Cum laude voor Emile Roemer

May 9, 2010

Vandaag werd de lijsttrekker van de SP, Emile Roemer, in het televisie programma Buitenhof De toekomst van Europa & Emile Roemer uitgedaagd door de “kritische denker” (of moeten we zeggen: “kritische denkster”?) Barbara Baarsma. Barbara Baarsma is directeur van SEO en hoogleraar marktwerking- en mededingingseconomie aan de Faculteit en Bedrijfskunde van de Universiteit van Amsterdam.

Ik heb even op internet wat informatie opgezocht over Barbara Baarsma en zie overal vermeld dat zij “cum laude” doctoraal examen economie heeft gedaan aan de Universiteit van Amsterdam, zie bijv. SEO Barbara Baarsma. Nu heb ik toevallig aan diezelfde universiteit ook cum laude doctoraal examen gedaan (niet in de economie, maar in de wiskunde), alleen vermeld ik het nooit; eigenlijk vind ik dat soort dingen een beetje genant. Maar ik doe dan ook niet zo veel aan “self promotion” (hoewel ik, paradoxaal genoeg, me daar nu net even in dit stukje aan heb schuldig gemaakt teneinde personen die nu zouden willen opmerken: “Als Piet Groeneboom cum laude doctoraal had gedaan, zou hij het ook vermelden” de wind uit de zeilen nemen). Die “self promotion” is op het ogenblik erg in de mode zonder dat veel mensen daar aanstoot aan lijken te nemen. Misschien moeten we dit wijten aan de zg. “gesel van de markt”, waar Barbara Baarsma als hoogleraar marktwerking natuurlijk alles van af weet.

Ik zag op de internet sites dat Barbara Baarsma een echte “netwerker” is. Onder haar nevenfuncties staan bijvoorbeeld vermeld: lid van de Raad van Commissarissen Loyalis NV, lid van de visitatiecommissie Nederlandse Publieke Omroep en lid van de Raad van Toezicht St. Elisabeth ziekenhuis, Tilburg. Dit laatste trof mij even. Misschien zou zij als lid van de Raad van Toezicht St. Elisabeth ziekenhuis, Tilburg, weer eens kunnen kijken naar wat er toch in hemelsnaam met de organen van Denise Schouten is gebeurd die uit dit ziekenhuis zijn verdwenen? Zie voor informatie over deze zaak: Het verdwenen hart van Denise Schouten.

Mevrouw Baarsma viel Emile Roemer o.a. aan op het programmapunt van de SP dat de minimum lonen omhoog moeten.
De redenering was: “Als arbeid door een verhoogd minimumloon te duur wordt zullen werkgevers minder mensen aannemen. Door een hoger minimumloon veroordeelt u mensen tot een uitkering.”
Emile Roemer antwoordde terecht:
1. Mensen die wel werk hebben, maar aan de onderkant van de loonschaal zitten, kunnen niet rondkomen (reden waarom het minimumloon omhoog moet).
2. De stelling “Als arbeid door een verhoogd minimumloon te duur wordt zullen werkgevers minder mensen aannemen” is onjuist, maar wordt wel steeds opgevoerd als bangmakerij.

Bovendien, zou ik hier aan toe willen voegen, is dit geen argument tegen het verhogen van het minimumloon. Als het bedrijfsleven zich schuldig maakt aan het vergroten van misstanden op de arbeidsmarkt, moet de overheid het als zijn plicht zien om daar tegen op te treden. En niet zeggen: “laten we het minimumloon maar laag laten, zodat bedrijven goedkope arbeidskrachten kunnen aannemen”. Dat is een beetje de omgekeerde wereld, zou ik zeggen.

Emile Roemer diende haar volgens mij uitstekend van repliek, met het gevolg dat mevrouw Baarsma steeds nadrukkelijker (en laag bij de grondser) ging interrumperen. Die Emile Roemer vertegenwoordigt voor mij een uitstervend ras: een fatsoenlijke politicus, die niet gaat schreeuwen, niet kwaad wordt (althans niet zichtbaar), en rustig antwoord blijft geven, al wordt hij met allerlei onzin geconfronteerd. Hij zou m.i. een uitstekende premier zijn, ook al omdat hij heel goed geïnformeerd leek, iets wat bij Cohen niet altijd even duidelijk is (al zal hij natuurlijk een oneindig veel beter premier zijn dan JP Balkenende). Maar Emile Roemer hoort waarschijnlijk tot de verkeerde partij voor deze functie.

Advertisements

Een tweede gesprek van Jan en Willem

May 26, 2009

(Dit is een vervolg op een gesprek tussen Jan en Willem.)

J. Jij hebt zeker wel gekeken naar die uitzending gisteren van NOVA, waar geloof ik de voortreffelijke journalist Bas Haan voor verantwoordelijk was, over het feit dat het percentage vrijspraken verdubbeld is?
W. Ja, ik heb het gezien.
J. Besef je wel hoe erg het inmiddels is geworden? Die rechters doen veel meer vrijspraken, omdat ze anders bang zijn weer gedonder te krijgen. Gelukkig had de VVD onlangs een poster over streng straffen die weer een beetje tegengas geeft tegen dit soort ontwikkelingen.
W. Mmm… Er traden twee BN-ers op in deze uitzending die een totaal andere visie hadden op deze ontwikkeling; de heer van Koppen vond het (misschien) een zorgwekkende ontwikkeling (helemaal duidelijk was zijn standpunt niet, terwijl hij toch vaak zulke stellige meningen verkondigt), maar Spong vond het helemaal geen zorgwekkende ontwikkeling. In tegendeel: Spong vond het een goede ontwikkeling!
J. Ja, allicht vindt Spong dit een goede ontwikkeling, hij is advocaat!
W. Wat bedoel je?
J. Nou hij denkt natuurlijk, als mensen zien dat het aantal vrijspraken omhoog gaat, krijg ik meer klanten!
W. Ik weet niet of het zo werkt J., daar zou misschien eens empirisch onderzoek naar moeten worden gedaan, maar jullie juristen zijn geloof ik in het algemeen heel erg gekant tegen empirisch onderzoek. Bovendien, als ik voor mezelf mag spreken, vind ik het ook een gunstige ontwikkeling, want ik heb ook het gevoel dat heel veel mensen op onvoldoende gronden de bak in worden gedraaid. Zo lang er geen onafhankelijke revisieraad is, zullen we ook niet weten hoe erg het is, want alle eventuele fouten kunnen nu worden toegedekt.
J. Ha! Daar ben je weer met je complottheorie! Niet voor niets is de ondertitel van het boek van Bas Haan over de Deventer moordzaak: “het complot ontrafeld”.
W. Ja, laten we het eens over dat boek hebben. In dat boek wordt Michaël de Jong als een soort heilige opgevoerd tegenover de pathologische leugenaar Ernest Louwes. Hij eindigt zijn boek met: “Voor mij is de Deventer moordzaak gesloten. De ‘boekhouder’ heeft zijn straf er bijna op zitten, `de klusjesman’ is vrijgepleit”. En hij vervolgt met triomfantelijk te zeggen dat Michaël de Jong (dat is `de klusjesman’, weet je wel?) zo ongeveer het meest vergaande bewijs van goed gedrag heeft gekregen dat je in Nederland kunt krijgen. En wat is dat bewijs van goed gedrag? Een vergunning voor het bezit van een vuurwapen, een revolver. Hij had die vergunning aangevraagd voor schietoefeningen bij het trainen van honden. ‘De klusjesman’ is daarmee nu, volkomen legaal, de trotse bezitter van een `Smith & Wesson Chiefs Special 9MM’. Om zijn bewering kracht bij te zetten geeft hij zelfs op p. 241 een afbeelding van deze vergunning. Ik moest erg lachen toen ik dit las.
J. Lachen? Waarom in hemelsnaam?
W. Nou, om het feit dat politie en justitie, die geen enkele moeite hebben gedaan om verder onderzoek te doen naar het kopen van dat mes door Michaël de Jong in plaats van de magneetstrip die hij beweerde gekocht te hebben, hem een vergunning voor een revolver hebben gegeven. En om het feit dat Bas Haan dat krijgen van die vergunning voor een revolver als een bewijs van goed gedrag beschouwt. Die Bas Haan is volgens mij wel erg gezagsgetrouw. Het is jammer dat hij niet in Amerika woont, dan zou hij lid kunnen worden van de National Rifle Association en met nog minder moeite pistolen kunnen kopen in de “gun shops” om ook honden te gaan africhten. Als voorbereiding op het africhten van … De Hond.
J. Bah, wat een flauwe woordspeling is dat!
W. Het zij zo, ik vond hem zelf wel leuk. Het is ook zó voor de hand liggend dat ik me bijna niet kan voorstellen dat niet iemand dit al eens eerder heeft bedacht, een schot voor open doel, zogezegd. En dan ook nog Michaël de Jong, die een pistool nodig heeft om “Honden” af te richten, en de politie die hem de vergunning geeft om in dit kader een pistool te gebruiken! Als dat niet symbolisch overkomt, weet ik het niet meer! Dat was dus ook waar ik om moest lachen. Maar goed, heb jij dat boek van Bas Haan eigenlijk gelezen?
J. Nee W., daar heb ik natuurlijk geen tijd voor. Ik heb er wel veel over gehoord. Word jij trouwens niet geacht nog twee boeken op je vakgebied te schrijven? Komt dat niet een beetje in het gedrang door al dat gelees van boeken a la Louwes, Wagenaar, Haan, enz.?
W. Ja J., je hebt daar een goed punt, maar ik kan dat gesol met Louwes van Pauw, Witteman en Knevel, maar ook van Bas Haan+Heijne, gewoon niet aanzien. En zo ging het ook al met Lucia de Berk. Ik zou dolgraag wel vertrouwen hebben in de Nederlandse politie, OM en rechterlijke macht, en me alleen aan mijn eigen vak wijden, maar het vertrouwen is sinds 2007 verdwenen (met de Lucia de Berk zaak, waar ik toen toevallig in ben verzeild via die 1 op de 342 miljoen, weet je nog wel?) en hoe meer ik er over lees, hoe bezorgder ik word. Wat interessant is, is dat ondanks alle snorkende taal over ontrafelen van complottheorieën op de achterflap er allerlei beweringen in het boek van Bas Haan staan waarvan je op een eenvoudige manier kunt nagaan of ze waar of onwaar zijn.
J. Bijvoorbeeld?
W. Pagina 159: Louwes beweert tegen Bas Haan in een telefoongesprek (volgens Bas Haan) in 1999 te hebben meegewerkt aan DNA onderzoek. Bas Haan zegt dat er geen bloedafname is geweest en dat er voor 2003 nooit een DNA profiel is gemaakt. Hij zegt hier voor het eerst Louwes op een leugen te hebben betrapt. Wie spreekt hier onwaarheid?
J. Louwes natuurlijk. Zoals mevrouw Brughuis al zei: “Menig acteur kan een puntje zuigen aan het acteertalent van deze verdachte”. Hij is een geboren leugenaar.
W. Ik heb dit even nageplozen, J. Het OM heeft altijd ontkend dat dit is gebeurd, terwijl Louwes heel gedetailleerd is geweest over afname van DNA begin december 1999. Hij zegt een formulier ondertekend te hebben en beschrijft de afname en de man die het deed. Een half jaar geleden heeft het OM echter toegegeven dat het ondertekende document is gevonden, maar niet de DNA afname. Dat klinkt bekend.
J. Hoezo, dat klinkt bekend?
W. Zelfs volgens het verslag van Bas Haan is de weduwe gevonden met beige broek en een vest. Waar zijn de broek en het vest? Ze zijn “zoek”. Het formulier dat Louwes ondertekend heeft is gevonden, maar de afname zelf is “zoek”. De moeder van Denise Schouten heeft een pot met organen van haar dochter teruggekregen, maar het waren niet de organen van haar dochter, zoals later bleek. Waar zijn die organen? Ze zijn “zoek”. Justitie en het NFI raken toch wel erg veel kwijt.
J. Zeg jij maar niets, jij bent ook een enorme sloddervos!
W. Ja J., je hebt gelijk, maar als ik iemand op zou willen zadelen met moord, zou ik misschien toch wat voorzichtiger met de cruciale bewijsstukken omgaan! Ik begrijp eigenlijk niet waarom zo veel mensen justitie hier zo maar mee weg laten komen.
J. Nou ja, als dat bewijs met het DNA niet werkt, dan is er nog altijd die leugen over het in de file zitten en het financiële motief!
W. Over dat domme gepraat over het financiële motief, dat zelfs in laatste instantie niet door het hof in Den Bosch is gebruikt, maar waar Bas Haan wel een enorm punt van maakt (en in zijn voetspoor natuurlijk ook de media-giganten Pauw en Witteman), heb ik het nog wel een andere keer. Ik wil nu alleen nog iets zeggen over de expliciete beschuldigingen van leugens. Het gaat om vier beschuldigingen.
1. Louwes zou niet ‘s ochtends op bezoek zijn geweest bij de weduwe.
2. Hij zou gelogen hebben over zijn thuis eten op die dag (hier heeft de politie ook zijn vrouw nog tegen hem uitgespeeld).
3. Hij zou gelogen hebben over zijn in de file zitten.
4. Hij zou gelogen hebben over zijn telefoontje vanaf de A28.
Ton Derksen laat m.i. zeer overtuigend zien dat geen van deze vier leugens is aangetoond. Sterker nog, hij maakt zeer aannemelijk dat het OM zelf in minstens drie van deze vier gevallen leugenachtige verklaringen heeft afgelegd.
J. Complottheorie denken, W.! Het OM is veel te netjes om te liegen!
W. Mmm… Ik heb begrepen dat de hoge raad het alibi van het in de file zitten heeft “geneutraliseerd”. Ze hebben inmiddels de mogelijkheid van een telefoongesprek vanaf de A28 erkend, maar tegelijk het tijdstip van de moord opgerekt tot 12 uur ‘s avonds. De noodzakelijke handelingen voor het vaststellen van het tijdstip van de moord zijn nu eenmaal niet verricht of de informatie daarover is ook weer “zoek”, dus dat geeft een bijna onbeperkte mogelijkheid van “schuiven” (wat weer iets anders is dan “strepen”). Ik moest bij dat “neutraliseren” even denken aan de discussies over de neutronenbom.
J. Hoezo?
W. Nou, in de oorspronkelijke discussies over de neutronenbom hoorde je daar wel eens over spreken als een “schone bom”: een bom die levens verwoest, maar gebouwen heel laat. De analogie is in dit geval dat het gebouw van de hoge raad en meer algemeen het gebouw van de Nederlandse rechtspraak blijft staan, maar dat er wel heel veel levens worden verwoest. Helaas voor deze voorstanders van een “schone bom” verwoest de neutronenbom niet alleen levens, maar ook gebouwen. De bom van de dwaling in de Schiedammer parkmoord zaak heeft echter zelfs nog geen splintertje veroorzaakt in de vesting van de Nederlandse juristen! Hoe veel meer levens moeten nog worden verwoest, vraag ik me wel eens af?
J. Kom, kom, W., overdrijf je nu niet een beetje…

Wordt vervolgd…


De slapende rechter

May 18, 2009

Stel een jurist zou tegen mij zeggen: Andrew Wiles verdient de Clay Research Award niet, want zijn bewijs van de stelling van Fermat is onjuist. Of hij zou tegen mij zeggen: “U moet die Cambridge prijs (de Rollo Davidson prijs) teruggeven, want u hebt het limietgedrag van de Grenander schatter niet juist gekarakteriseerd” (ik begrijp dat de meeste mensen noch de eerste bewering noch de tweede zullen begrijpen, maar ik kan daar verder op het moment niets aan doen).

Wat zou mijn reactie zijn? Ik zou zeggen: “Interessant, wat is uw argument hiervoor?”. Stel nu omgekeerd dat ik tegen een jurist zeg: “De bewijsvoering in de Lucia de Berk zaak is incorrect” of “Het lijkt me dat het DNA argument in de Louwes zaak niet overduidelijk zijn schuld aantoont”. Wat voor reactie kan ik dan in het algemeen verwachten? De reactie: “Je moet je mond houden, want je bent geen jurist”.

Een wiskundige vraagt om argumenten, een jurist om antecedenten. Pikant detail in het bovenstaande is dat Pierre de Fermat een … jurist was, zie Pierre de Fermat. Gelukkig maar dat zijn diploma’s op het gebied van de rechtenstudie lagen, want als zijn diploma’s op het gebied van de wiskunde zouden hebben gelegen, zou er niet naar hem geluisterd zijn door de juristen: zijn antecedenten zouden dan niet in orde zijn geweest! De wiskundigen hebben echter wel naar hem willen luisteren, want het gaat de (goede) wiskundige nu eenmaal om de inhoud van wat de spreker zegt en niet om zijn antecedenten.

Wagenaar cs. hebben een boek geschreven De slapende rechter. Dit is volgens Marc Loth, die verbonden is aan de Erasmus Universiteit en ook lid van de hoge raad “een mislukt boek”, zie ‘Slapende rechters’ of ‘dwalende deskundigen’?. Hij drukt zich zelfs nog sterker uit: “Hopelijk is `de slapende rechter’ een incidentele uitglijder van enkele `dwalende deskundigen’ en vinden de auteurs nieuwe manieren om hun ideeën voor het voetlicht te brengen”. Tevens zegt hij op pagina 3: “de auteurs hebben te weinig kaas gegeten van het strafrecht” in een alinea die begint met: “Waar de auteurs uit de bocht vliegen is waar zij zich bedienen van suggestief en pejoratief taalgebruik”. Ik vroeg me af: “Waar heb ik die zin “de auteurs hebben te weinig kaas gegeten van het strafrecht” eerder gehoord? En toen herinnerde ik me de uitspraak van zijn vroegere collega op de juridische faculteit van de Erasmus Universiteit, Henk Elffers (de `statisticus’ in de Lucia de Berk zaak die had becijferd dat de kans dat de verpleegkundige Lucia de Berk bij toeval zo veel `incidenten’ betrokken was kleiner of gelijk aan 1 op de 342 miljoen was): “Het probleem is niet zozeer dat juristen statistiek misinterpreteren, maar veeleer dat menig statisticus geen kaas heeft gegeten van het strafproces” (cursivering van mij), zie Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren.

Bij de bespreking van de acht gevallen die in het boek De slapende rechter aan de orde komen, vindt Marc Loth de Schiedammer parkmoord een aparte plaats innemen. Waarom? Je zou denken dat de aparte plaats o.a. te danken is aan het feit dat een ander dan de veroordeelde heeft bekend, waarna men de veroordeelde wel vrij moest laten. Ook is de zaak uniek omdat hier overduidelijk grove fouten zijn gemaakt door rechtbank en hof, essentiële zinnen in de verklaringen van de ten onrechte veroordeelde zijn weggelaten als deze niet strookten met de “bewijsvoering” en desondanks door de president van het gerechtshof in Den Haag Mr. Verburg verklaard is dat er geen fouten zijn gemaakt bij de veroordeling van Kees B. (zie p. 123-124 van Wagenaar et al.). Ook lijkt de laffe manier waarop Kees B. niet is vrijgesproken, maar in plaats daarvan het OM niet-ontvankelijk is verklaard in het arrest van het Amsterdamse hof mij uniek.

Marc Loth duidt deze zaak aan met het bagatelliserende woord “bedrijfsongeval”. Om precies te zijn, hij zegt: “Wat mij betreft… behoort de Schiedammer parkmoord tot de eerste categorie rechterlijke dwalingen; de bedrijfsongevallen die -hoe tragisch ook- mede door de bijzondere samenloop van omstandigheden als bijna onvermijdelijk moeten worden beschouwd”. Mmm… onvermijdelijk? Is het onvermijdelijk dat zinnen in de bekentenis die niet kloppen met het geconstrueerde tijdspad hieruit worden weggecensureerd? Dat een verzoek van de advocaat om DNA materiaal op flesjes en blikjes in de buurt te onderzoeken domweg wordt geweigerd door het hof? Dat deze manier van doen door de advocaat-generaal van de hoge raad (Machielse) wordt gesanctioneerd? Als dit onvermijdelijk is, is het nog erger dan ik dacht.

Marc Loth vindt dat alternatieve scenario’s niet door de rechter hoeven te worden onderzocht. Hij merkt op: “Wanneer zij prof. Cleiren aanhalen die toelicht dat de strafrechter op basis van de tenlastelegging moet oordelen, overschreeuwen de auteurs haar door te roepen dat de rechter ook alternatieve scenario’s moet onderzoeken” (over pejoratief taalgebruik gesproken trouwens: “overschreeuwen”, “roepen”). Hij licht dit verder toe door te zeggen: “In het institutionele kader van het strafproces gaat het om de (beperkte) vraag of deze verdachte dit verwijt kan worden gemaakt, niet om wat er gebeurd is en wie daarvoor verantwoordelijk is”. Het spijt me wel, maar ik kan “Het gaat niet om wat er gebeurd is en wie daarvoor verantwoordelijk is” niet anders interpreteren dan: het hoort (volgens Marc Loth) de rechter niet te gaan om waarheidsvinding. En er zijn nog wel meer bedenkingen bij deze bewering van Marc Loth, zie wat is een argument? en een gesprek tussen Jan en Willem. Als er al bezorgdheid was over de manier waarop in Nederland recht wordt gesproken, dan wordt deze bezorgdheid door deze opmerking van Marc Loth (lid van de hoge raad) alleen maar aangewakkerd.

Evenzo wordt de bezorgdheid over de manier waarop in Nederland recht wordt gesproken aangewakkerd door de krampachtige pogingen van het ministerie en OM om te verhinderen dat in Nederland een revisieraad komt naar Engels model, waar ook anderen dan juristen de mogelijkheid krijgen invloed uit te oefenen op de heropening van strafzaken (in plaats van dat deze beroepsinstantie wordt verschoven naar een aanhangsel van de hoge raad). En natuurlijk besteedt Marc Loth ook ruim aandacht aan zijn opvatting dat die revisieraad er niet moet komen en verdedigt hij het novumcriterium, o.a. door te zeggen dat dit in de wet is opgenomen en niet afgeschaft. Men kan het feit dat dit in de wet is opgenomen en niet is afgeschaft niet als argument gebruiken om te zeggen dat dit een goed criterium is (op die manier zouden wetten nooit veranderd worden). Het boek De slapende rechter laat zien dat dit criterium de voornaamste bottleneck is voor heropening van strafzaken en dat het heel gemakkelijk gebruikt kan worden om heropening tegen te houden.

Waar zijn juristen als Marc Loth toch zo bang voor? Ik vermoed toch voor een discussie, gevoerd op basis van argumenten, in plaats van een discussie, gevoerd op basis van beroep op autoriteit en antecedenten. Zie ook de open brief aan Marc Loth van H.J. Vonk Schoon schip.


Ernest Louwes en de media

April 24, 2009

Ernest Louwes is nu definitief in vrijheid gesteld en zijn spreekverbod is opgeheven. Ter herinnering: Ernest Louwes werd eerst vrijgesproken en vervolgens weer veroordeeld voor de moord op de weduwe Wittenberg, zie de Deventer moordzaak.

Louwes mocht meteen optreden in Pauw en Witteman, samen met minister Ronald Plasterk. P&W zaten daar als een tribunaal dat Louwes eens even het vuur na aan de schenen ging leggen. “Mijnheer Louwes, alleen uw DNA zat op de blouse, hoe verklaart u dat?”, en: “Mijnheer Louwes, u had een motief, hoe zit dat met die rekening die u heeft geopend om er vervolgens geld van de weduwe Wittenberg op te storten?”

Op de eerste vraag antwoordde Louwes, die overigens opmerkelijk kalm bleef onder dit alles (maar hij heeft natuurlijk al zo veel over zich heen gekregen) dat dat DNA bij zijn ochtendbezoek op die blouse had kunnen komen en dat het merkwaardig is dat alle andere kleren van de weduwe “zoek” zijn. Inderdaad, waar zijn die andere kleren gebleven, kun je je afvragen. Daar hadden P&W best eens wat meer aandacht aan kunnen besteden! De moeder van Denise Schouten, zie Denise Schouten en Recherche kan hart Denise Schouten ook niet vinden heeft verschillende organen “van haar dochter” teruggekregen via het NFI en het St Elizabeth ziekenhuis in Tilburg in een pot. Geen van die organen bleek van haar dochter te zijn. Het was een potpourri van organen van verschillende mensen. Het NFI had er waarschijnlijk niet op gerekend dat de moeder van Denise Schouten dit op eigen kosten zou laten controleren. Evenzo zijn in de Deventer moordzaak andere belangrijke kledingstukken, die mogelijk ontlastend materiaal voor Louwes zouden kunnen bevatten, zoek!

Ik heb begrepen dat ergens nog een doos met relevante spullen staat (niet bij het NFI) die buiten schot gehouden worden. Als justitie en politie de schijn van een partijdige behandeling willen vermijden, waarom komen ze daar dan niet mee voor de dag? En waarom is er geen DNA onderzoek gedaan op de hals van de weduwe, op de plek waar zij is gewurgd? (vraagt Maurice de Hond zich m.i. terecht af). Dat vest van de weduwe dat zij over die blouse aanhad ten tijde van de moord, waar is dat gebleven? Bijzonder voor de hand liggende vragen waarop we echter geen antwoord horen. Het lijkt erop dat justitie redeneert: “We hebben hem, met dat DNA op die blouse, en nu moet verder iedereen zijn mond houden”, net zoals ze al eerder dachten “We hebben hem”, met het mes waarvan achteraf is gebleken dat het niet het moordwapen kon zijn. Mij persoonlijk lijkt echter dat “bewijs” via het DNA op de blouse boterzacht.

Op de tweede vraag van Pauw en Witteman antwoordde Louwes dat zelfs het gerechtshof in Den Bosch niet had beweerd dat er een geldelijk motief was. We moesten wachten op de meesterbreinen P&W om dit motief weer opnieuw in het geweer te brengen (dit laatste zeg ik nu, het was niet iets wat Louwes zei). Het liet overigens ook weer zien dat Pauw en Witteman zich eigenlijk niet van te voren goed hadden voorbereid op dit gesprek, ondanks de felle manier waarop Louwes werd geattaqueerd.

Ook zei Pauw nog: “Maar mijnheer Eikelenboom heeft toch de dwaling in de Schiedammer Parkmoord blootgelegd?”, daarbij blijk gevend van een enorme onwetendheid m.b.t. de historie van deze gerechtelijke dwaling. De ten onrechte veroordeelde Borsboom is vrijgekomen, niet door toedoen van mijnheer Eikelenboom, maar omdat een ander de moord heeft bekend! (zoals Louwes wederom terecht opmerkte). In feite is deze kwestie een enorme smet op het blazoen van de heer Eikelenboom, die achteraf heeft beaamd dat het aangetroffen DNA niet van de veroordeelde Cees Borsboom was. Waarom heeft hij dat dan niet meteen aan de grote klok gehangen? “Omdat hem niets werd gevraagd”. Dit werpt wel weer een schril licht op hoe het OM, in samenwerking met het echtpaar Eikelenboom (dat altijd zo afgeeft op “theoretische” wetenschappers), te werk gaat. “Een gesloten mond vangt geen vliegen” moet Eikelenboom gedacht hebben bij de Schiedammer parkmoord!

Maurice de Hond is verweten (en hij is ook vervolgd) voor het feit dat hij een ander als mogelijke dader heeft aangewezen. Je kunt hier verschillend over denken; sommige mensen vinden dit moedig van hem, anderen vinden het dom van hem (het bekende “ceteri… alii…” om voor de grap net als de juristen ook eens met wat Latijn te strooien). De Schiedammer parkmoord heeft echter laten zien dat als er niet een andere verdachte in beeld is, er gewoon niets gebeurt. Het hof in Den Haag beweert over de Schiedammer parkmoord zaak nog steeds: wij hebben niets fout gedaan (maar als ze het dossier goed gelezen hadden, hadden ze kunnen zien dat de bewijsvoering niet klopte; echter voor hen gold: de zaak was rond, volgende zaak).

Kijkend naar dit soort gedoe op TV vraag ik me weer eens voor de zoveelste keer af: zijn we op de Nederlandse televisie nu echt voorbij alle fatsoen? Mogen de slecht geïnformeerde Pauw en Witteman daar zo maar voor rechtbankje spelen bij iemand die net uit zijn gevangenis is ontslagen?

Louwes heeft bepaald de wind tegen, misschien meer nog dan Lucia de Berk. In de laatste zaak heeft de veroordeelde in ieder geval bijvoorbeeld nog onze misdaadverslaggever Peter R. de Vries aan haar zijde. Ook is er een geheel boek over haar zaak geschreven door Prof. Ton Derksen (die overigens in een vervolgboek “Het OM in de fout” ook onder meer enige aandacht aan de Deventer moordzaak heeft besteed) en heeft de hoge raad haar zaak heropend. Louwes is wat dit betreft wat minder gelukkig. Hij heeft wel zelf een boek over zijn zaak geschreven. Maar aan de andere kant heeft de journalist Bas Haan een boek over de zaak geschreven dat Louwes niet bepaald als steun in de rug heeft kunnen ervaren.

Laten we eens proberen objectief naar deze zaak te kijken. Er zijn twee mogelijkheden:
1. Louwes heeft het wel gedaan.
2. Louwes heeft het niet gedaan.

Het is volgens mij nuttig om even “ex hypothesi”, zoals dat heet, te redeneren en ons af te vragen wat voor gedrag we in deze beide gevallen van Louwes kunnen verwachten. Dus, stel geval 1 is waar. Is in dat geval het huidige gedrag van Louwes waarschijnlijk? De keren dat ik hem op televisie heb gezien komt hij op mij over als een redelijk intelligente man, in ieder geval een stuk intelligenter dan Pauw, die in een gesprek met de psycholoog Wagenaar verklaarde de beweringen van Jolanda in de zaak Jolanda (de Jolanda die ook optrad bij Sonja Barend) “heel overtuigend” te vinden.
Zou een redelijk intelligente man, die het “gedaan heeft” tot het bittere eind door blijven strijden om zijn onschuld te bewijzen, met zo veel mensen en in het bijzonder een heel justitieel apparaat tegen zich? Is het in zijn voordeel om te vragen waar de andere kledingstukken van de weduwe zijn gebleven, als die mogelijk belastend materiaal voor hem zouden bevatten? Het lijkt me enigszins onwaarschijnlijk.

Nu is het zo dat hypothese 1 krachtige verdedigers heeft. De journalist Bas Haan, die hier een boek over heeft geschreven, gelooft in hypothese 1 en Peter R. de Vries ook, zie Ernest Louwes is wel degelijk de moordenaar. Deze blog heeft als ondertitel: “Wanneer erkennen de media eens dat ze er naast zaten?”. Wie bedoelt Peter R. de Vries hier eigenlijk met “de media”? Als ik P&W tot “de media” reken, heb ik niet de indruk dat ze geloven dat Louwes onschuldig is. De journalist Bas Haan is ook zo iemand die tot “de media” behoort en die gelooft al evenmin in de onschuld van Louwes. En behoort Peter R. de Vries zelf eigenlijk niet ook tot “de media”? Als nu alsnog zou blijken dat Louwes toch onschuldig is, zou je eveneens de vraag kunnen stellen: “Wanneer erkennen de media eens dat ze er naast zaten?”, deze keer doelend op P&W, Bas Haan en Peter R. de Vries. Dus die ondertitel van Peter R. de Vries lijkt me een tweesnijdend zwaard.

In Ernest Louwes is wel degelijk de moordenaar is media-man Peter R. de Vries voor het grootste deel bezig met de personen die denken dat Louwes onschuldig is verdacht te maken. Een korte samenvatting van wat hij hier zegt is dat hij vindt dat deze mensen goedgelovige sukkels zijn die zich niet op “harde feiten” baseren, zoals hij dat wel doet. Peter R. de Vries heeft zelfs geantwoord op een vraag of hij niet met Maurice de Hond in discussie wil gaan: “Ik praat niet met een baby”.

Dergelijke dingen werden ook gezegd in het juristenkamp (dat zich kennelijk erg bedreigd voelt door de recente kritiek) door van Koppen en van Maanen over de ondertekenaars van de petitie voor heropening van de Lucia de Berk zaak. Maar de mensen die deze petitie hebben ondertekend hebben daarmee in het geheel geen uitspraak gedaan over schuld of onschuld: dit waren mensen, voor een groot deel wetenschappers, die door bestudering van de zaak overtuigd waren geraakt van de ondeugdelijkheid van de bewijsvoering. Net als bijvoorbeeld Emile Zola, die terecht overtuigd was van de ondeugdelijkheid in de bewijsvoering in de zaak Dreyfus. Merkwaardig genoeg haalt van Maanen recent in een interview de zaak Dreyfus aan in een betoog dat niet-juristen zich niet moeten bemoeien met rechtszaken en dat mensen die dat wel doen “iets van godsdienstwaanzin hebben”, zie dwalende rechters. Deze toon van: “jullie moeten je mond houden, jullie weten er niets van” wordt ook in het stukje van Peter R. de Vries gehanteerd, waarin hij dus, i.t.t. bijvoorbeeld de ondertekenaars van de petitie voor heropening van de Lucia de Berk zaak wel tot de sterke uitspraak “Ernest Louwes is wel degelijk de moordenaar” komt.

Laten we nu even uitgaan van hypothese 2. Is in dat licht het gedrag van Louwes niet te begrijpen? Stel dat ik veroordeeld zou zijn voor de roofoverval op de bioscoop Rembrandt, zie Vader vertelt over de politie. Ik zou verschrikkelijk kwaad zijn geworden en me misschien hebben verzet. Net als Louwes zou ik dan misschien door vier man zijn besprongen, in een nekklem gelegd en daarna in de boeien zijn geslagen. Stel dat ik bij mijn ontslag uit de gevangenis bij Pauw en Witteman zou hebben mogen optreden, naast mijn ex-collega hoogleraar Plasterk en dat ze mij het filmpje zouden hebben laten zien waarbij ik in een nekklem werd gelegd, waarna Pauw mij glimlachend zou hebben gevraagd: “Wat vindt u daar nu van mijnheer Groeneboom, om dat filmpje weer te zien?”. Ik zou waarschijnlijk gezegd hebben dat ik het niet zo leuk vond. Louwes zei dat hij het verschrikkelijk vond. Is dat niet te begrijpen vanuit hypothese 2? Wat voel je, als je volkomen ten onrechte bent veroordeeld en ongeveer iedereen tegen je zegt dat je het toch gedaan hebt? Waarschijnlijk woede, maar vooral onmacht. Want hoe kun je de tegenpartij ooit van je onschuld overtuigen? Alles wat je zegt zal tegen je worden gebruikt. En dat is wat bij Louwes het geval lijkt te zijn.

En voor de slechte verstaander: ik zeg hiermee niets over schuld of onschuld. Ik probeer alleen onder woorden te brengen wat in mij opkomt naar aanleiding van zo’n uitzending bij Pauw en Witteman. Gelukkig zag ik aan het eind van de uitzending dat Louwes zijn boek Schuldig. Mijn verhaal over de Deventer moordzaak aanbood aan Ronald Plasterk, die het geschenk in dank aanvaardde en daarbij Louwes de hand schudde.

Naschrift (Hier komt nog wat informatie die mij bereikte na het schrijven van het bovenstaande). Het hof in Leeuwarden heeft de twee rechercheurs opgeroepen die een proces verbaal hebben opgemaakt over wat er in vier jaar met de blouse van de weduwe is gebeurd. Hier was deze week donderdagochtend (23-4-2009) een zitting over in Leeuwarden, zie Hof behandelt beklag Louwes. Louwes had een artikel 12 procedure tegen deze twee rechercheurs aangespannen. De rechercheurs zijn bij deze zitting niet op komen dagen, maar hun advocaat heeft laten weten dat wat zij hadden opgeschreven in ieder geval niet klopte. Terwijl men op verzoek van de rechter had geschreven in de wij-vorm, zoals “Wij ontvingen de blouse, toen deden wij dat met de blouse en vervolgens deden wij dat met de blouse” bleek dat één van de twee rechercheurs de hele periode ZIEK was geweest en er niet bij was geweest. En de ander meldde dat wat er stond niet door hem persoonlijk was waargenomen, maar een reconstructie was van de afdeling, zonder dat dit op documenten of een logboek was gebaseerd.

Verschillende mensen hebben mij er op attent gemaakt dat waarschijnlijk de meeste Nederlanders niet weten wie Dreyfus was. De jurist van Maanen, hoogleraar vermogensrecht aan de universiteit van Maastricht, vergelijkt de wetenschappers en anderen die in de Lucia de Berk zaak in actie zijn gekomen met de “Dreyfusards”, de mensen die voor Dreyfus in actie zijn gekomen.

Het is grappig dat hij dit doet, want in het geval van Dreyfus hebben de Dreyfusards achteraf volkomen gelijk gekregen, ondanks alle intimidatie, vervalsing van documenten en ander onrechtmatig optreden van overheid en leger in deze zaak. Emile Zola is zelfs tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld en uitgeweken naar Engeland totdat hij weer veilig terug kon komen in Frankrijk.

De anti-Dreyfusards bij overheid en leger hebben alles uit de kast gehaald om een herziening van deze zaak te voorkomen, tot en met manipulatie van bewijsmateriaal. Personen in Frankrijk die hierop hebben gewezen werden natuurlijk aanvankelijk geïntimideerd, afgeblaft en verteld dat zij het gezag aantastten en dat de Franse overheid en leger veel te fatsoenlijk waren om dat soort dingen te doen. Ik citeer uit Dreyfus:

“Het nieuw benoemde hoofd van de inlichtingendienst Georges Picquart kwam in zijn onderzoek naar de zaak achter de werkelijke gang van zaken. Hij ontdekte de rol van Esterhazy en gaf dit door aan zijn superieuren. Binnen de militaire top was dit een niet gewenst bericht, officieren hebben zelfs valse documenten opgesteld om Dreyfus’ schuld te bewijzen. Alles is er aan gedaan om herziening van het proces te stoppen en het geheel in de doofpot te laten verdwijnen. Picquart werd op dienstreis gestuurd en later zelfs ontslagen en gevangen gezet.” (Georges Picquart kreeg overigens eerherstel en werd later minister in het zg. eerste Clémenceau kabinet, zie: Georges Picquart).

Er lijken inderdaad sterke analogieën te bestaan met wat er op het ogenblik in Nederland gebeurt. We moeten van Maanen eigenlijk dankbaar zijn dat hij hierop wijst, al was het misschien niet zijn bedoeling deze analogie onder de aandacht te brengen!

(Toevoeging 13-5-09:) Een relevante en zeer lezenswaardige bespreking van de rol van de pers in de zaak Louwes wordt gegeven in: Pers faalt bij Deventer moordzaak.


Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld, aflevering 2

August 6, 2008

In de eerste aflevering van mijn zo juist gestarte feuilleton Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld werden enkele hypothesen ontwikkeld over wat voor brieven er wel of niet “door zouden komen”. Kort na het schrijven van deze eerste aflevering deed zich een interessante “test case” voor (gelukkig niet n.a.v. een brief van mijzelf). Kees le Pair had in NRC Handelsblad van 26 juli een m.i. zeer goede brief over de voorstellen van minister Hirsch Ballin geschreven, zie in de kranten, waar ook de brieven van Metta de Noo en mijzelf worden gegeven. Een reactie van juridische zijde waarin zou worden gezegd: “U beschadigt het vertrouwen in de rechterlijke macht” kon natuurlijk niet uitblijven. En jawel, Mr. Kruisdijk heeft in de NRC van 31 juli een (pijlsnel geplaatste!) brief waarin precies deze aantijging staat, samen met wat beschouwingen over het feit dat rechters die naar een functie in een andere standplaats worden gepromoveerd, niet meer zaken mogen behandelen die hebben gediend bij de rechtbank waar ze eerder gedetacheerd waren. Helaas houdt deze juridische logica echter op bij de Hoge Raad, want als daar een zaak wordt aangeboden die eerder door één van de leden van de Hoge Raad is behandeld in een vorige fase van de loopbaan, is er voor ons hoogste rechtscollege geen ontsnappen meer mogelijk aan het behandelen van deze zaak.

Een brief waarin o.a. dit wordt opgemerkt is op 3 augustus door Kees le Pair aan NRC Handelsblad gezonden. Hier komt hij:

Op 31 juli schreef rechter Kruisdijk dat mijn kritiek (NRC 26/7) ‘nodig weersproken’ moet worden. In hoger beroep fungeren geen rechters die al in eerdere instantie met een zaak te maken hadden. Ik beschadig met mijn niet onderbouwde stelling het vertrouwen in de rechterlijke macht.
Rechters, die eerder in de Eper incestzaak fungeerden zitten broederlijk in het college dat over een eventuele herziening mag besluiten. Een rechter, die steken liet vallen in de Puttense moordzaak, gaat zich in de Hoge Raad over herzieningen buigen. De uitlevering van Hörchner geschiedt op last van een rechter, die voordien bij de landsadvocaat werkte, waartegen hij jaren heeft geprocedeerd… Mr. Kruisdijk keek slechts naar ‘hoger beroep’ in engere zin. Ik bezie de procesgang uit het oogpunt van de beklaagde, de ten onrechte gestrafte, kortom de bedreigde burger. Als hij dat ook deed, zouden de voorbeelden niet aan zijn aandacht zijn ontsnapt.
Fijn dat onze magistraten ook zelf waken tegen het bezwaar klevend aan functie hoppen. (Dezelfde persoon gaat opnieuw over dezelfde zaak.) Mogen wij op hun steun rekenen bij ons verzet tegen het voorstel van Minister Hirsch Ballin? Die wil de Hoge Raad verantwoordelijk maken voor de herziening van een gesloten rechtszaak. Hij hanteert dus een contraire logica. Ik wacht op het bericht: “Rechters protesteren tegen het wetsvoorstel herziening gesloten rechtszaken. De beslissingsbevoegdheid moet niet worden gelegd bij een instantie, die verantwoordelijk was in de voorafgaande rechtsgang.”
‘U beschadigt het vertrouwen in de rechterlijke macht’ is een verwijt dat bij de magistratuur los in de mond ligt. Ik trek het mij niet aan. Het is of je bewoners niet moet waarschuwen, wanneer hun huis in brand staat. Ze zouden in paniek kunnen raken. Sinds mensenheugenis riskeren brengers van slechte tijdingen de woede van potentaten. De psychologie daarachter lijkt tijdsinvariant.

Het kwam mij voor dat deze brief niet door de normen en waarden van de hoofdredactrice Birgit Donker heen zou komen. Ik schreef dan ook aan Kees le Pair: “Een heel goede en ook nog leuke brief! Het kan bijna niet beter. Alleen vraag ik me af of dit wel mag van Birgit Donker. Ik geloof dat sarcasme niet is toegestaan. Ben benieuwd…” En, …, het is vervelend om te zeggen, maar ik had al weer gelijk! Vandaag verscheen de brief van Kees le Pair in NRC Handelsblad zonder de laatste twee alinea’s. Maar we moeten natuurlijk niet voorbarig zijn in onze conclusie dat dit ligt aan de normen en waarden van de hoofdredactrice en eerst nog even een alternatieve hypothese toetsen.

We kunnen ons bijvoorbeeld afvragen: “Bleef deze brief wel binnen de 250 woorden (of de aan een andere briefschrijver in de krant van 26 juli toegestane 300 woorden, na verzoek tot inkorten)?”. Ik heb even geteld. De brief telt 297 woorden, zit dus wel binnen de limiet van 300 woorden, maar niet binnen de limiet van 250 woorden. Laten we echter de laatste alinea, beginnend met “‘U beschadigt het vertrouwen in de rechterlijke macht’ is een verwijt dat bij de magistratuur los in de mond ligt.” weg, dan houden we 235 woorden over. Dat betekent dat de brief dan zelfs keurig binnen de 250 woorden blijft, maar ook nog een alinea bevat, beginnend met: “Fijn dat onze magistraten ook zelf waken tegen het bezwaar klevend aan functie hoppen.” Het is m.i. duidelijk dat dit niet kon vanwege de normen en waarden van de hoofdredactrice.

Na de brief van Kees le Pair kwam in de NRC van vandaag een brief getiteld: “Bachs Hohe Messe is overduidelijk katholiek”. Ik was even geïnteresseerd in de vraag hoeveel woorden dit stukje bevatte. Hier is het antwoord: 272. Ai! Boven de 250! Maar wat een wereld van geleerdheid wordt hier dan ook niet over ons uitgestort!

Bijvoorbeeld:
“Overigens, de Hohe Messe moge integraal voor het eerst zijn uitgevoerd in 1749, het Kyrië en het Gloria werden al gecomponeerd in 1733 en als proeve van bekwaamheid aangeboden aan de katholieke Friedrich August II, koning van Polen en keurvorst van Saksen.”

Kijk, dit is nu het soort van brieven die een “sieraad voor de krant zijn”, om met Birgit Donker te spreken. Daar is onze kwaliteitskrant heel erg blij mee. Het geeft een bijna cosmetische glans aan de krant. En dat gezeur over onze voortreffelijke Nederlandse juristen en die rechtszaken die niet goed behandeld zouden zijn moet nu maar eens de kop in worden gedrukt!

Dus, de Hohe Messe moge integraal voor het eerst zijn uitgevoerd in 1749, maar het moge ook duidelijk zijn dat de brief van Kees le Pair te pittig was voor de NRC. Sarcasme mag niet, grapjes mogen niet. Men neme een voorbeeld aan de brief “Bachs Hohe Messe is overduidelijk katholiek”, al telt die dan ook meer dan 250 woorden!

Naschrift. (8-8-08). Kees le Pair heeft inmiddels zelf bericht over het door NRC Handelsblad (zonder zijn voorkennis) afhakken van de laatste twee alinea’s van zijn brief, zie: Rechters moet je eren! Vroeger stond er dan in zo’n geval bij een brief: “Van redactiewege bekort”, zodat je wist dat de krant een of andere bewerking op de brief had uitgevoerd.
Ik begin me nu zelf ook enige zorgen te maken dat mijn brief in NRC.Next van 30-7-08 misschien eveneens door de redactie “bewerkt” is. Zelf heb ik deze brief nl. niet in de krant zien staan, omdat ik pas twee dagen later van een redacteur vernam dat hij geplaatst was in de krant van 30 juli (als reactie op een vraag van mij), en omdat ik er via de site niet bij lijk te kunnen komen…
Toevoeging 11-8-08: Het vervolg van dit feuilleton is te vinden in: Hoe worden door NRC.NEXT ingezonden brieven mishandeld?


Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld?

July 26, 2008

De hoofdredactrice van NRC-Handelsblad Birgit Donker zegt in haar Weblog Over wel/niet plaatsen van ingezonden brieven: “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. Ik weet niet hoe het de lezer van deze blog vergaat, maar als ik zoiets lees, denk ik meteen: “sales talk”. Na de opmerking “Een interessante brief is een sieraad voor de krant” maakt Birgit Donker nog wat opmerkingen over hoe een brief moet zijn: een brief moet vooral heel erg netjes, om niet te zeggen braaf, zijn; hij mag bijvoorbeeld vooral niet te emotioneel zijn. Hij mag eigenlijk ook niet geestig of zelfs alleen maar grappig zijn; in een nette krant zoals de NRC moeten nette mensen op een nette en gezagsgetrouwe manier met elkaar communiceren, afgezien van de communicatie die tot ons komt van de achterpagina via bijvoorbeeld Fokke en Sukke en Youp van ‘t Hek. Het geeft niet of de brieven/artikelen op de andere pagina’s de grootste onzin bevatten, als het maar netjes gebracht wordt is het in principe in orde. Dit is natuurlijk meer een samenvatting naar de geest dan de letter van wat Birgit Donker na haar openingszin zegt, maar aangezien ik de link hierboven geef, kan iedereen zelf controleren of ik de geest van wat daar staat hier juist weergeef. Het is overigens wel zo dat er inderdaad bepaalde grenzen zijn; als je bijvoorbeeld Leon de Winter in Elsevier te keer ziet gaan tegen de natuurkundige en vioolbouwer Hajo Meyer in Wat lastige joden leerden van de Holocaust, zou je hem bijna wat van de door Birgit Donker genoemde normen willen aanbevelen. “It’s a fine line”.

Ik heb de laatste 15 jaar in totaal drie brieven naar kranten gestuurd, waarvan twee naar de NRC. De derde reactie ging naar Trouw. Trouw is zo fatsoenlijk om een bevestiging van ontvangst te sturen. Hierop hoeven we bij de NRC niet te rekenen. Bij mijn reactie nummer 1 (van vorig jaar) op een artikel van de rechtspsycholoog Elffers, die mij in de NRC een bewering in de schoenen schoof die precies het tegendeel was van wat ik had gezegd (zie Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren), kreeg ik na enkele weken de mededeling dat er inmiddels al zoveel mensen over dit onderwerp geschreven hadden dat mijn reactie helaas niet meer geplaatst kon worden. Maar eerlijk gezegd heb ik in de NRC geen enkele reactie op het opiniestuk van Elffers gezien. Ik zat in die tijd in Zürich en had met behulp van de echtgenoot van een collega daar nog een plaatje van Joris Goedbloed (met tekst) in mijn antwoord aan Elffers gehesen. Iemand schreef mij toen uit Nederland: “Erg leuk dat plaatje van Joris Goedbloed, maar je begrijpt natuurlijk wel dat het met dat plaatje erbij helemaal nooit in de NRC was gekomen.” Nee, inderdaad, met het leuke plaatje erbij werden de door Birgit Donker genoemde normen en waarden natuurlijk met voeten getreden!

joris.jpg

Per aspera ad pecunia oleo, roepen wij, latinisten, feestelijk uit!

(Joris Goedbloed in Panda en de Olie-Magnaat.)

Deze week voelde ik mij gedwongen een reactie te schrijven op een passage in een redactioneel commentaar van de NRC die mij als grote onzin voorkwam en die bovendien steun verleende aan een gevaarlijk soort ontwikkeling in juridisch Nederland. Het ging hier om het redactioneel commentaar van 16-7-08, getiteld “Ten halve gekeerd”. Dit was de tweede brief die ik ooit aan de NRC heb geschreven. Mijn brief staat aan het eind van deze blog. Ik kreeg natuurlijk geen bevestiging van ontvangst en heb daar toen de dag nadat ik mijn reactie gestuurd had nog eens expliciet om gevraagd. Ook vroeg ik aan een bevriende insider m.b.t. hoe dit soort zaken door de NRC behandeld worden waarom de NRC eigenlijk niet het fatsoen had om een ontvangstbevestiging te sturen, al was het maar een automatische bevestiging van ontvangst. Hij stuurde mij toen een heel uitvoerig antwoord dat ik hier graag zou plaatsen omdat het heel grappig was wat hij vertelde over de gang van zaken bij de NRC wat dit betreft, maar omdat ik zo netjes ben en het privé correspondentie betreft zal ik het niet doen. Hij heeft mij echter toestemming gegeven hieruit te citeren, met de toevoeging: “Het is allemaal waar wat ik zeg”.

Om te beginnen zei hij: “Ze hebben per redactie doorgaans daar een of ander meisje voor zitten die dat afhandelt. Als ik zelf een ingezonden brief stuur, word ik precies zo behandeld als jij, op z’n best krijg ik van zo’n meisje een kort briefje dat er helaas geen plaats is voor mijn bijdrage. In feite is dat erg eigenaardig, maar zo werken ze daar. Ze werken ook met volledig gescheiden redacties per rubriek, zodat het kan gebeuren dat er soms twee artikelen over hetzelfde onderwerp in de krant staan op de verschillende pagina’s.” En verder: “Het heeft dus weinig zin je boos te maken over de gang van zaken daar, want zoals men daar werkt, dat is regelrecht onbegrijpelijk voor een ordelijk denkend mens.” En tenslotte: “Ik wou dat ik je iets leukers kon vertellen, maar helaas, zo gaat het daar, en ‘t is doodjammer want die brief van je is voortreffelijk en ik zou ‘t enorm toejuichen als hij geplaatst werd.”

Hier werd een zwart beeld opgeroepen van de behandeling van brieven van lezers, dat niet helemaal leek te passen bij het adagium van de hoofdredactrice Birgit Donker “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. En inderdaad, al zijn voorspellingen kwamen uit. Eerst kreeg ik een briefje van het secretariaat van de opinie redactie “Dank voor uw ingezonden brief. Wij hebben deze in goede orde ontvangen.” Dat was wel als antwoord op mijn expliciete verzoek om zo’n bevestiging de dag na mijn inzending, maar alla, het gaf toch enige moed dat het niet helemaal hopeloos was. Daarna kreeg ik dezelfde dag nog een e-mailtje van iemand anders van de opinie redactie: “Vriendelijk dank voor uw reactie. We hebben die in goede orde ontvangen. Mocht de vermelding van uw naam en/of woonplaats ontbreken, kunt u die dan alsnog toesturen?” Ik had mijn adres nog niet opgestuurd, dus dat heb ik toen meteen gedaan. Tot mijn grote verbazing kreeg ik echter de volgende dag weer een e-mail van een andere redacteur van de opinie redactie van de NRC met de inhoud: “Uw brief is gearriveerd, maar wij kunnen pas tot plaatsing overgaan als wij uw woonplaats weten. Gaarne deze e-mailen.” Ik heb toen de informatie die ik hierover al aan de NRC had opgestuurd geforward aan de betreffende (andere) redacteur en aan mijn kennis geschreven: “Ik heb een forward van mijn e-mail met adres van gisteren aan beide redacties gestuurd in de hoop dat ze zich een beetje schamen, maar dat zal wel niet het geval zijn!” Hij schreef terug: “Dat ze het adres vragen is een goed teken. Schamen zullen ze zich zeer beslist niet, het slag dat daar zit heeft nog nooit van schaamte gehoord.”

Nu was het zo dat ik een aantal kennissen attent had gemaakt op de betreffende passage in het hoofdartikel dat ging over het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt. Op 18 juli (net terug van vakantie had ik de vorige dag een NRC gekocht; ik ben geen abonnee) schreef ik aan deze kennissen:
“M.i. zou iemand moeten reageren op de volgende zinnen in het hoofdcommentaar van de NRC: “Die keuze is op zichzelf juist. De rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment. Daar zijn ze voor en dat kunnen ze.” Hier staan (zonder argumenten) een aantal beweringen achter elkaar die stuk voor stuk onjuist lijken. Ik heb zelf geen geluk gehad met mijn reacties op onzin in de NRC, maar het lijkt mij van belang dat iemand hier iets over zegt. Anders komen we in Nederland steeds meer in een situatie terecht waarin iedereen die voor het gerecht verschijnt een rechtvaardige behandeling wel kan vergeten.”
Twee van deze kennissen hadden de handschoen opgenomen en een reactie (op het hele commentaar) aan de NRC gestuurd. Deze brieven overschreden de limiet van 250 woorden die de NRC (in de op de opiniepagina hiervoor verstrekte normen) geeft, zodat ik enigszins bevreesd werd dat deze reacties er ook niet doorheen zouden komen.

Wel had ik, ingaand op een verzoek van deze twee schrijvers, wat suggesties gedaan m.b.t. woordkeuze e.d., die gedeeltelijk door hen werden overgenomen. Eén van hen kreeg een bevestiging van ontvangst, de ander niet. Ontvangst bevestigen of niet bevestigen, het is een random proces bij de NRC! Aan één van hen schreef ik: “Laat je me nog even weten of het geplaatst wordt? Ik zag dat je 317 woorden gebruikt, terwijl de NRC maar 250 toelaat. Ik overweeg om zelf ook nog even een korte reactie te sturen, als die van jou er niet in komt.”
Hij schreef terug: “Ik heb nog niets van de NRC gehoord, dus ook geen afwijzing. Niettemin zou ik je willen aansporen zelf ook iets te schrijven en wacht daar niet te lang mee. Op de redactie worden ze sterk beïnvloed door de lezersdruk. Als er veel mensen over iets schrijven is het “hot” en de ruimte waard. Pas bij een lawine van stukken gaan ze dan weer ziften.” Afgezien van het feit dat deze brief van een andere insider m.b.t. de NRC weer een nieuw licht werpt op hoe deze “kwaliteitskrant” omgaat met het nieuws (zou een kwaliteitskrant eigenlijk niet meer aandacht moeten besteden aan het belang van een onderwerp dan aan hoe “hot” dit onderwerp is; is het laatste niet meer de taak van de Telegraaf?), geloof ik inmiddels dat het eigenlijk niet zo werkt. Want….

Het is inmiddels 25 juli. Eén van de twee andere schrijvers (die 746 woorden had gebruikt) heeft te horen gekregen van weer een andere redacteur dat het te lang was (zoals ik trouwens ook al tegen deze schrijver had gezegd): “Dank voor de bijdrage die wij echter niet in deze omvang kunnen plaatsen. Indien u hem wilt bekorten tot max. 300 woorden waarin u bondig uw mening terzake formuleert, zullen wij overwegen hem te plaatsen als ingezonden brief.” Hé, ik had begrepen dat er maar 250 woorden gebruikt mochten worden, maar nu bleek ineens 300 ook te mogen…

Na het inzenden van een kortere versie krijgt deze schrijver op 25 juli op kwart voor tien het bericht: “Hartelijk dank voor toezending van uw brief. De grote hoeveelheid post die wij dagelijks ontvangen dwingt ons echter een selectie te maken en helaas moeten wij u mededelen dat wij uw ingezonden brief (deze keer) niet zullen plaatsen. Het spijt ons u niet anders te kunnen berichten. Met vriendelijke groet, Redactie Opinie, NRC Handelsblad”. De brief wordt door deze briefschrijver aan mij geforward met de mededeling: “Einde oefening. Ik geloof niet dat er ooit een keer een stuk wel geplaatst is.” Wat schetst echter de verbazing van deze zelfde briefschrijver bij het ontvangen om 12 uur dezelfde dag van het volgende bericht van weer een andere medewerker van de NRC: “Dank u voor uw antwoord. Als er in de krant van morgen ruimte is, dan plaats ik hem.”

Om half drie ‘s middags ontvang ik van deze zelfde medewerker (die voor mij een nieuwe ster aan het NRC firmament was; het was althans weer een nieuwe naam voor mij, met een e-mail adres, verschillend van de vorige drie) de mededeling: “Geachte heer Groeneboom, Dank u voor uw heldere en korte brief. Ik had hem graag willen plaatsen, maar er is een groot aantal brieven over dit onderwerp binnengekomen, met dezelfde strekking. Uw brief is daarbij helaas gesneuveld.” Eerlijk gezegd moest ik erg lachen om het woord “gesneuveld”, hoewel dat waarschijnlijk niet de bedoeling van deze redacteur was. En het grote aantal brieven met dezelfde strekking waar hier sprake van is, is dus denk ik gelijk aan drie (maar dit is natuurlijk slechts een vermoeden). Hoe het de andere brievenschrijver van een brief “met dezelfde strekking” is vergaan weet ik op dit moment nog niet. (Toevoeging 27 juli: deze brief is er ook “doorgekomen”, zoals deze briefschrijver mij inmiddels heeft laten weten, zie brieven NRC Handelsblad 26 juli).

Tenslotte komt hieronder de reactie die ik zelf op 22 juli heb ingezonden. Ik moet er nog aan toevoegen dat ik de bewering “Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment” als onjuist beschouw vanwege het woord “terecht”; wie weet is het echter wel juist dat rechters dit als een geuzencompliment beschouwen…

Mijn reactie op het redactioneel commentaar in de NRC “Ten halve gekeerd” van 16-7-08 (minder dan 250 woorden!):

In het redactioneel commentaar van 16-7-08 op het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt, wordt opgemerkt: “Die keuze is op zichzelf juist. De rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment. Daar zijn ze voor en dat kunnen ze.”
Hier staan zonder argumenten een aantal beweringen achter elkaar die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze “op zichzelf juist”? Wat is hiervoor het argument? Lucia de Berk zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.
In het voorstel van minister Hirsch-Ballin worden niet-juristen echter nog steeds geweerd en komt er geen onafhankelijke commissie, zoals bijvoorbeeld in Engeland de Criminal Cases Review Commission (CCRS). Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is. In Nederland zijn sinds 1997 slechts 3 zaken heropend, waaronder de Schiedammer parkmoord, waar een ander dan de veroordeelde heeft bekend.
Minister Hirsch-Ballin en ook Mr. Brouwer haasten zich in interviews steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker? De ervaringen van de CCRS wijzen in een andere richting!

Naschrift. Het is nu vrijdag 1 augustus en inmiddels nog iets gekker geworden. Op maandag 28 juli ontving ik weer een brief van een redacteur van de NRC (of liever gezegd: NRC.Next), waarin werd toegegeven dat het een chaos was en waarin ook werd gezegd (“copy and paste”): “Niettemin was ik nog altijd voornemens u brief te plaatsen in NRC.Next, maar ik kan me voorstellen dat u daar inmiddels bezwaar tegen heeft, gezien uw minder positieve ervaringen met onze twee kranten. Laat ik uw reactie wat dit betreft dus nog maar even afwachten”.

Ik heb het toen even aan mijn “forum” voorgelegd en iedereen vond dat ik maar op dit voorstel in moest gaan. Mijn brief was van vorige week dinsdag (22 juli); niet bepaald een flitsende reactie van de redactie! Het redactioneel commentaar was van nog een week eerder, zodat het zo langzamerhand wel enigszins mosterd na de maaltijd was geworden (wat betreft dit redactioneel commentaar, niet wat betreft de zaak waar het om ging). De brief schijnt inmiddels op 30 juli in NRC.Next verschenen te zijn, zoals ik vandaag van een redacteur als reactie op navraag mijnerzijds mocht vernemen.

Ik ben zelf niet geabonneerd op NRC of NRC.Next (zoals ik boven al opmerkte) en heb mijn reactie niet in de krant gezien, maar ik heb de afgelopen twee weken wel een aantal keren een NRC of NRC.Next gekocht. De keren dat ik deze kranten kocht zag ik daarin geen enkele brief van een lezer. Geen wonder dat ze ruimtegebrek hebben voor brieven! Het is ook weer aardig in verband met de uitspraak van de hoofdredactrice van de NRC “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. Is er niet eerder sprake van een soort verachting voor de lezer – in het bijzonder de lezer die een (kritische) reactie schrijft?

Bij de Volkskrant kan men ook door de krant heenbladeren via “Lees de online krant”. Bij NRC.Next heb ik die mogelijkheid niet ontdekt. Wel kwam ik bij pogingen om te bladeren door NRC.Next terecht bij rubrieken als next.lover (“Meer daten in minder tijd? Ga naar nextlover.nl”), maar daar was ik eigenlijk niet naar op zoek.
Zie aflevering 2 voor verdere ervaringen van een brievenschrijver.