark “Statistical evidence in the form of probability calculations has not been used” (also issued to the Dutch newspapers) suggests, (bad use of) statistics is everywhere in the verdict.

There is still something else. Everybody is free to make a statement about a mathematical problem. Mathematicians will never say: you should keep your mouth shut because you cannot show that you have a certificate showing that you finished a study in mathematics. My distinction between “amateurs” and “non-amateurs” cuts across the distinction between people having a diploma or not having a diploma. Ramanujan is famous for his results in number theory, but did not have any formal training in mathematics. To make a living, he worked as a clerk in the accountant general’s office at the Madras Port Trust Office, see the Wikipedia on Ramanujan. It shows the open-mindedness of the community of mathematicians that Hardy invited him to come to Cambridge and discuss mathematical problems with him. None of the reluctance of Dutch lawyers to listen to Dutch statisticians.

If the the Hague Court or the committee Grimbergen now would come with: “Smits, Elffers and de Mulder are our Ramanujans of mathematical statistics!” (although, formally, in their point of view, they might find that they have no obligation to do this for the law psychologist Elffers, since he received a diploma in mathematics 30+ years ago), then we really have reached the end of the tunnel and can say: “Pardon me, papers of Ramanujan and Hardy have appeared in mathematical journals. Our profession of statistics has international journals like the Annals of Statistics, with refereed papers. Persons publishing in journals of this type, for example Richard Gill and Piet Groeneboom, to name just two, have looked at the work of your three Ramanujans and concluded that it is humbug. You should at least pay some attention to that!”.
The petition for reopening the Lucia de Berk can still be signed, see: Petition for reopening the Lucia de Berk case.


Lucia de Berk and the amateur statisticians

May 28, 2007

My father was a judge. The only reason for bringing this up is that the cheapest argument, which has been used to fight people who have an opinion on the Lucia de Berk case which runs against the court decisions, is to say that they have no understanding of how the Dutch law system works. This “argument” has even recently been used by the “statistician of the court” Henk Elffers. It is similar to the argument, used against people expressing a negative opinion on “Apartheid” in South Africa at its prime time: “You must have been there to make a judgment”. So if it is going to be like this, I can only say that I have a lot of first hand experience with Dutch Law and Dutch lawyers.

I have been following the Lucia de Berk case for several years now. Among other things, I attended, on April 2, 2004, a discussion afternoon of the Dutch Statistical Society at the “Vrije Universiteit” in Amsterdam. The statistics professor Aad van der Vaart was chairman of that meeting, and among the discussants was Henk Elffers. In the intermission I had a short conversation with him. Henk Elffers and I knew each other from the time that we were at the Mathematical Centre, Amsterdam. Although part of our conversation was on music, I also asked him whether there was some “hard” evidence for Lucia’s guilt. Then he mentioned the traces of intoxication found in the blood of the victims, which at that time still sounded rather convincing. In view of this, his computation of the very small probability of the “coincidences” in the Lucia de Berk case, which had not convinced me at all, sounded like an academic exercise without much consequence. However, at present I think that this computation is one of the terrible errors in a whole chain of unfortunate errors that have led to the conviction of Lucia de Berk.

How did all this start? One of the initiators was Mr. Smits, general director of the Juliana children’s hospital and the Red Cross hospital in the Hague, the first amateur statistician on the scene. As a good manager, he had access to the Microsoft Excel spreadsheet tool, containing a button called “random”. Using this, on the (retrospectively) historical day of September 4, 2001, he (or one of his employees, this is not entirely clear) made a quick computation of the probability that Lucia de Berk had been present with so many “incidents” (as had been “observed” by other nurses). And by this quick computation he became convinced that so many incidents “could not be a coincidence”. Twelve days later the police was contacted and Lucia de Berk was accused of 5 murders and 5 attempted murders in the Juliana children’s hospital. In the mean time Mr. Smits had also looked into the possibility of additional murders by Lucia de Berk in other hospitals and yes, more potential murders were quickly found. As expressed in the book of Ton Derksen on the Lucia de Berk case (“Lucia de B. Reconstruction of a Miscarriage of Justice”, in Dutch): “We have the suspect. Could you please find for us the murders she committed?”. And yes again, on September 17, 2001, Mr. Smits can report to the police 4 additional suspicious deaths in his other hospital, the Red Cross hospital.

On top of all this, the boards of Mr. Smits’ hospitals contacted the morning newspaper “De Telegraaf” (having a high profile on sensation news, in this respect somewhat comparable to the British “The Sun”). This newspaper issued on September 17, 2001, an item on the case, which in fact stated that a nurse in the two hospitals had possibly been involved in the killing of several adults and children. The newspaper item also said that the directors of the hospitals regretted very much what had happened and that they expressed their sympathy with the parents (after expressing their concern that the trust of patients in their hospitals might be somewhat shaken by this message). Note that this suggested that at this point the “murders” had already been proved “beyond reasonable doubt” (I note in passing that the Dutch law system does not make use of this concept, I am sorry to say). And if all this were still not enough, a spokes(wo)man of the office of the Prosecution made it known (in the same news item of “De Telegraaf”) that “the possibility of more cases” (of killing or attempted killing by Lucia de Berk) “was not excluded”. All this 13 days after the Microsoft Excel spreadsheet calculation!

Ironically, another spreadsheet table of director Smits (exhibited on p. 22 of the second edition of Derksen’s book) shows that in the years that Lucia de Berk was not employed by the Juliana children’s hospital there were in fact more deaths than during the time that Lucia de Berk was employed by the hospital, whereas one would be inclined to expect that the opposite would hold if a serial killer were around in this hospital. Moreover, all the suspicious death cases of which Lucia was accused had been declared “natural” and now had to be redeclared as “unnatural” by the hospital. But anyway, after all this heat an unstoppable chain reaction started, Henk Elffers did his nonsensical computation and the court in The Hague had enough to start the prosecution.

Long ago, while still a student, I gave, in cooperation with Willem Albert Wagenaar and Gerard de Zeeuw, a course called “The intuitive statistician”. This course was investigating what people understand of “randomness”, for example by presenting them with sequences produced by a random number generator (and also with sequences with some very strong embedded structure). Many experiments have shown that people have the tendency to expect random sequences of coin flippings to have much faster alternation of heads and tails than in in fact happens in random sequences of independent flippings. And indeed, the attendants of our course were also prone to this fallacy. This particular fallacy is called the “gambler’s fallacy”. I think that Mr. Smits’ unfounded calculation arose from a similar type of faulty intuition.

This brings up a more general point. In such an important case as the case of Lucia de Berk, where even the Dutch supreme court was involved, the court could have consulted a professor of mathematical statistics in the Netherlands. The court could have consulted, for example, professor Aad van der Vaart in Amsterdam, professor Sara van de Geer in Leiden (at that time, now she is professor of statistics in Zurich), professor Richard Gill in Utrecht (at present professor of mathematical statistics in Leiden) and also myself in Delft. Why didn’t the court do that? Why were they relying on amateur statisticians all the time?

How would the judges feel if, at the “moment suprême”, just before being rolled into the surgery room for a brain operation and perhaps wondering why the anesthesiologist did not already send them into unconsciousness, the nurse would casually mention that the operation would be performed by an amateur surgeon?

First there was amateur statistician Mr. Smits. After that there was, I am sorry to say, amateur statistician Henk Elffers. On the personal level I have absolutely nothing against Henk. But I think that he made a formal and totally pointless calculation, using the Fisher exact test for a 2×2 table, about the only thing he learned from his professor of mathematical statistics in Amsterdam (see below). As I mentioned above, Henk Elffers and I were at the Mathematical Centre at the same time (although I stayed a little bit longer, after finishing my dissertation). At the time that Richard Gill and I were writing our dissertations at the Mathematical Centre, Henk did not write a dissertation, and in fact went on to start another study, and to do completely different things (a summary of his career is in fact given on the Home Page of Henk Elffers). That’s in itself fine of course, but it means that he lost contact with what is going on in mathematical statistics. Mathematical statistics is not about balls and boxes. Mathematical statistics is about the choice of an appropriate model. In that sense mathematical statistics is also fundamentally different from Probability Theory, and certainly from discrete Probability Theory, working with balls and boxes. Probability Theory works with one model of which it explores all the consequences. Mathematical statistics usually deals with a continuum of models of which it tries to pick the most appropriate one. One can wrestle through 100 pages of boxes and balls without understanding anything of what mathematical statistics is about.

Unfortunately Henk Elffers had his training from a professor of mathematical statistics who spent almost all his teaching time on balls and boxes (erroneously assuming that this was needed before going on to the real thing). I know, because I followed courses of the same professor of mathematical statistics, whom I actually succeeded at the University of Amsterdam in 1984. He was also our boss at the Mathematical Centre. I think that Henk Elffers’ understanding of mathematical statistics has not gone very far beyond this understanding of the behavior of balls in boxes. Moreover, even his understanding of these basic facts had apparently eroded somewhat during all these years he was doing other things, since he made some elementary errors in his computation, as shown in Elffers corrected. For example, he assumed that the product of (so-called) p-values is again a p-value. The absurd consequence of this type of error is that a nurse who has worked in several different hospitals has a higher chance of being accused of murders than a nurse who only has worked in one hospital at the same time, although the number of “suspicious coincidences” might be exactly the same for the two nurses.

Furthermore, it is a mistake to think that these balls in boxes provide “objectivity”. There is only the illusion of science and objectivity, nothing more. The (in my view) most satisfactory computation in the Lucia de Berk case, which still has to be further expanded, is given in: Elementary Statistics on Trial. This indeed works with a continuous (that means, among other things: an infinite) family of models, and arrives at a probability of 1 in 25 that a nurse can be confronted with a series of coincidences as in the Lucia de Berk case (calculations, based on earlier available data even gave a probability of 1 in 9; since the hospital defines what an incident is, and since “natural deaths” were later declared to be “unnatural deaths” if Lucia de Berk happened to be on duty, the data on which one has to base these calculations cannot be trusted anyway). Compare this to the amateur calculations of Mr. Smits and Henk Elffers. Henk Elffers gets probabilities of the order of 1 out of 342 million! Mathematical statistics is a rather subtle discipline in which one has to be very careful! It is not for amateurs!

Still another amateur statistician, consulted by the court is (Prof. Mr.) Richard de Mulder, who studied Law and Business Administration. One would like to know why the court chose him as an expert on statistics. Was it because he confirmed the computations of the other amateurs, Smits and Elffers? Again, why didn’t the court consult a real professor of mathematical statistics?

Until recently I was under the impression that Prof. Mr. de Mulder was chosen as independent expert, who was asked to verify the computation of the “law psychologist” Henk Elffers. But I recently learned that the situation is even more grim and that the court did not even try to get an independent expert or a second opinion: Prof. Mr. de Mulder’s task was to explain Elffers’ computation to the court. Apparently, the court did not understand his computation. Joint publications of Henk Elffers and Richard de Mulder date at least back to 1999, as can be verified on the page Richard de Mulder. If I am rightly informed, the court asked Prof. Mr. de Mulder because he is a lawyer, and because the claim of the court was that an explanation of a real statistician would be incomprehensible. But I think that the latter claim has no basis, since they simply never tried to consult a real statistician.

In the final court verdict (also issued to the press) it is stated that statistics did not play a role in the final verdict. This is only true in the sense that the court did not consult even one professor of mathematical statistics in the Netherlands. On the other hand, Ton Derksen’s book makes it very clear that faulty and amateur “statistical” arguments are in fact the only thing the court has. All cases which first were brought forward as “hard evidence”, based on the digoxin intoxication, etc. have in the mean time dissolved into thin air. As an example, the anxiously waited for report from Strasbourg on the supposed digoxin intoxication of the liver of the child “Amber” did not confirm this intoxication at all (and has remained in a drawer for two years for still unexplained reasons). Medical expert witnesses who expressed the opinion that the suspicious deaths could very well be natural deaths have not seen their declarations on these matters make it into the final report of the court. So in the end a silly quasi-statistical computation on coincidences is the only thing that remains. For further news and discussion, see: The Lucia de Berk case, part 2. The petition for reopening the Lucia de Berk case can still be signed, see: Petition for reopening the Lucia de Berk case.


Ian McEwan and the bouquet series

May 8, 2007

Once upon a time… I knew a girl who would buy at the supermarket, together with the usual things one buys in a supermarket, a new small volume of the so-called “bouquet series”. She considered this to be a weakness or perhaps a “compulsion” (a rather innocent compulsion, perhaps similar to the compulsion of Lucia de Berk to spread Tarot cards). These small volumes could be classified into several categories; for example there were the “castle novels” (I realize that the word “novel” might be a bit heavy in this context, but it’ll have to do for the moment) and “doctor novels”. On the first page of novels of the latter type a successful good-looking (usually male) doctor would be introduced and some kind of romance would start to develop with a nurse or female colleague (I recently learned that the French equivalent for a novel in the Dutch bouquet series is a “roman de quai de gare” or “roman à l’eau de rose”).
I was reminded of this when reading the first line of Ian McEwan’s book “Saturday”, recommended by the Observer as “Dazzling… profound and urgent”:

“Some hours before dawn Henry Perowne, a neurosurgeon,…”

Let’s compare this with the first sentence of “The catcher in the rye” by J.D. Salinger:

“If you really want to hear about it, the first thing you’ll probably want to know is where I was born, and what my lousy childhood was like, and how my parents were occupied and all before they had me, and all that David Copperfield kind of crap, but I don’t feel like going into it, if you want to know the truth.”

If we believe that the first page of a book “sets the tone”, it is clear that the first page of Ian McEwan’s book “Saturday” sets a rather different tone than the first page of Salinger’s catcher in the rye. And indeed, after the introduction of the neurosurgeon Henry Perowne, we get some information on the really nice house he is living in, we get to know his wife Rosalind who is a highly successful lawyer (“She’s due in the High Court at ten for an emergency hearing”, p. 24) and his son Theo.

Ouch! His son Theo didn’t do to too well at school and won’t read books! But not to worry: Theo is a highly successful blues musician! Moreover, to compensate for the illiteracy of Theo, there is his sister Daisy (both “sensuous” and “intellectual”!): “His little girl, slipping away from him into Parisien womanhood, is expecting her first volume of poems to be published in May.” (p. 49).

Moreover, in a shrewd combination of the doctor novel and the castle novel, there is granddad -what’s in a name- Grammaticus in his castle (“chateau”) in France, inherited from the parents of his wife. Yes, we almost have to say aloud, following Henry Perowne on p. 55: “There is grandeur in this view of life.”!

After all this one is almost craving for the first loser to enter the scene. And, be assured… there will be such person! This character, named Baxter, certainly is as “loserish” and “havenottish” (to coin two new words) as can be. But one feels that in reality his main function there is to demonstrate the superiority of the family Perowne (+ granddad Grammaticus, owner of the French castle and father of Henry’s wife). In the decisive scene of the novel, daughter/poet Daisy reads a poem to Baxter, just when he is on the verge of afflicting the family physical harm or worse. This, however, after -as a special treat to the bouquet series readers- Daisy had to undress herself (which reveals that she is pregnant) in front of her parents (“Perowne hasn’t seen his daughter naked in more than twelve years”), granddad Grammaticus, her brother Theo, Baxter and his second man Nigel, as requested by bad, bad, but, at the same time, miserable Baxter.

Then Baxter falls to the spell of the poem and everything ends well. “End well, all well”, as fairy tales often end (in Dutch), although we have to admit that Baxter’s end will not fall into this category.

Now, just to know whether this bouquet series thing was a systematic feature of McEwan’s writing, I also read his most recent novel “On Chesil Beach”. And yes, it seems to be systematic… Another time I might say more about this last novel and discuss my views on general laws of composition with it. I guess I would also have to read the novel for which he got the Booker prize, called “Amsterdam”, although I am not particularly looking forward to that.

But I want to touch now on a more general issue, which concerns development of style during the past century. One reads McEwan’s novels and it seems that, for example, Salinger has not been there. And all these French authors of the past century, Nathalie Sarraute, Louis-Ferdinand Céline, Robert Pinget, Raymond Queneau, to name just four. Long ago Paul Valéry said something like: “I will never be able to write a novel, because I never could write: “Countess X opened the door for count Y and said….” (I have to warn you that I am trying to reproduce the gist of what he was saying, and this is certainly not a literal citation!). Exactly for that reason, I believe, Nathalie Sarraute has people without names or (specified) occupations in a lot of her books. We just fall into the middle of a conversation (as in “Martereau”, “Les fruits d’or” or the great play “Pour un oui ou pour un non”). But, in spite of this lack of information, we know immediately what is going on.

And with respect to the question whether one should have “winners” or “losers” as main characters of a novel: of course these categories do not really mean very much, although they are popular themes in American movies. But just to stick to Salinger’s book: it has advantages to introduce as a main character someone who is not too successful. Why? Because it frees the mind for things that really matter! The “I” of “The catcher in the rye” (called “Holden Caulfield”) has been kicked out of school, doesn’t do well in any subject, except perhaps English, but certainly has the “power of observation” (which is of course the author’s power of observation). I’ll just cite a whole passage here to illustrate my point.

“It wasn’t as cold as the day before, but the sun still wasn’t out, and it wasn’t too nice for walking. But there was one nice thing. This family that you could tell just came out of some church were walking right in front of me – a father, a mother, and a little kid about six years old. They looked sort of poor. The father had one of these pearl-gray hats that poor guys wear a lot when they want to look sharp. He and his wife were just walking along, talking, not paying attention to their kid. The kid was swell. He was walking in the street, instead of on the sidewalk, but right next to the curb. He was making out like he was walking a very straight line, the way kids do, and the whole time he kept singing and humming. I got up closer so I could hear what he was singing. He was singing that song, ‘if a body catch a body coming through the rye.’ He had a pretty little voice too. He was just singing for the hell of it, you could tell. The cars zoomed by, brakes screeched all over the place, his parents paid no attention to him, and he kept walking next to the curb and singing ‘If a body catch a body coming through the rye.’ It made me feel better. It made me feel not so depressed any more.”

Salinger also has a striking description of how he might want to express his appreciation or lack of it to an author of the book he just read. I’ll quote some relevant passages here. “What I like best is a book that’s at least funny once in a while”. How does this apply to “Saturday” and “On Chesil Beach”? Mmm… These books might be “Dazzling… profound and urgent”, to quote the Observer again, but “funny once in a while” is not the first thing that comes to mind. A friend of mine has the theory that it is McEwan’s intention to make a caricature and that, in “Saturday”, he wants to illustrate the “emptiness” of the life of middle-upper class families, living in London. An interesting theory (in which I personally do not believe)! If this really were his intention, then the book should be “at least funny once in a while”.

Holden Caulfield continues to say in “The catcher in the rye”: “What really knocks me out is a book that, when you’re all done reading it, you wish the author that wrote it was a terrific friend of yours and you could call him up on the phone whenever you felt like it. That doesn’t happen much, though.”…