Een Murakami haatmiddag

January 23, 2011

Mijn zoon, die gisteren (22 januari, 2011) moest optreden en daardoor verhinderd was om naar de door de NRC georganiseerde discussiemiddag over Murakami te komen, had mij de elektronische tickets opgestuurd in een zip file, getiteld “Murakami haatmiddag.zip”. Zo had ik het zelf nog niet gezien, maar hij bleek hierbij een vooruitziende blik te hebben gehad. Wel had ik niet erg hoge verwachtingen, zoals ik al zei in mijn vorige blogje Over Murakami, dat eindigde met:

“Dat die Japanse studenten echt van Murakami zijn gaan houden heeft te maken met het bijzondere gevoel dat door zijn boeken bij de lezer (die daar gevoelig voor is) wordt opgeroepen en misschien ook met de afwezigheid van pogingen om de lezer te intimideren of ergens van te overtuigen. Gezien het panel van de NRC dat hier over gaat praten op zaterdag, zijn mijn verwachtingen voor die discussie op zaterdag niet erg hoog gespannen, maar ik ben van plan er na afloop over te berichten. Ik heb me vast voorgenomen me niet al te boos te maken.”

Aan het laatstgenoemde voornemen heb ik me niet helemaal kunnen houden. Ondanks alles had ik me toch wel enigszins op deze middag verheugd, want ik had verwacht dat er echt over de thema’s en de korte verhalen in de bundel “Blinde wilg, slapende vrouw” gepraat zou worden. Maar ik had natuurlijk kunnen weten dat het zo niet gaat in Nederland, waar discussies over boeken al gauw in de moralistische en levensbeschouwelijke sfeer worden getrokken. Met gebruikmaking van een door Menno ter Braak geïntroduceerde term: deze middag zou eigenlijk het beste “Murakami in domineesland” genoemd kunnen worden.

De middag begon, na een wat mij betreft nodeloos lange inleiding van Pieter Steinz, met een betoog van Sanneke van Hassel, die sprak als een bekeerling bij wie de schellen van de ogen waren gevallen. Langzaam maar zeker was de twijfel gaan knagen en was ze gaan inzien dat het toch eigenlijk allemaal maar niks was. Murakami legde te veel uit, als het al lang duidelijk was wat hij bedoelde kwamen er nog wat overbodige zinnen om het nog eens uit te leggen. Het lijkt me dat Sanneke van Hassel het werk van Marcel Proust dan ook maar meteen bij het vuilnis moet zetten, want die schrijver legt vele malen meer uit dan Murakami zonder dat het de bewonderaars van zijn werk erg schijnt te hinderen. Bovendien was het aan Sanneke van Hassel opgevallen dat Murakami’s werk doortrokken was van het zoeken naar zingeving en kosmische verbanden, wat meteen tot de eerste vraag aan het publiek leidde: “Was het publiek ook dit zoeken naar zingeving en kosmische verbanden opgevallen?”

Het publiek werd door Pieter Steinz erg aangemoedigd om hier iets over te zeggen, waarna een mijnheer op de eerste rij zei dat deze visie op het werk van Murakami zijns inziens onzin was en dat Murakami zelf al in een interview had opgemerkt dat hij totaal niet geloofde in paragnostische verschijnselen en “kosmische zingeving”, maar dat al die wonderbaarlijke dingen nu eenmaal uit zijn pen vloeiden; hij wist eigenlijk zelf ook niet waarom het zo ging. Verder zei deze toehoorder ook nog dat hij dacht dat “het religieuze” evenmin in Murakami’s werk gezocht moest worden.

Deze opmerkingen leken echter volkomen in een leegte te vallen, want daarna zei een dame in het gehoor dat ze wel degelijk “het kosmische” in het werk van Murakami onderkende. Elsbeth Etty zag toen haar kans schoon om daar nog een schepje bovenop te doen door in één moeite door Murakami van “ietsisme” te beschuldigen, wat de start was van een lange serie onzinnige opmerkingen over het werk van Murakami die zij deze middag zou gaan maken (later op de middag zou zij er -natuurlijk- de beschuldiging van “seksisme” aan toevoegen; Elsbeth Etty volgend moeten we Murakami misschien een “seksistisch ietsist” noemen). Over dat veronderstelde “ietsisme” werd nog wat doorgeneuzeld totdat Frits Abrahams het woord kreeg. Aangezien hij was aangekondigd als Murakami scepticus had ik verwacht dat hij allemaal negatieve dingen zou gaan zeggen, maar dat viel eigenlijk erg mee. Hij had een vrij genuanceerd oordeel over het boek, waarvan hij sommige verhalen erg goed vond. Hij noemde deze verhalen ook met name, hiermee Elsbeth Etty een houvast gevend om daar later op de middag nog wat over uit te varen.

Daarna was het al gauw pauze, waarna Elsbeth Etty aan de beurt was om haar verhaal te doen. Tijdens haar betoog dat ongeveer 20 minuten in beslag nam, kwamen we vooral veel te weten over Elsbeth Etty. Wat grappig was in verband met het feit dat zij Murakami onder andere van ijdeltuiterij beschuldigde. Ze had dit betoog de afgelopen nacht geschreven. Wat moesten we daar eigenlijk mee? Hieruit afleiden dat ze zich niet goed had voorbereid? Of klappen omdat ze de afgelopen nacht zo’n prachtig verhaal had geschreven? We kwamen ook te weten dat ze het boek van Murakami dat ze moest lezen “gelukkig” was kwijtgeraakt bij een vliegreis, want ze wilde het ook eigenlijk niet lezen, maar ze had toen Murakami maar in het Duits gelezen. Over de vertalingen van Ursula Gräfe is trouwens al eerder in deze blogs gediscussieerd, zie After Dark, en ik had hier eigenlijk ook nog iets over willen opmerken, maar ik kreeg geen kans.

Verder had Elsbeth Etty het over haar verblijf in het ziekenhuis, waar ze onder andere de volgende passage uit het titelverhaal van de bundel had gelezen, waarbij de ik van het verhaal in de kantine van een ziekenhuis zit:

“Aan het tafeltje naast ons zat een keurig echtpaar van middelbare leeftijd een broodje te eten en te praten over hun kennis die met longkanker in het ziekenhuis lag. Dat hij vijf jaar geleden was gestopt met roken, maar dat het toch te laat was geweest, dat hij ‘s ochtends bij het opstaan bloed ophoestte – zo’n soort gesprek. De vrouw stelde vragen, de man gaf antwoord. De man legde uit dat kanker in zekere zin ook een uitkristallisering was van iemands levenshouding”.

Elsbeth Etty had zich bijzonder gestoord aan deze passage. Ze had zelf veertig jaar gerookt en was ook bang longkanker te krijgen. Ik begreep uit haar betoog zoiets als: “Nou, dan lig je in het ziekenhuis, bang voor longkanker, en dan lees je zo’n ongevoelige passage. Daar zit (lig) je dan toch ook niet op te wachten!”. Terwijl Murakami hier volgens mij alleen maar (vrij goed) het soort gesprek dat je in zo’n kantine van een ziekenhuis kan beluisteren weergeeft zonder daar een oordeel aan te verbinden. Het lijkt net alsof onze bijzonder hoogleraar Literaire Kritiek hier wat een personage in een boek zegt gelijkstelt met de mening van de schrijver! Terwijl toch het begin van alle literatuurwijsheid is deze elementaire fout niet te maken!

Zelf moest ik bij deze passage sterk denken aan de laatste alinea van “De ondergang van de familie Boslowits” van onze eigen volksschrijver Gerard Reve. (Het feit dat Murakami eigenlijk ook een “volksschrijver” is werd gelukkig benadrukt door een Japanse dame, met wie ik na afloop nog even heb gesproken. Ten overvloede: “volksschrijver” is hier niet pejoratief bedoeld, i.t.t. de opmerking van Elsbeth Etty dat Murakami met McDonalds kon worden vergeleken; inderdaad begint overigens “After Dark” in Denny’s, één van de redenen waarom Murakami wel “postmodern” wordt genoemd, de hoofdpersonen verkeren meestal niet in de “high society” en als er over muziek wordt gepraat is het niet altijd – maar vaak ook wel- over klassieke muziek.)

(Laatste alinea van “De ondergang van de familie Boslowits”:)
“Tot die tijd besprak men alle dingen: de afstanden der planeten, de vermoedelijke duur van de oorlog en het al dan niet bestaan van een god. Ook namen beide mannen kennis van de mededeling van de verpleegster, die wist te vertellen, dat het geld van oom Hans zeker nog tot een jaar onderhoud had kunnen strekken. `Dat is de reden niet geweest’, zei ze”.
(Dit nadat oom Hans gestorven is, waarschijnlijk na het innemen van een overdosis achtergehouden slaappillen.)

Opmerkelijk genoeg kreeg na de uiteenzetting van Elsbeth Etty over haar verblijf in het ziekenhuis een arts in het gehoor de microfoon, die onder bijval van het publiek Elsbeth Etty een nog veel hardere variant van de passage die zij net had voorgelezen voorschotelde. Hij zei: “Als mevrouw Etty al veertig jaar gerookt heeft, kan ze rustig doorgaan met roken, het maakt nu toch niet meer uit.” Waarna deze arts nog even zijn onvrede uitte over het lage peil van de commentaren van het panel, waarin hij zich in het geheel niet kon vinden. Wat dit betreft moet ik echter een uitzondering maken voor Frits Abrahams, die zelfs nog even een aspect van het verhaal “De zevende man” aan Elsbeth Etty probeerde uit te leggen. Verspilde moeite, leek me. Ook de voorzitter Pieter Steinz liet zich af en toe wat genuanceerder uit.

Het is overigens heel begrijpelijk dat Murakami geen BJ-er (Bekende Japanner) wil worden die dan zou optreden in talk shows om onzinnige vragen te beantwoorden of om te praten over dingen waar hij geen verstand van heeft, op de manier waarop Elsbeth Etty nu optrad in deze discussiemiddag.

Naschrift (26-1-11). Iemand maakte mij attent op het feit dat Frits Abrahams gisteren (dinsdag 25 januari) ook nog even zijn licht heeft laten schijnen op de discussiemiddag. Hij kreeg compassie met het publiek (zo schreef hij). Gelukkig had het publiek geen compassie met de domme opmerkingen van de leden van het panel! In het bijzonder was geen compassie met de opmerkingen van Elsbeth Etty (zie het commentaar van de arts in het publiek hierboven). “Stevige kritiek” lijkt mij ook te veel eer voor de bijdrage van Elsbeth Etty. “In het wilde weg schelden” geeft haar bijdrage beter weer.
Overigens, van NRC zijde wordt steeds gesuggereerd dat bewonderaars van Murakami geen kwaad woord over hem kunnen horen. Ik weet niet waar men dat vandaan heeft, maar het is niet waar. De meeste mensen die van zijn werk houden en die ik hierover gesproken heb, hebben een vrij genuanceerde mening over zijn boeken: een aantal daarvan vinden ze heel goed, andere weer niet. Dat bleek afgelopen zaterdag in het theater aan het Spui ook weer het geval te zijn. En zelf vind ik bijvoorbeeld het boek “Ten zuiden van de grens” niet erg geslaagd, terwijl dat kennelijk nu juist op Frits Abrahams veel indruk heeft gemaakt. Maar het is natuurlijk het gemakkelijkste om de mensen in het gehoor die zich stoorden aan domme opmerkingen van het panel als “Murakami aanhangers die geen kwaad woord over hem willen horen” te beschouwen.
Misschien zijn de liefhebbers van de tamelijk zachtaardige Murakami in het algemeen wat genuanceerder dan zijn tegenstanders, die al gauw hun toevlucht nemen tot een ongenuanceerde schreeuwpartij, zoals bijvoorbeeld ook na zijn lezing ter gelegenheid van de Jeruzalem prijs voor literatuur in 2009 (die aan hem werd toegekend). Bepaalde passages in zijn lezing werden opgevat als “het opnemen voor de Palestijnen” en dit heeft hem heel wat haatmail bezorgd!

Advertisements

Over Haruki Murakami

January 17, 2011

In 2007 kocht ik in een stationsboekwinkeltje in Zürich “After Dark” van Haruki Murakami, zie After Dark. In een Duitse vertaling, want daar was natuurlijk geen Engelse of Nederlandse vertaling. Later heb ik ook de Engelse vertaling gelezen, waarin een toch wel belangrijke figuur in dit boek, die in het Duits met “Grossvater” werd aangeduid in het Engels een “uncle” was geworden. In het Duits was hij een “Lebemann”, wat in het Engels “playboy” was geworden.
Ik heb het (Japanse) origineel niet gezien, maar ik ben er eigenlijk van overtuigd dat de Duitse versie dichter bij het origineel zal staan. Waarom? Het is moeilijk daar “harde feiten” voor aan te voeren, maar het is gebaseerd op een totaalgevoel over deze roman, dus gebaseerd op de context waarin deze grootvader/oom een rol speelt.

Sinds ik dat eerste boek van Murakami heb gelezen, heb ik alles van hem gelezen, zelfs zijn boek over het lopen van marathons, en ik zal ook, zodra deel 3 van de trilogie 1q84 uitkomt dit gaan lezen. Aanstaande zaterdag 22 januari is er een discussiemiddag van de NRC, waar ik door één van mijn zoons (die geabonneerd is op de NRC; ik zelf ben dat niet meer) voor ben uitgenodigd. Er zal dan in het bijzonder gediscussieerd worden over “Blinde wilg, slapende vrouw”.

Ik stond eens in de Engelse vertaling “Blind willow, sleeping woman” te lezen op een tramhalte, toen er een leuk meisje op mij afkwam, die tegen mij zei: “Geweldig boek is dat, hè? Ik heb het ook gelezen. Kun jij me een ander boek van hem aanraden?”. Bijna een gebeurtenis die ook in een boek van Murakami zelf zou kunnen voorkomen; iets van deze aard was mij nog nooit overkomen. Ik geloof dat ik haar “Norwegian Wood” heb aangeraden. Nu zou ik misschien “Dans, dans, dans” aanraden.

Zoals al vaak is opgemerkt is “Norwegian Wood” Murakami’s gewoonste boek; het regent niet bloedzuigers, er zijn ook geen geheimzinnige schaapmannen, die alleen op bepaalde tijden waargenomen kunnen worden op de tiende verdieping van het Dolfijn hotel (als ik me het goed herinner). Er is nu zelfs een film “Norwegian Wood”, maar ik heb hem nog niet gezien en vrees eigenlijk het ergste, hoewel hij moeilijk zo beroerd kan zijn als de film “De eenzaamheid van de priemgetallen”, die gebaseerd is op het gelijknamige boek van Paolo Giordano.

Ooit heb ik een filmpje gezien over Murakami, waarbij Japanse studenten werden geïnterviewd. Wat mij daarbij heel erg opviel was: die studenten hielden echt van Murakami. Ik geloof een beetje op dezelfde manier als waarop Murakami zelf van zijn eigen romanfiguren gaat houden tijdens het schrijven. Hij heeft bijvoorbeeld eens gezegd over één van de hoofdpersonen van “Kafka aan het strand” (ik meen Nakata, maar het zou ook de vrachtwagenchauffeur Hoshino kunnen zijn): “Ja, ik ging tijdens het schrijven steeds meer van hem houden”. De Nederlandse vertaling heet trouwens “Kafka op het strand”, maar ik heb een voorkeur voor “Kafka aan het strand”.

Dat die Japanse studenten echt van Murakami zijn gaan houden heeft te maken met het bijzondere gevoel dat door zijn boeken bij de lezer (die daar gevoelig voor is) wordt opgeroepen en misschien ook met de afwezigheid van pogingen om de lezer te intimideren of ergens van te overtuigen. Gezien het panel van de NRC dat hier over gaat praten op zaterdag, zijn mijn verwachtingen voor die discussie op zaterdag niet erg hoog gespannen, maar ik ben van plan er na afloop over te berichten. Ik heb me vast voorgenomen me niet al te boos te maken.


De eenzaamheid van de priemgetallen

October 4, 2009

Gisteren las ik het boek “De eenzaamheid van de priemgetallen”. Ik kreeg het te leen van iemand die er niets aan vond. Het gaat overigens helemaal niet over priemgetallen, maar over twee mensen die zich gedragen als een “priemtweeling”. De schrijver is een jonge Italiaanse natuurkundige: Paolo Giordano.

Eerlijk gezegd had ik geen hoge verwachtingen. Maar dat was ten onrechte! Het is een fantastisch boek. Het lijkt één lange hallucinatie en het is niet een boek waar je vrolijk van wordt. Maar iets dat goed geschreven is of goed gedaan, geeft mij toch altijd iets waar ik een zekere dankbaarheid voor voel. Hieronder komt een passage uit het boek, waarin beschreven wordt hoe de manlijke hoofdpersoon van het boek, die wiskunde studeert (Mattia), de priemtweelingen met zichzelf en de vrouwelijke hoofdpersoon (Alice) van het boek vergelijkt.

“Tijdens college in het eerste jaar had Mattia geleerd dat er onder de priemgetallen nog specialere getallen waren. Die noemden wiskundigen tweelingpriemgetallen: dat zijn paren van priemgetallen die vlak bij elkaar staan, zo goed als naast elkaar zelfs. Want ertussenin staat altijd een even getal dat ze belet elkaar echt te raken. Getallen zoals 11 en 13, 17 en 19, 41 en 43. Als je het geduld hebt om door te tellen, kom je erachter dat die paren steeds zeldzamer worden. Je stuit op steeds geïsoleerder priemgetallen, verdwaald in die stille, ritmische, louter uit getallen bestaande ruimte, en je krijgt het angstige voorgevoel dat de paren die je tot dan toe hebt gevonden op toeval berusten, dat elk getal in wezen voorbestemd is alleen te blijven. En dan, net als je op het punt staat het op te geven, als je geen zin meer hebt om te tellen, stuit je op nog twee tweelingpriemgetallen die zich aan elkaar vastklampen. Wiskundigen zijn het erover eens dat er, hoe lang je ook doorgaat, altijd weer twee zullen zijn, al kan niemand zeggen waar, zolang ze nog niet zijn ontdekt.
Mattia dacht dat Alice en hij zo waren, twee tweelingpriemgetallen, alleen en verloren, vlak bij elkaar, maar niet dicht genoeg om elkaar echt te raken.”

Hier moet ik wel even een kanttekening bij maken. Ik heb het toevallig ook al over die priemtweelingen gehad in mijn afscheidsrede Summa Cogitatio, zie Nieuw Archief voor Wiskunde p. 124 en 125 en tabel 1. Het is niet bewezen dat er oneindig veel zijn! Wel is er een vermoeden dat er oneindig veel zijn, en ik denk zelf ook dat er oneindig veel zijn, maar het is niet bewezen! Ik moest even denken aan de grap die onlangs in de (bijzonder leuke) rubriek “Wiskundemeisjes” van de Volkskrant werd verteld: een natuurkundige, een wiskundige en een logicus reizen door Schotland met de trein, en zien een zwart schaap in de wei staan. De natuurkundige zegt: “Hé, de schapen in Schotland zijn zwart!”. Nee, zegt de wiskundige, “je bedoelt: er is minstens één zwart schaap in Schotland”. Nee, zegt de logicus, “we weten alleen dat er minstens één schaap in Schotland is dat aan minstens één kant zwart is”. In deze zin moet misschien de opmerking van de schrijver (die natuurkundige is): “wiskundigen zijn het erover eens dat…” (er oneindig veel priemtweelingen bestaan) geïnterpreteerd worden.

Maar goed, daar gaat het boek eigenlijk niet over. Het gaat over hoe de twee hoofdpersonen op hun eigen manier reageren op een verschrikkelijke gebeurtenis in hun jeugd. Verder speelt het thema “verdwijnen” een grote rol in het boek. Net zoals de priemtweelingen in een bepaalde zin “verdwijnen” in de ruimte van natuurlijke getallen (maar of ze op een gegeven moment voorgoed zullen verdwijnen of met -in het algemeen- steeds grotere tussenpozen terug zullen blijven komen weten we dus nog steeds niet, meer dan 2000 jaar nadat Euclides bewezen heeft dat de priemgetallen zelf wel terug blijven komen) verdwijnt het tweelingzusje van Mattia (weer die tweeling) plotseling nadat hij haar op een bank in een park heeft neergezet, en verdwijnt hij zelf door zich op te sluiten in zijn kamer en met niemand om te gaan. Alice verdwijnt eerst in de mist op de skipiste en probeert vervolgens te verdwijnen door bijna niets meer te eten. En natuurlijk is er het thema van de eenzaamheid: Mattia en Alice “herkennen elkaars eenzaamheid”.

Een grappig detail is dat het onsympathiekste en wreedste personage in het boek (Viola) kiest voor… rechten als studie en in dit verband ook opmerkt dat wiskunde onbelangrijk is (want ze gaat toch rechten studeren). Ook zeer herkenbaar was de voorkeur van Mattia om overdag bij kunstlicht met gesloten gordijnen te willen werken aan zijn wiskunde. Hij past trouwens wel weer helemaal in het beeld van de “mad mathematician” dat wordt opgeroepen aan het begin van de amusante blog van Timothy Gowers: When normality is abnormal.


Brise marine

September 2, 2009

In de discussie tussen Jan en Willem “Wat is een goede leraar?” komt het gedicht “Brise Marine” ter sprake, dat ik hieronder voor de volledigheid even helemaal geef. Toen ik dit gedicht voor de eerste keer las was ik vooral verbaasd over dat “et j’ai lu tous les livres”. Ik denk dat dit er voornamelijk staat vanwege het erop volgende “Je sens que des oiseaux sont ivres”. En dat vond ik wel weer een mooi beeld, “dronken vogels”, dus dan nam ik dat “et j’ai lu tous les livres” op de koop toe. Er was nu eenmaal in die tijd de dwang om te rijmen. Maar ik las ergens dat dit “et j’ai lu tous les livres” gezien zou moeten worden als een toespeling op Goethes Faust (“savant qui s’ennuie”), zie: Brise marine (Mallarmé, poésies, 1887). Misschien…

Ook zit natuurlijk de associatie moeder-boot in dit gedicht (net als bijvoorbeeld in Nijhoffs gedicht “Ik ging naar Bommel om de brug te zien”).

Hoewel ik nog wel wat meer gedachten over dit gedicht heb, wilde ik echter even ingaan op iets anders, nl. dat het aan komen zetten met een gedicht als dit het volgende gevoel bij mij opwekt: schaamte. Alleen al al die uitroeptekens. (Ik bedoel: Alleen al al die uitroeptekens!).

Even iets over uitroeptekens. Er was een tijd dat ik helemaal geen uitroeptekens meer zette. Maar omdat mijn vrouw (in die tijd) iets zei in de trant van: “Stel je toch niet zo aan met die uitroeptekens, wat is er nou eigenlijk tegen het zetten van uitroeptekens?”, ben ik toen toch maar weer uitroeptekens gaan zetten. Maar een beetje voorzichtig met uitroeptekens moet je toch wel zijn. Er was een vertaling van Homerus van Timmermans waarin zo ongeveer achter elke zin een uitroepteken stond:

Schitterend, ja, om te zien is; maar geestkracht of weerkracht, geen schaduw!
Hebt ge ‘t, zo’n held! waarachtig gewaagd met uw schepen te varen
Over het diep! Hebt ge daarvoor ook nog kameraads kunnen vinden!
Hebt ge inderdaad het gewaagd onder vreemde mensen te leven!
En ook een vrouw durven schaken, zo lieflijk van aanschijn, de zuster
Dier krijgshaftige strijders uit landen, zo verweg gelegen!

Dat is toch echt iets te veel van het goede. En misschien is er nog wel iets meer aan te merken op deze vertaling… Maar ik dwaal af. Een zekere bombast in het gedicht van Mallarmé kan niet ontkend worden. En als je je dan voorstelt dat een leraar dit dan ook nog eens op gezwollen toon gaat voorlezen in de klas, een gezwollenheid waartoe ook die uitroeptekens toch wel uitnodigen, dan kun je je best voorstellen dat de Franse collega van W. dacht: “Dit gedicht, daar wil ik niets meer mee te maken hebben. En ik heb het nog uit mijn hoofd moeten leren ook!”.

Brise marine

La chair est triste, hélas! et j’ai lu tous les livres.
Fuir! là-bas fuir! Je sens que des oiseaux sont ivres
D’être parmi l’écume inconnue et les cieux!
Rien, ni les vieux jardins reflétés par les yeux
Ne retiendra ce cœur qui dans la mer se trempe
Ô nuits! ni la clarté déserte de ma lampe
Sur le vide papier que la blancheur défend
Et ni la jeune femme allaitant son enfant.
Je partirai! Steamer balançant ta mâture,
Lève l’ancre pour une exotique nature!
 
Un Ennui, désolé par les cruels espoirs,
Croit encore à l’adieu suprême des mouchoirs!
Et, peut-être, les mâts, invitant les orages,
Sont-ils de ceux qu’un vent penche sur les naufrages
Perdus, sans mâts, sans mâts, ni fertiles îlots…
Mais, ô mon cœur, entends le chant des matelots!


Jan en Willem discussiëren over het thema “Wat is een goede leraar?”

August 31, 2009

J. Ik las dat stukje Wat is een goede leraar? van je collega Piet Groeneboom.
W. Ja, ik heb het ook gelezen.
J. Een belachelijk stukje!
W. Hoezo?
J. Het is volkomen irreëel wat daar in staat. Laat ik even in de mannelijke vorm spreken, hoewel wat ik zeg natuurlijk evenzeer geldt voor leraressen.
Een leraar heeft bepaalde onderwijsdoelen. Daar wordt hij op afgerekend. Hij moet onwillige kinderen klaarstomen voor het eindexamen. Stampen en veel sommetjes maken, dat is waar het om gaat! Zo niet goedschiks dan wel kwaadschiks! De leraar moet er gebruik van maken dat kinderen op die leeftijd nog een soort sponzen zijn die enorm veel in zich kunnen opnemen. Dus die leerlingen moeten vooral veel woordjes uit het hoofd leren.
W. Laat ik even ingaan op “Zo niet goedschiks dan wel kwaadschiks!”. Besef je wel dat er leerlingen zullen zijn die het gewoon zullen verdommen om te “stampen”? Die zullen proberen de kantjes er af te lopen en bij wie dat soort dwang een averechts effect zal hebben? En dat dit niet noodzakelijkerwijs de allerdomsten zullen zijn?
J. Dat ze niet willen stampen laat al zien dat het waarschijnlijk domoren zijn die niet eens kunnen stampen. Hoe denk dat je een rechtenstudie kunt voltooien zonder stampen?
W. Ja J., ik heb geen rechten gestudeerd zoals jij, dus ik heb daar geen ervaring mee. Maar laat ik eens een voorbeeld geven van wat me op school niet beviel. Onze Franse lerares las het gedicht van Verlaine “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” voor.
J. Ja, dat prachtige gedicht!
W. Mmm… Ik herinner me nog dat ik toen ze dit voorlas dacht: “Daar wil ik niets mee te maken hebben”.
J. Wat laat zien dat jij geen gevoel voor literatuur hebt, je bent nu eenmaal een echte beta!
W. Misschien. Maar laat me even uitleggen waarom ik dat dacht. Het was de gezwollen toon waarop dit werd voorgelezen. Ik voelde het als het doorgeven van een dogma. Het dogma “Dit is een prachtig gedicht, dit horen jullie allemaal mooi te vinden”.
J. Het is ook een prachtig gedicht, zelfs jij zou dit mooi moeten kunnen vinden, als je ook maar een greintje gevoel voor literatuur en dichtkunst had!
W. Je begrijpt niet wat ik bedoel J.! Laten we even afzien van de vraag of dit een goed of slecht gedicht is. De kwestie is dat toen dat zo gezwollen werd voorgelezen, ik dacht: gatver, ik wil daar niets mee te maken hebben! En dat er natuurlijk op dezelfde manier legio leerlingen zullen zijn die dat ook zullen denken.
J. Hoe moet het volgens jou dan wel?
W. Ik denk dat de methode van die schaakleraar in het boek “Spel” van Stephan Enter die in dat belachelijke stukje (jouw woorden) ten tonele wordt gevoerd zo gek nog niet is. Ik denk dat een leraar heel erg terughoudend moet zijn.
Ik heb ergens gelezen dat iemand ‘s avonds in een tuin wandelde en daar de Franse dichter Mallarmé tegenkwam die tegen hem zei: “Ik heb net deze zin bedacht die ik zelf erg mooi vind, zou u er misschien nog een betekenis aan toe kunnen kennen?” Dat sprak me wel erg aan.
J. Sprak je wel erg aan?
W. Ja, omdat ik denk dat een gedicht toch een beetje raadselachtig moet zijn, een verrassingselement moet hebben, en moet beginnen vanuit de klank. Aan “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” is niets raadselachtigs of verrassends, je begrijpt meteen dat Verlaine dacht: “pleure”, “coeur” en “pleut”, daar kan ik iets moois mee fabriceren.
J. Maar het begint wel vanuit de klank en dat wil je dus.
W. Ja, O.K. Het begint vanuit de klank, maar het is me allemaal net iets te voor de hand liggend.
J. O god, krijgen we dat. Het moet van jou natuurlijk allemaal diep en raadselachtig zijn. Zo’n mooi lekker in het oor liggend gedicht als van Verlaine mag weer niet.
W. Laten we even van Verlaine afstappen en het over Mallarmé hebben. Ik was onlangs op een conferentie in Göteborg en toen liep ik met een aantal Fransen langs de haven en zei “Brise marine”.
Bij Franse academici heb je altijd mensen die op de “Ecole normale supérieure” zijn geweest en mensen die daar niet op zijn geweest. De mensen die op de “Ecole normale supérieure” zijn geweest zeggen altijd dat het niet erg is als je er niet op bent geweest en de mensen die er niet op zijn geweest zeggen toch wel vaak dat ze opzien tegen mensen die er wel op zijn geweest. Eén ding is duidelijk: het is voor die Franse academici een heel erg belangrijk thema.
Maar goed, toen ik dus zei “Brise marine”, zei de Fransman van de Ecole normale superieure: “La chair est triste, hélas! et j’ai lu tous les livres.” En ik weer: “Fuir! là-bas fuir!” Het is bijzonder leuk om elkaar met citaten uit gedichten om de oren te slaan!
Maar wat bleek: hij vond er niets aan, aan dat gedicht. Hij had het op school uit zijn hoofd moeten leren. De kleinburger die droomt van het ‘t ruime sop kiezen, alles achter zich te laten, zo ongeveer dacht hij over dit gedicht. Maar ik denk eigenlijk dat hij aan dat gedicht zo de pest had omdat hij op school een soortgelijke ervaring had doorgemaakt als ik bij dat gedicht van Verlaine. Dat “Fuir! là-bas fuir!” sprak mij juist heel erg aan, omdat ik dat op school ook altijd zat te denken: was ik maar ergens anders, zat ik maar op een boot op de wilde vaart of zo. Ik had natuurlijk helemaal geen Mallarmé gehad op school, dus ik las het “onbelast”. En overigens kwam ik tot Mallarmé en Valéry via Vestdijk, die daar enorm goede essays over heeft geschreven.
J. Kijk, kijk, je bent dus niet helemaal ongeletterd. Maar wat is nu de pointe van deze uiteenzetting?
W. De pointe is de terughoudendheid die een leraar moet betrachten. Hij moet beseffen dat veel van de leerlingen, als het tenminste niet enorme braverikken zijn, eigenlijk niets willen weten van zijn wereld, en dat het zwelgen in gedichten als “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” alleen maar hun walging opwekt.
J. Ten onrechte!
W. Misschien J., maar toch zouden die leraren zich dat meer moeten realiseren. Wij lazen op school ook het boekje “Prose d’aujourd’hui”. Daar stond een kort stukje uit La nausée van Sartre in, waarin hij beschrijft dat hij in de mist loopt. Dat vond ik nu ineens fantastisch! Er gebeurt ongeveer niets, maar het is buitengewoon goed geschreven. Maar Sartre en La nausée, dat was natuurlijk niets voor die christelijke school waar ik op zat. Ik heb later het hele boek gelezen.
J. Nausée, daar had je zeker erg veel last van toen je op school zat?
W. Ja J., dat heb je goed gezien, ik was één bonk nausée. Woordjes leren, luisteren naar gezwollen voordrachten, stupide sommetjes maken, verschrikkelijk! Ik las thuis boeken over wis- en natuurkunde, als tegenwicht tegen de saaiheid van wat ik op school moest doen, bijvoorbeeld het enorm leuke boek van Fred Schuh “Spelen met getallen” en “Eén, twee, drie… oneindig” van Gamow.
J. Nou, nou, je kunt toch niet van de gemiddelde leerling verwachten dat hij dat ook gaat doen?
W. Als er ook maar iets, iets… van wat er werkelijk in de wis- en natuurkunde gebeurt was onderwezen op school, o, hoe anders zou mijn leven dan, in ieder geval op school, zijn geweest! Ik mocht er zelfs niet over praten, omdat dit onmiddellijk door de wiskundeleraar als “geleerd doen” werd neergesabeld.
Ik had bijvoorbeeld net gelezen hoe je betekenis kon toekennen aan wortels uit negatieve getallen (derde klas) in het platte vlak. Het was voor mij een openbaring! Ik zei er iets over op de wiskundeles, omdat de leraar altijd riep: “De wortel uit min één bestaat niet”. Toen hij dat weer eens riep, riep ik: “De wortel uit min één bestaat wel, het is een imaginair getal!”. Misschien had ik beter kunnen roepen “complex getal” om het woord “imaginair” te vermijden, dat inderdaad suggereert dat het niet bestaat. Maar wat werd hij boos op mij! Hij zei: “Voor jullie bestaat de wortel uit min één niet!” en kwalificeerde wat ik daar over zei als “geleerd doen”. Ik las in die tijd ook het boek “Inleiding tot de logica” van Tarski, dat ik van mijn zakgeld had gekocht, maar ik durfde dat na deze ervaring niet te vertellen aan mijn leraren.
J. Het is wat! Ik heb mijn schooltijd heel anders ervaren. Ik vond het heel leuk op school. En dan die schoolfeestjes en klasse avonden, dat was toch verdomd gezellig! Het heeft zich bij mij naadloos voortgezet in mijn studententijd, waarin ik, zoals je weet, rector van de senaat van het corps ben geweest. Dat was ook een verdomd gezellige tijd.
Wat jij daar beschrijft, dat zijn dingen die je op school nog niet moet doen. En ach, een beetje woordjes leren en sommetjes maken tussendoor, is dat nou zo erg? De school is toch een voorbereiding op het (sociale) leven? Dat is toch ook waar het studiehuis over ging? In groepjes werken aan iets? Je moet toch leren netwerken en leren met je medeleerlingen om te gaan? Dat is waar het om gaat!
W. Het is duidelijk dat we er anders over denken. En het is inderdaad jammer dat er niet verschillende scholen zijn voor verschillende types leerlingen. In Rusland is dat wel zo, gek genoeg. In Nederland hebben we het te druk met het stichten van allemaal verschillende scholen op levensbeschouwelijke basis!


Wat is een goede leraar?

August 28, 2009

Net een reünie van mijn oude klas achter de rug, waarbij de vraag aan de orde was: “Wat is een goede leraar?”. Ik ben zelf geneigd daarop te antwoorden: “Een goede leraar is iemand die aanzet tot zelfstandig denken”. Ja maar, zeggen anderen dan: “Als je een vreemde taal wilt leren, moet je woordjes leren, moet een leraar je niet gewoon dwingen om woordjes te leren?”. En: “Als je wiskunde wilt leren, moet je toch een hoop sommetjes maken, moet de leraar je niet gewoon trainen in het sommetjes maken?”.

Om met het laatste te beginnen: te denken dat het onderwijzen van wiskunde bestaat uit het africhten in sommetjes maken is m.i. een misverstand. Bij het dwingen tot eindeloos maken van allemaal stompzinnige algebra opgaven (en vooral: veel van die sommen binnen de gestelde tijd!) worden robots gekweekt, die zich als goed geoliede machines van de hun gestelde taken kwijten.

In het boek van Stephan Enter “Spel” is een buitengewoon boeiend hoofdstuk dat het wel en wee van een jeugd schaakclub beschrijft. Hier is een korte samenvatting. De leden van de schaakclub hebben les van iemand die ik nu maar even zal aanduiden met “de majoor”, die de leerlingen steeds opgaven voorzet van het type: “Wit wint door mat in drie zetten. Vind deze zetten”. De majoor is echter tijdelijk niet beschikbaar en er komt een invaller die niet zo kien is op dit soort opgaven (overigens zonder ze onmiddellijk af te wijzen) en die wat aarzelender over e.e.a. praat. Meer in de trant van: “Tja, wat zouden we hier eens kunnen doen?” of “Hoe zou Wit hier de aanval op de damevleugel eens kunnen voortzetten?”. En de leden van de schaakclub slaan vanzelf aan het meedenken. Ze merken niet onmiddellijk dat ze hier iets aan hebben, maar als ze in een toernooi spelen blijken ze tot hun stomme verbazing enorm te zijn vooruitgegaan: ze winnen meer partijen dan ze verliezen en de hoofdpersoon krijgt zelfs een medaille voor de achtste plaats!

Ze gaan na dit toernooi naar huis in het door de schaakcoach gecharterde busje en zijn natuurlijk behoorlijk blij met dit resultaat. Dan komt er echter nog een ander thema aan de orde dat te maken heeft met de homoseksualiteit van deze invaller, waar deze leerlingen ook weet van hebben. Ik zal niet verklappen wat er dan precies gebeurt, maar in ieder geval is het tevens het afscheid van deze invaller en komt daarna de majoor weer terug met zijn “Mat in drie zetten” problemen, dat door de leerling die een enigszins kwalijke rol in de bustocht naar huis na het toernooi heeft gespeeld als eerste wordt opgelost.

Wat hier beschreven wordt is misschien een fantasie (hoewel het verslag van de gebeurtenissen wel kenmerken heeft die doen vermoeden dat iets van deze aard echt heeft plaatsgevonden); ik denk ook dat een dergelijke vooruitgang onder een goede docent wel mogelijk is. Zo’n vooruitgang is niet mogelijk onder een docent die elk zelfstandig denken in de kiem smoort (tenzij de leerlingen zich daar niets van aantrekken en toch zelf aan het denken slaan; maar zo zal het meestal niet gaan, vrees ik).

Wiskunde is een vak dat zich ontwikkelt en is niet “sommetjes maken”. De mentaliteit die op het laatste de nadruk legt doet mensen ook geloven dat de wiskunde “af” is. Niets is minder waar! Er zijn miljoenen te verdienen bij het oplossen van de onopgeloste Millennium Prize problems van het Clay Institute zie: Millennium problems.

Zijn er oneindig veel priemtweelingen? D.w.z. oneindig veel tweetallen priemgetallen van het type 3,5 of 17,19? (Voor meer informatie, zie: Twin prime.) We weten het antwoord nog steeds niet, hoewel (volgens waarschijnlijk apocriefe bronnen) Euclides het vermoeden dat het er oneindig veel zijn mogelijk al circa 300 jaar voor Christus heeft geformuleerd. En zo wemelt het in de wiskunde van vermoedens waarvan de meeste wiskundigen wel denken dat ze waar zijn, maar waarvoor helaas(?) nog steeds geen bewijs gevonden is.

Nu nog: “Als je een vreemde taal wilt leren, moet je woordjes leren, moet een leraar je niet gewoon dwingen om woordjes te leren?” Toen ik voor de eerste keer naar Amerika ging om daar les te geven aan de universiteit (in wiskunde en statistiek), was ik vergeten een woordenboek mee te nemen. Had ik daar last van? Nee, helemaal niet! Dat was in 1979. Tegenwoordig is het nog gemakkelijker, want je kunt even kijken op internet als je een woord niet weet. En in Amerika kon ik gewoon aan een vriend vragen om een woord te omschrijven dat ik niet thuis kon brengen of ik kon zelf uit de context “an educated guess” doen.

Als je Homerus wilt lezen, moet je dan vooraf heel veel Griekse woordjes hebben geleerd? Ik heb zelf, net als mijn klasgenoten, het begin van het zesde boek van de Odyssee uit mijn hoofd geleerd. Later heb ik op soortgelijke manier gedichten van Mallarmé uit het hoofd geleerd. In beide gevallen begreep ik aanvankelijk niet meteen wat er stond. Maar in beide gevallen heb je te maken met iets dat je misschien de “muziek van de taal” zou kunnen noemen. Daar moet je m.i. zo dicht mogelijk bij proberen te blijven.

Het viel me op toen ik Homerus las met mijn grootvader, die classicus was, dat hij zelfs de woordvolgorde niet wilde veranderen bij het vertalen in het Nederlands. Hij probeerde buitengewoon dicht bij de oorspronkelijke melodie te blijven, zal ik maar zeggen. Daarbij vergeleken was het “woordjes leren, woordjes leren” van mijn toenmalige leraar Grieks de botte bijl. En verhield deze leraar Grieks zich tot mijn grootvader als de boven beschreven majoor tot “de invaller” bij de schaakclub van Stephan Enter. Grammatica en woordjes leren hoort er natuurlijk wel bij, maar dat moet niet alles gaan overheersen…


The old devils

July 10, 2009

Bij het opruimen, als voorbereiding van een verhuizing, vond ik een vertaling van “The old devils” van Kingsley Amis in de boekenkast. Ik weet niet hoe het in de boekenkast kwam; er vielen ook twee krantenknipsels uit die stamden uit het jaar van overlijden van Kingsley Amis. Misschien had ik het ooit antiquarisch gekocht, omdat ik nu eenmaal geïnteresseerd ben in vertalingen, zie ook After Dark en de discussie daarbij.
Anyway,… Ik had het al een keer in het Engels gelezen en heb deze vertaling nu weer geheel gelezen. Wat ik mij herinner van vertalingen van “Lucky Jim” en “That uncertain feeling” is dat in de Nederlandse vertalingen het meeste van wat nu juist leuk was in de oorspronkelijke versie op een of andere manier plat werd en niet meer leuk. Iets wat je aan het denken zet over wendingen in de Engelse taal die geen Nederlandse equivalenten hebben. Dat vond ik in deze vertaling van Joop van Helmond minder het geval; in het Nederlands vond ik dit boek nog steeds ijzersterk.
Volgens zoon Martin Amis is dit het boek waardoor zijn vader in de herinnering zal blijven voortleven (meer nog dan door “Lucky Jim”) en hij zou daar best eens gelijk in kunnen hebben. Wat steeds heel erg in het boek aan de orde is, is Do not go gentle into that good night, hoewel dit nooit expliciet genoemd wordt, het is meer dat dit thema duidelijk voelbaar is; Dylan Tomas komt ook niet met zijn eigen naam hierin voor, maar heet in het verhaal Brydan. De enige van de old devils die inderdaad “into that good night” gaat, gaat daar zeker niet “gentle” in, integendeel! De overgang naar laatstgenoemde gebeurtenis is heel verrassend. Terwijl het boek tot de gebeurtenissen die hierop preluderen nog enigszins gemoedelijk voortkabbelt, met veel grappige conversaties, krijgt het plotseling een veel grimmiger karakter en lijkt het alsof we de wereld ineens zien door de ogen van de stervende A., die eigenlijk ook niet goed weet wat er aan het gebeuren is, met name met hemzelf.

De schrijfstijl van Amis is volgens mij enigszins verwant met die van Vestdijk. In ieder geval is er veel aandacht voor lichamelijke ongemakken, kunstgebitten en “plaatjes”, keiharde nagels van tenen, die bij het afknippen door de kamer schieten, mannen die zo dik zijn geworden dat ze niet meer kunnen bukken en ook alleen nog achter het stuur van hun auto kunnen door de stoel maximaal achteruit te schuiven en meer van dat soort dingen. Hierin zit volgens mij veel zelfspot (die bij Vestdijk trouwens ook aanwezig is). De dikke Peter is duidelijk één van de alter ego’s van de schrijver, en je kunt best in de relatie tussen Peter en Rhiannon veel herkennen van de relatie van Kingsley Amis met zijn eerste vrouw Hilly. Bij een begroeting met een oude bekende wordt Peter omschreven als iemand die op het eerste gezicht een karikatuur van de vroegere Peter lijkt te zijn, maar bij nader inzien de echte Peter is. Ik neem eigenlijk aan dat de schrijver op een soortgelijke manier over zichzelf dacht. Verder zijn zowel de mannen als de vrouwen in het boek onmatige drinkers, wat me om een of andere reden ook weer aan Vestdijk deed denken, die ergens (ik weet niet meer waar; in “De koperen tuin”, “Heden ik, morgen gij”?) een hoofdfiguur laat zeggen dat de beslissende fout die hij gemaakt heeft voordat een belangrijke gebeurtenis plaatsvond was om niet te drinken.

Er is een episode waarin de vrouwelijke hoofdpersoon Rhiannon een uitstapje maakt met een man (Malcolm) die haar vroeger aanbad en nog steeds aanbidt. Het is niet zo duidelijk waarom ze er eigenlijk op in is gegaan (dat aanbod voor een uitstapje). Ook zijn er allemaal typisch Kingsley Amis observaties, zoals het feit dat ze (i.t.t. Hyacinth in de televisie serie “Keeping up appearances”) net iets eerder uit de auto probeert te zijn dan hij tijd nodig heeft om om de auto heen te lopen en haar er uit te helpen.
Op een gegeven moment test hij haar herinneringen, want hij zegt eerst: “Weet je nog dit, weet je nog dat…” en zij antwoordt dan “Ja, natuurlijk” (“Nu de stoom eraf was, zou Rhiannon hebben beaamd dat ze zich de landing van generaal Tate bij Fishguard herinnerde”), en daarna dingen die niet gebeurd zijn die zij ook beaamt, waarna duidelijk is dat ze zich helemaal niets herinnert. Als ze hiermee geconfronteerd wordt begint ze te huilen en Malcolm zegt dan: “Het feit dat je het je zo aantrekt betekent voor mij net zo veel als dat je het nog wel zou weten, vrijwel net zo veel” (vooral dat “vrijwel net zo veel” vond ik erg goed). Dan komt er:
“Dat zette de zaken weer een beetje scheef, maar uiteindelijk was het toch gewoon de bui voor het opklaarde. Ze ging in de weer met papieren zakdoekjes en een kam en hij liep wat rond en poneerde passende mededelingen zoals over de bouw van de kerk, die waarschijnlijk twaalfde eeuws was en de stoffelijke resten van een lid van de familie Courcy herbergde in de zuidmuur van het koor en rond de top van de toren kantelen bezat – precies wat ze wilde horen, geen sarcasme”.
Dat soort dingen vind ik dan weer zo verrassend en eigenlijk ook tamelijk subtiel. Er zijn ook wel oersaaie schrijvers die net als Kingsley Amis de Booker Prize gewonnen hebben (Kingsley Amis kreeg de Booker Prize voor dit boek) en allerlei vervelende lieden haarscherp beschrijven (zoals bijv. McEwan, zie Ian McEwan and the bouquet series). Maar daar blijf je steken in de haarscherpe beschrijving van vervelende mensen, terwijl de conversatie (maar ook de gang van het verhaal) bij Kingsley Amis altijd (voor mij) verrassende wendingen neemt.

Ik herinner me nog dat ik op een vacantie de eerste bladzijde van Lucky Jim van hem las, in een boekwinkel in Terschelling (eigenlijk opmerkelijk dat die boekwinkel in Terschelling zo maar Lucky Jim in het Engels had), met een beschouwing over het verschil tussen de blokfluit (“flute a bec”) en de dwarsfluit, waarvan tussen de regels duidelijk is dat het de (hoofd-)persoon Lucky Jim (Dixon), tot wie deze woorden gesproken worden, niets maar dan ook niets zegt en toen was ik meteen verkocht. Het blijft één van de grappigste boekjes die ik ooit gelezen heb. Wel gedateerd natuurlijk (zullen mensen ongetwijfeld zeggen); Kingsley Amis is een enorm gehate schrijver…
Eigenlijk denk ik dat aanprijzen van Kingsley Amis zinloos is. Hij was (op latere leeftijd) zeer politiek incorrect, dronk te veel, was enorm overspelig en onsympathiek, enz. Maar hij was m.i. toch een heel goede schrijver. Misschien moeten we nog 50 jaar wachten tot hij weer een beetje in de “up” (van de waardering) zal raken. Tegen die tijd is McEwan wel vergeten, denk ik (evenals Harry Mulisch).

Naschrift. Ik zocht nog even naar het essay van Brigid Brophy dat een of andere titel had in de trant van “Lucky Jim never grew up”, maar ik heb het niet gevonden. Wel vond ik onderstaand citaat, waarin Brigid Brophy zich boos maakt over “when Jim hears a tune by the composer whom either he or Mr. Amis . . . thinks of as ‘filthy Mozart'”. Ik vond dit bijzonder grappig, ik bedoel: het feit dat Brigid Brophy zich daar zo boos over maakt. Ik zou me kunnen voorstellen dat één van de helden van Kingsley Amis, die volgens mij zelf behoorlijk muzikaal was, een melodie hoort en dan (misschien zelfs “affectionately”) bij zichzelf denkt: “Good old, filthy Mozart”. Voor de volledigheid komt hieronder het volledige citaat, gecopieerd uit: Amis, Kingsley (William) (1922-1995):

Jim Dixon, the protagonist of Lucky Jim, is, according to Anthony Burgess in The Novel Now: A Guide to Contemporary Fiction, “the most popular anti-hero of our time.” Though a junior lecturer at a provincial university, Jim has no desire to be an intellectual—or a “gentleman”—because of his profound, almost physical, hatred of the social and cultural affectations of university life. This characteristic of Jim has led several critics to conclude that he is a philistine, and, moreover, that beneath the comic effects, Amis was really attacking culture and was himself a philistine. Brigid Brophy, for example, wrote in Don’t Never Forget: Collected Views and Reviews that the “apex of philistinism” is reached “when Jim hears a tune by the composer whom either he or Mr. Amis . . . thinks of as ‘filthy Mozart.'” Ralph Caplan, however, claimed in Charles Shapiro’s Contemporary British Novelists that Lucky Jim “never [promises] anything more than unmitigated pleasure and insight, and these it keeps on delivering. The book [is] not promise but fulfillment, a commodity we confront too seldom to know how to behave when it is achieved. This seems to be true particularly when the achievement is comic. Have we forgotten how to take humor straight? Unable to exit laughing, the contemporary reader looks over his shoulder for Something More. The trouble is that by now he knows how to find it.”