Een Murakami haatmiddag

January 23, 2011

Mijn zoon, die gisteren (22 januari, 2011) moest optreden en daardoor verhinderd was om naar de door de NRC georganiseerde discussiemiddag over Murakami te komen, had mij de elektronische tickets opgestuurd in een zip file, getiteld “Murakami haatmiddag.zip”. Zo had ik het zelf nog niet gezien, maar hij bleek hierbij een vooruitziende blik te hebben gehad. Wel had ik niet erg hoge verwachtingen, zoals ik al zei in mijn vorige blogje Over Murakami, dat eindigde met:

“Dat die Japanse studenten echt van Murakami zijn gaan houden heeft te maken met het bijzondere gevoel dat door zijn boeken bij de lezer (die daar gevoelig voor is) wordt opgeroepen en misschien ook met de afwezigheid van pogingen om de lezer te intimideren of ergens van te overtuigen. Gezien het panel van de NRC dat hier over gaat praten op zaterdag, zijn mijn verwachtingen voor die discussie op zaterdag niet erg hoog gespannen, maar ik ben van plan er na afloop over te berichten. Ik heb me vast voorgenomen me niet al te boos te maken.”

Aan het laatstgenoemde voornemen heb ik me niet helemaal kunnen houden. Ondanks alles had ik me toch wel enigszins op deze middag verheugd, want ik had verwacht dat er echt over de thema’s en de korte verhalen in de bundel “Blinde wilg, slapende vrouw” gepraat zou worden. Maar ik had natuurlijk kunnen weten dat het zo niet gaat in Nederland, waar discussies over boeken al gauw in de moralistische en levensbeschouwelijke sfeer worden getrokken. Met gebruikmaking van een door Menno ter Braak geïntroduceerde term: deze middag zou eigenlijk het beste “Murakami in domineesland” genoemd kunnen worden.

De middag begon, na een wat mij betreft nodeloos lange inleiding van Pieter Steinz, met een betoog van Sanneke van Hassel, die sprak als een bekeerling bij wie de schellen van de ogen waren gevallen. Langzaam maar zeker was de twijfel gaan knagen en was ze gaan inzien dat het toch eigenlijk allemaal maar niks was. Murakami legde te veel uit, als het al lang duidelijk was wat hij bedoelde kwamen er nog wat overbodige zinnen om het nog eens uit te leggen. Het lijkt me dat Sanneke van Hassel het werk van Marcel Proust dan ook maar meteen bij het vuilnis moet zetten, want die schrijver legt vele malen meer uit dan Murakami zonder dat het de bewonderaars van zijn werk erg schijnt te hinderen. Bovendien was het aan Sanneke van Hassel opgevallen dat Murakami’s werk doortrokken was van het zoeken naar zingeving en kosmische verbanden, wat meteen tot de eerste vraag aan het publiek leidde: “Was het publiek ook dit zoeken naar zingeving en kosmische verbanden opgevallen?”

Het publiek werd door Pieter Steinz erg aangemoedigd om hier iets over te zeggen, waarna een mijnheer op de eerste rij zei dat deze visie op het werk van Murakami zijns inziens onzin was en dat Murakami zelf al in een interview had opgemerkt dat hij totaal niet geloofde in paragnostische verschijnselen en “kosmische zingeving”, maar dat al die wonderbaarlijke dingen nu eenmaal uit zijn pen vloeiden; hij wist eigenlijk zelf ook niet waarom het zo ging. Verder zei deze toehoorder ook nog dat hij dacht dat “het religieuze” evenmin in Murakami’s werk gezocht moest worden.

Deze opmerkingen leken echter volkomen in een leegte te vallen, want daarna zei een dame in het gehoor dat ze wel degelijk “het kosmische” in het werk van Murakami onderkende. Elsbeth Etty zag toen haar kans schoon om daar nog een schepje bovenop te doen door in één moeite door Murakami van “ietsisme” te beschuldigen, wat de start was van een lange serie onzinnige opmerkingen over het werk van Murakami die zij deze middag zou gaan maken (later op de middag zou zij er -natuurlijk- de beschuldiging van “seksisme” aan toevoegen; Elsbeth Etty volgend moeten we Murakami misschien een “seksistisch ietsist” noemen). Over dat veronderstelde “ietsisme” werd nog wat doorgeneuzeld totdat Frits Abrahams het woord kreeg. Aangezien hij was aangekondigd als Murakami scepticus had ik verwacht dat hij allemaal negatieve dingen zou gaan zeggen, maar dat viel eigenlijk erg mee. Hij had een vrij genuanceerd oordeel over het boek, waarvan hij sommige verhalen erg goed vond. Hij noemde deze verhalen ook met name, hiermee Elsbeth Etty een houvast gevend om daar later op de middag nog wat over uit te varen.

Daarna was het al gauw pauze, waarna Elsbeth Etty aan de beurt was om haar verhaal te doen. Tijdens haar betoog dat ongeveer 20 minuten in beslag nam, kwamen we vooral veel te weten over Elsbeth Etty. Wat grappig was in verband met het feit dat zij Murakami onder andere van ijdeltuiterij beschuldigde. Ze had dit betoog de afgelopen nacht geschreven. Wat moesten we daar eigenlijk mee? Hieruit afleiden dat ze zich niet goed had voorbereid? Of klappen omdat ze de afgelopen nacht zo’n prachtig verhaal had geschreven? We kwamen ook te weten dat ze het boek van Murakami dat ze moest lezen “gelukkig” was kwijtgeraakt bij een vliegreis, want ze wilde het ook eigenlijk niet lezen, maar ze had toen Murakami maar in het Duits gelezen. Over de vertalingen van Ursula Gräfe is trouwens al eerder in deze blogs gediscussieerd, zie After Dark, en ik had hier eigenlijk ook nog iets over willen opmerken, maar ik kreeg geen kans.

Verder had Elsbeth Etty het over haar verblijf in het ziekenhuis, waar ze onder andere de volgende passage uit het titelverhaal van de bundel had gelezen, waarbij de ik van het verhaal in de kantine van een ziekenhuis zit:

“Aan het tafeltje naast ons zat een keurig echtpaar van middelbare leeftijd een broodje te eten en te praten over hun kennis die met longkanker in het ziekenhuis lag. Dat hij vijf jaar geleden was gestopt met roken, maar dat het toch te laat was geweest, dat hij ‘s ochtends bij het opstaan bloed ophoestte – zo’n soort gesprek. De vrouw stelde vragen, de man gaf antwoord. De man legde uit dat kanker in zekere zin ook een uitkristallisering was van iemands levenshouding”.

Elsbeth Etty had zich bijzonder gestoord aan deze passage. Ze had zelf veertig jaar gerookt en was ook bang longkanker te krijgen. Ik begreep uit haar betoog zoiets als: “Nou, dan lig je in het ziekenhuis, bang voor longkanker, en dan lees je zo’n ongevoelige passage. Daar zit (lig) je dan toch ook niet op te wachten!”. Terwijl Murakami hier volgens mij alleen maar (vrij goed) het soort gesprek dat je in zo’n kantine van een ziekenhuis kan beluisteren weergeeft zonder daar een oordeel aan te verbinden. Het lijkt net alsof onze bijzonder hoogleraar Literaire Kritiek hier wat een personage in een boek zegt gelijkstelt met de mening van de schrijver! Terwijl toch het begin van alle literatuurwijsheid is deze elementaire fout niet te maken!

Zelf moest ik bij deze passage sterk denken aan de laatste alinea van “De ondergang van de familie Boslowits” van onze eigen volksschrijver Gerard Reve. (Het feit dat Murakami eigenlijk ook een “volksschrijver” is werd gelukkig benadrukt door een Japanse dame, met wie ik na afloop nog even heb gesproken. Ten overvloede: “volksschrijver” is hier niet pejoratief bedoeld, i.t.t. de opmerking van Elsbeth Etty dat Murakami met McDonalds kon worden vergeleken; inderdaad begint overigens “After Dark” in Denny’s, één van de redenen waarom Murakami wel “postmodern” wordt genoemd, de hoofdpersonen verkeren meestal niet in de “high society” en als er over muziek wordt gepraat is het niet altijd – maar vaak ook wel- over klassieke muziek.)

(Laatste alinea van “De ondergang van de familie Boslowits”:)
“Tot die tijd besprak men alle dingen: de afstanden der planeten, de vermoedelijke duur van de oorlog en het al dan niet bestaan van een god. Ook namen beide mannen kennis van de mededeling van de verpleegster, die wist te vertellen, dat het geld van oom Hans zeker nog tot een jaar onderhoud had kunnen strekken. `Dat is de reden niet geweest’, zei ze”.
(Dit nadat oom Hans gestorven is, waarschijnlijk na het innemen van een overdosis achtergehouden slaappillen.)

Opmerkelijk genoeg kreeg na de uiteenzetting van Elsbeth Etty over haar verblijf in het ziekenhuis een arts in het gehoor de microfoon, die onder bijval van het publiek Elsbeth Etty een nog veel hardere variant van de passage die zij net had voorgelezen voorschotelde. Hij zei: “Als mevrouw Etty al veertig jaar gerookt heeft, kan ze rustig doorgaan met roken, het maakt nu toch niet meer uit.” Waarna deze arts nog even zijn onvrede uitte over het lage peil van de commentaren van het panel, waarin hij zich in het geheel niet kon vinden. Wat dit betreft moet ik echter een uitzondering maken voor Frits Abrahams, die zelfs nog even een aspect van het verhaal “De zevende man” aan Elsbeth Etty probeerde uit te leggen. Verspilde moeite, leek me. Ook de voorzitter Pieter Steinz liet zich af en toe wat genuanceerder uit.

Het is overigens heel begrijpelijk dat Murakami geen BJ-er (Bekende Japanner) wil worden die dan zou optreden in talk shows om onzinnige vragen te beantwoorden of om te praten over dingen waar hij geen verstand van heeft, op de manier waarop Elsbeth Etty nu optrad in deze discussiemiddag.

Naschrift (26-1-11). Iemand maakte mij attent op het feit dat Frits Abrahams gisteren (dinsdag 25 januari) ook nog even zijn licht heeft laten schijnen op de discussiemiddag. Hij kreeg compassie met het publiek (zo schreef hij). Gelukkig had het publiek geen compassie met de domme opmerkingen van de leden van het panel! In het bijzonder was geen compassie met de opmerkingen van Elsbeth Etty (zie het commentaar van de arts in het publiek hierboven). “Stevige kritiek” lijkt mij ook te veel eer voor de bijdrage van Elsbeth Etty. “In het wilde weg schelden” geeft haar bijdrage beter weer.
Overigens, van NRC zijde wordt steeds gesuggereerd dat bewonderaars van Murakami geen kwaad woord over hem kunnen horen. Ik weet niet waar men dat vandaan heeft, maar het is niet waar. De meeste mensen die van zijn werk houden en die ik hierover gesproken heb, hebben een vrij genuanceerde mening over zijn boeken: een aantal daarvan vinden ze heel goed, andere weer niet. Dat bleek afgelopen zaterdag in het theater aan het Spui ook weer het geval te zijn. En zelf vind ik bijvoorbeeld het boek “Ten zuiden van de grens” niet erg geslaagd, terwijl dat kennelijk nu juist op Frits Abrahams veel indruk heeft gemaakt. Maar het is natuurlijk het gemakkelijkste om de mensen in het gehoor die zich stoorden aan domme opmerkingen van het panel als “Murakami aanhangers die geen kwaad woord over hem willen horen” te beschouwen.
Misschien zijn de liefhebbers van de tamelijk zachtaardige Murakami in het algemeen wat genuanceerder dan zijn tegenstanders, die al gauw hun toevlucht nemen tot een ongenuanceerde schreeuwpartij, zoals bijvoorbeeld ook na zijn lezing ter gelegenheid van de Jeruzalem prijs voor literatuur in 2009 (die aan hem werd toegekend). Bepaalde passages in zijn lezing werden opgevat als “het opnemen voor de Palestijnen” en dit heeft hem heel wat haatmail bezorgd!

Advertisements

Over Haruki Murakami

January 17, 2011

In 2007 kocht ik in een stationsboekwinkeltje in Zürich “After Dark” van Haruki Murakami, zie After Dark. In een Duitse vertaling, want daar was natuurlijk geen Engelse of Nederlandse vertaling. Later heb ik ook de Engelse vertaling gelezen, waarin een toch wel belangrijke figuur in dit boek, die in het Duits met “Grossvater” werd aangeduid in het Engels een “uncle” was geworden. In het Duits was hij een “Lebemann”, wat in het Engels “playboy” was geworden.
Ik heb het (Japanse) origineel niet gezien, maar ik ben er eigenlijk van overtuigd dat de Duitse versie dichter bij het origineel zal staan. Waarom? Het is moeilijk daar “harde feiten” voor aan te voeren, maar het is gebaseerd op een totaalgevoel over deze roman, dus gebaseerd op de context waarin deze grootvader/oom een rol speelt.

Sinds ik dat eerste boek van Murakami heb gelezen, heb ik alles van hem gelezen, zelfs zijn boek over het lopen van marathons, en ik zal ook, zodra deel 3 van de trilogie 1q84 uitkomt dit gaan lezen. Aanstaande zaterdag 22 januari is er een discussiemiddag van de NRC, waar ik door één van mijn zoons (die geabonneerd is op de NRC; ik zelf ben dat niet meer) voor ben uitgenodigd. Er zal dan in het bijzonder gediscussieerd worden over “Blinde wilg, slapende vrouw”.

Ik stond eens in de Engelse vertaling “Blind willow, sleeping woman” te lezen op een tramhalte, toen er een leuk meisje op mij afkwam, die tegen mij zei: “Geweldig boek is dat, hè? Ik heb het ook gelezen. Kun jij me een ander boek van hem aanraden?”. Bijna een gebeurtenis die ook in een boek van Murakami zelf zou kunnen voorkomen; iets van deze aard was mij nog nooit overkomen. Ik geloof dat ik haar “Norwegian Wood” heb aangeraden. Nu zou ik misschien “Dans, dans, dans” aanraden.

Zoals al vaak is opgemerkt is “Norwegian Wood” Murakami’s gewoonste boek; het regent niet bloedzuigers, er zijn ook geen geheimzinnige schaapmannen, die alleen op bepaalde tijden waargenomen kunnen worden op de tiende verdieping van het Dolfijn hotel (als ik me het goed herinner). Er is nu zelfs een film “Norwegian Wood”, maar ik heb hem nog niet gezien en vrees eigenlijk het ergste, hoewel hij moeilijk zo beroerd kan zijn als de film “De eenzaamheid van de priemgetallen”, die gebaseerd is op het gelijknamige boek van Paolo Giordano.

Ooit heb ik een filmpje gezien over Murakami, waarbij Japanse studenten werden geïnterviewd. Wat mij daarbij heel erg opviel was: die studenten hielden echt van Murakami. Ik geloof een beetje op dezelfde manier als waarop Murakami zelf van zijn eigen romanfiguren gaat houden tijdens het schrijven. Hij heeft bijvoorbeeld eens gezegd over één van de hoofdpersonen van “Kafka aan het strand” (ik meen Nakata, maar het zou ook de vrachtwagenchauffeur Hoshino kunnen zijn): “Ja, ik ging tijdens het schrijven steeds meer van hem houden”. De Nederlandse vertaling heet trouwens “Kafka op het strand”, maar ik heb een voorkeur voor “Kafka aan het strand”.

Dat die Japanse studenten echt van Murakami zijn gaan houden heeft te maken met het bijzondere gevoel dat door zijn boeken bij de lezer (die daar gevoelig voor is) wordt opgeroepen en misschien ook met de afwezigheid van pogingen om de lezer te intimideren of ergens van te overtuigen. Gezien het panel van de NRC dat hier over gaat praten op zaterdag, zijn mijn verwachtingen voor die discussie op zaterdag niet erg hoog gespannen, maar ik ben van plan er na afloop over te berichten. Ik heb me vast voorgenomen me niet al te boos te maken.


“Vrijpleiten is niet hetzelfde als rehabilitatie”

March 21, 2010

In NRC-Handelsblad van vandaag (20-3-2010) stond een artikel met de titel “Vrijpleiten is niet hetzelfde als rehabilitatie”. Het gaat hier over de kwestie dat het OM, als het niet in staat is de schuld van de verdachte aan te tonen, overgaat op de strategie: “We zeggen dat we de schuld van de verdachte niet kunnen aantonen, maar formuleren het zo dat gesuggereerd wordt dat de verdachte desondanks best eens schuldig zou kunnen zijn.” Zie OM eist vrijspraak Lucia de B. Op die manier komt in Nederland iemand die eens veroordeeld is hier nooit meer vanaf, laat staan dat er van enige vorm van rehabilitatie sprake is.

In dit artikel in NRC-Handelsblad komt Theo de Roos ook weer eens aan het woord en deze doet duidelijk pogingen zijn beroepsgroep te dekken. Hij merkt op dat het OM geen verontschuldigingen hoeft te maken, dat het requisitoir van de advocaat-generaal Rijkers “een goed en correct verhaal” is en dat er geen veroordelingscultuur is “omdat er ook heel veel vrijspraken zijn”. Bij de laatste uitspraak moet ik denken aan: “ik heb ook negers onder mijn vrienden”. Maar ook overigens zijn dit stuk voor stuk zeer aanvechtbare uitspraken, natuurlijk.

Bovendien: wat zei Theo de Roos in 2003 in de uitzending statistiek in het strafproces:
“In de Lucia de B. zaak is het statistisch bewijs ontzettend belangrijk geweest. Ik zie niet hoe men zonder dat bewijs tot een veroordeling zou zijn gekomen.”

Misschien kan iemand nog eens aan Theo de Roos vragen hoe hij daar inmiddels over denkt? Waarom horen we hem daar nu niet meer over?

En wie trad samen met Theo de Roos in deze uitzending op? De rechtspsycholoog Henk Elffers, die hier zijn kans van 1 op 342 miljoen de wereld in slingerde.

Deze uitzending is één van de vele zwarte bladzijden in het hele proces tegen Lucia de Berk. Wat hierin aan de orde komt heeft ook betrekking op een bijzonder belangrijk aspect van de zaak, nl. de leugenachtige verklaring van het hof dat statistiek “geen rol heeft gespeeld” in het uiteindelijk arrest. Ik citeer maar weer eens voor de zoveelste keer professor ‘t Hooft: “Dat het gerechtshof pretendeert geen statistische argumenten te hebben gebruikt wordt door de verwoordingen van het vonnis weerlegd.” Zo is het.


Hoe worden door NRC.NEXT ingezonden brieven mishandeld?

August 11, 2008

Eigenlijk is dit aflevering 3 van mijn feuilleton: “Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld?”. Maar vandaag, nadat ik gezien heb wat nrc.next van mijn brief heeft gemaakt in de krant van 30 juli, lijkt de bovenstaande aanhef mij meer toepasselijk. Wat ik daar zag staan was gewoon mijn brief niet meer. En dat nog wel nadat ik braaf binnen de toegestane 250 woorden was gebleven!

Hieronder komen wat punten m.b.t de door nrc.next aangebrachte veranderingen.

Wat stond er in mijn oorspronkelijke brief over het heropenen van zaken van CCRS:

“Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is. In Nederland zijn sinds 1997 slechts 3 zaken heropend, waaronder de Schiedammer parkmoord, waar een ander dan de veroordeelde heeft bekend.”

Wat staat er in “mijn” brief in nrc.next:

“Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is.”

De voor mijn brief heel essentiële zin over het feit dat het er in Nederland in diezelfde tijd slechts 3 zijn geweest, waaronder de Schiedammer parkmoord, waarbij een ander dan de veroordeelde heeft bekend, heeft nrc.next er uit gecensureerd. Is dit van nrc.next een slinkse poging om te proberen te ontkrachten wat ik zeg?

Wat stond er over de Lucia de Berk zaak in mijn brief:

“Hier staan zonder argumenten een aantal beweringen achter elkaar die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze “op zichzelf juist”? Wat is hiervoor het argument? Lucia de Berk zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.”

Wat staat er in “mijn” brief in nrc.next:

“Dit zijn meerdere beweringen die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze “op zichzelf juist”? Lucia de B. zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten omtrent de toxicologische bewijsvoering.”

Nrc.next heeft hier onder tafel gewerkt:

1. Dat ze geen argumenten geven in hun hoofdcommentaar: op twee plaatsen hebben ze dat verdonkeremaand door het te herformuleren.

2. Ik zeg: “op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.” De fouten m.b.t. statistiek zijn in de publicatie van “mijn” brief echter onder tafel gewerkt. De NRC heeft dan ook prof. Elffers in een lang stuk aan het woord gelaten om hem te laten zeggen: “Statistiek doet er nu niet meer toe”. Zie Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren, en The Lucia de Berk case, part 2, waarin ik o.a. laat zien dat het arrest van het Haagse Hof nog steeds zwaar leunde op statistische overwegingen, hierbij gebruik makend van het rapport van prof. Elffers. NRC Handelsblad heeft mijn repliek op wat Elffers beweerde in de NRC echter niet willen publiceren, onder het mom dat hier al te veel over was geschreven!

Maar er is geen enkele reactie op het stuk van Elffers in de NRC verschenen! Het rapport van de commissie Grimbergen, waarin vorig jaar de aanbeveling werd gedaan de zaak tegen Lucia de Berk te heropenen, besteedde meer dan 10 pagina’s aan de kwalijke rol van de rechtspsycholoog Elffers en zijn “statistische” berekeningen en adviezen. Helaas hebben lezers van NRC Handelsblad of nrc.next hier echter geen kennis van mogen nemen! Misbruik van statistiek is wat de hele zaak tegen Lucia de Berk op gang heeft gebracht! Het is vervelend dat ik dit steeds maar weer moet herhalen, maar als de pers volhoudt slaafs de mededelingen van juristen en de rechtspsycholoog Elffers te volgen dat statistiek geen rol heeft gespeeld in het uiteindelijke arrest, ben ik wel gedwongen te blijven herhalen dat dit een leugen is. Nu word ik dus zelfs geconfronteerd met een censurering door nrc.next van mijn eigen brief m.b.t. dit punt.

Ten overvloede herhaal ik nog maar eens wat ik hier in mijn stukje de grote misleiding over heb gezegd:
In de uitzending van NOVA/Den Haag Vandaag van 4 november 2003 Statistiek in het strafproces zegt de hoogleraar strafrecht Theo de Roos nog: “In de Lucia de B. zaak is het statistisch bewijs ontzettend belangrijk geweest. Ik zie niet hoe men zonder dat bewijs tot een veroordeling zou zijn gekomen.”. In deze uitzending komt ook de rechtspsycholoog Elffers aan het woord, die hier stelt dat de kans dat een verpleegkundige, werkzaam op de drie ziekenhuisafdelingen, bij toeval bij zoveel van de onverklaarbare overlijdensgevallen en reanimaties op élk van de drie afdelingen aanwezig is, 1 op 342 miljoen zou zijn.

Nadat alle statistici in Nederland, maar ook statistici buiten Nederland, zich van de kans van 1 op 342 miljoen van prof. Elffers en prof. de Mulder gedistantieerd hadden, heeft het Haagse Hof het doen voorkomen of statistiek geen rol meer heeft gespeeld in het uiteindelijk arrest, maar zoals bijvoorbeeld prof. ‘t Hooft terecht bij zijn ondertekening van de petitie voor heropening van de zaak Lucia de Berk heeft opgemerkt: “Dat het gerechtshof pretendeert geen statistische argumenten te hebben gebruikt wordt door de verwoordingen van het vonnis weerlegd.”

Ik begrijp wel dat het Haagse Hof en prof. Elffers liever niet herinnerd willen worden aan de fouten die ze gemaakt hebben met betrekking tot de statistische argumentatie, maar ik begrijp niet waarom NRC en nrc.next hen hierin slaafs zouden moeten volgen en waarom het dagblad nrc.next zelfs zo ver meent te moeten gaan dat het mijn brief op dit punt censureert.

We gaan verder met mijn brief in nrc.next. In mijn oorspronkelijke brief zeg ik:

“Minister Hirsch-Ballin en ook Mr. Brouwer haasten zich in interviews steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker?”

In nrc.next staat:

“De minister haast zich steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker?”

De baas van het Openbaar Ministerie in Nederland, Mr. Brouwer, blijft nu buiten schot, maar nrc.next heeft wel: “Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker?” laten staan.

Ik begin mijn brief met:

“In het redactioneel commentaar van 16-7-08 op het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt, wordt opgemerkt:

Wat staat in nrc.next:

“Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) heeft voorgesteld om de commissie die gaat over de ruimere mogelijkheden om rechtszaken te heropenen een aanhangsel van de Hoge Raad te laten zijn. In het redactioneel commentaar “Ten halve gekeerd” (nrc.next, 17 juli) wordt daarover gezegd:”

Dat is iets heel anders; het “een aanhangsel van de Hoge Raad maken” van deze commissie is slechts een onderdeel van het voorstel van minister Hirsch Ballin waar ik het niet mee eens ben. Het creëren van een vaste “pool” (dr. le Pair spreekt in dit verband over “poel”) van geregistreerde deskundigen die een cursusje forensische methoden hebben gevolgd is een ander (slecht) onderdeel van het voorstel. Op die manier wordt de situatie waarin de echte deskundigen niet worden geraadpleegd, zoals voor het onderdeel statistiek het geval is geweest in de Lucia de Berk zaak, gecontinueerd. Mijn formulering gaf aan dat “een aanhangsel van de Hoge Raad maken” slechts een onderdeel of gevolg van de plannen was; in de herformulering lijkt het alsof het mij daar alleen maar om gaat.

Zoals ik boven al zei: het is gewoon mijn brief niet meer. Het is allemaal te gek voor woorden wat hier gebeurd is. En dat op een essentiële manier veranderen van mijn brief is gebeurd zonder mij daar iets over mee te delen! Binnenkort kunnen we brieven tegemoet zien in NRC of nrc.next waar onze naam onder staat, maar waarin het tegendeel wordt gezegd van wat we onder de aandacht hebben willen brengen!
De brief zoals ik hem aan de NRC heb aangeboden is te vinden op: in de kranten, waar ook de brieven van Metta de Noo en dr. Kees le Pair worden gegeven.


Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld, aflevering 2

August 6, 2008

In de eerste aflevering van mijn zo juist gestarte feuilleton Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld werden enkele hypothesen ontwikkeld over wat voor brieven er wel of niet “door zouden komen”. Kort na het schrijven van deze eerste aflevering deed zich een interessante “test case” voor (gelukkig niet n.a.v. een brief van mijzelf). Kees le Pair had in NRC Handelsblad van 26 juli een m.i. zeer goede brief over de voorstellen van minister Hirsch Ballin geschreven, zie in de kranten, waar ook de brieven van Metta de Noo en mijzelf worden gegeven. Een reactie van juridische zijde waarin zou worden gezegd: “U beschadigt het vertrouwen in de rechterlijke macht” kon natuurlijk niet uitblijven. En jawel, Mr. Kruisdijk heeft in de NRC van 31 juli een (pijlsnel geplaatste!) brief waarin precies deze aantijging staat, samen met wat beschouwingen over het feit dat rechters die naar een functie in een andere standplaats worden gepromoveerd, niet meer zaken mogen behandelen die hebben gediend bij de rechtbank waar ze eerder gedetacheerd waren. Helaas houdt deze juridische logica echter op bij de Hoge Raad, want als daar een zaak wordt aangeboden die eerder door één van de leden van de Hoge Raad is behandeld in een vorige fase van de loopbaan, is er voor ons hoogste rechtscollege geen ontsnappen meer mogelijk aan het behandelen van deze zaak.

Een brief waarin o.a. dit wordt opgemerkt is op 3 augustus door Kees le Pair aan NRC Handelsblad gezonden. Hier komt hij:

Op 31 juli schreef rechter Kruisdijk dat mijn kritiek (NRC 26/7) ‘nodig weersproken’ moet worden. In hoger beroep fungeren geen rechters die al in eerdere instantie met een zaak te maken hadden. Ik beschadig met mijn niet onderbouwde stelling het vertrouwen in de rechterlijke macht.
Rechters, die eerder in de Eper incestzaak fungeerden zitten broederlijk in het college dat over een eventuele herziening mag besluiten. Een rechter, die steken liet vallen in de Puttense moordzaak, gaat zich in de Hoge Raad over herzieningen buigen. De uitlevering van Hörchner geschiedt op last van een rechter, die voordien bij de landsadvocaat werkte, waartegen hij jaren heeft geprocedeerd… Mr. Kruisdijk keek slechts naar ‘hoger beroep’ in engere zin. Ik bezie de procesgang uit het oogpunt van de beklaagde, de ten onrechte gestrafte, kortom de bedreigde burger. Als hij dat ook deed, zouden de voorbeelden niet aan zijn aandacht zijn ontsnapt.
Fijn dat onze magistraten ook zelf waken tegen het bezwaar klevend aan functie hoppen. (Dezelfde persoon gaat opnieuw over dezelfde zaak.) Mogen wij op hun steun rekenen bij ons verzet tegen het voorstel van Minister Hirsch Ballin? Die wil de Hoge Raad verantwoordelijk maken voor de herziening van een gesloten rechtszaak. Hij hanteert dus een contraire logica. Ik wacht op het bericht: “Rechters protesteren tegen het wetsvoorstel herziening gesloten rechtszaken. De beslissingsbevoegdheid moet niet worden gelegd bij een instantie, die verantwoordelijk was in de voorafgaande rechtsgang.”
‘U beschadigt het vertrouwen in de rechterlijke macht’ is een verwijt dat bij de magistratuur los in de mond ligt. Ik trek het mij niet aan. Het is of je bewoners niet moet waarschuwen, wanneer hun huis in brand staat. Ze zouden in paniek kunnen raken. Sinds mensenheugenis riskeren brengers van slechte tijdingen de woede van potentaten. De psychologie daarachter lijkt tijdsinvariant.

Het kwam mij voor dat deze brief niet door de normen en waarden van de hoofdredactrice Birgit Donker heen zou komen. Ik schreef dan ook aan Kees le Pair: “Een heel goede en ook nog leuke brief! Het kan bijna niet beter. Alleen vraag ik me af of dit wel mag van Birgit Donker. Ik geloof dat sarcasme niet is toegestaan. Ben benieuwd…” En, …, het is vervelend om te zeggen, maar ik had al weer gelijk! Vandaag verscheen de brief van Kees le Pair in NRC Handelsblad zonder de laatste twee alinea’s. Maar we moeten natuurlijk niet voorbarig zijn in onze conclusie dat dit ligt aan de normen en waarden van de hoofdredactrice en eerst nog even een alternatieve hypothese toetsen.

We kunnen ons bijvoorbeeld afvragen: “Bleef deze brief wel binnen de 250 woorden (of de aan een andere briefschrijver in de krant van 26 juli toegestane 300 woorden, na verzoek tot inkorten)?”. Ik heb even geteld. De brief telt 297 woorden, zit dus wel binnen de limiet van 300 woorden, maar niet binnen de limiet van 250 woorden. Laten we echter de laatste alinea, beginnend met “‘U beschadigt het vertrouwen in de rechterlijke macht’ is een verwijt dat bij de magistratuur los in de mond ligt.” weg, dan houden we 235 woorden over. Dat betekent dat de brief dan zelfs keurig binnen de 250 woorden blijft, maar ook nog een alinea bevat, beginnend met: “Fijn dat onze magistraten ook zelf waken tegen het bezwaar klevend aan functie hoppen.” Het is m.i. duidelijk dat dit niet kon vanwege de normen en waarden van de hoofdredactrice.

Na de brief van Kees le Pair kwam in de NRC van vandaag een brief getiteld: “Bachs Hohe Messe is overduidelijk katholiek”. Ik was even geïnteresseerd in de vraag hoeveel woorden dit stukje bevatte. Hier is het antwoord: 272. Ai! Boven de 250! Maar wat een wereld van geleerdheid wordt hier dan ook niet over ons uitgestort!

Bijvoorbeeld:
“Overigens, de Hohe Messe moge integraal voor het eerst zijn uitgevoerd in 1749, het Kyrië en het Gloria werden al gecomponeerd in 1733 en als proeve van bekwaamheid aangeboden aan de katholieke Friedrich August II, koning van Polen en keurvorst van Saksen.”

Kijk, dit is nu het soort van brieven die een “sieraad voor de krant zijn”, om met Birgit Donker te spreken. Daar is onze kwaliteitskrant heel erg blij mee. Het geeft een bijna cosmetische glans aan de krant. En dat gezeur over onze voortreffelijke Nederlandse juristen en die rechtszaken die niet goed behandeld zouden zijn moet nu maar eens de kop in worden gedrukt!

Dus, de Hohe Messe moge integraal voor het eerst zijn uitgevoerd in 1749, maar het moge ook duidelijk zijn dat de brief van Kees le Pair te pittig was voor de NRC. Sarcasme mag niet, grapjes mogen niet. Men neme een voorbeeld aan de brief “Bachs Hohe Messe is overduidelijk katholiek”, al telt die dan ook meer dan 250 woorden!

Naschrift. (8-8-08). Kees le Pair heeft inmiddels zelf bericht over het door NRC Handelsblad (zonder zijn voorkennis) afhakken van de laatste twee alinea’s van zijn brief, zie: Rechters moet je eren! Vroeger stond er dan in zo’n geval bij een brief: “Van redactiewege bekort”, zodat je wist dat de krant een of andere bewerking op de brief had uitgevoerd.
Ik begin me nu zelf ook enige zorgen te maken dat mijn brief in NRC.Next van 30-7-08 misschien eveneens door de redactie “bewerkt” is. Zelf heb ik deze brief nl. niet in de krant zien staan, omdat ik pas twee dagen later van een redacteur vernam dat hij geplaatst was in de krant van 30 juli (als reactie op een vraag van mij), en omdat ik er via de site niet bij lijk te kunnen komen…
Toevoeging 11-8-08: Het vervolg van dit feuilleton is te vinden in: Hoe worden door NRC.NEXT ingezonden brieven mishandeld?


Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld?

July 26, 2008

De hoofdredactrice van NRC-Handelsblad Birgit Donker zegt in haar Weblog Over wel/niet plaatsen van ingezonden brieven: “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. Ik weet niet hoe het de lezer van deze blog vergaat, maar als ik zoiets lees, denk ik meteen: “sales talk”. Na de opmerking “Een interessante brief is een sieraad voor de krant” maakt Birgit Donker nog wat opmerkingen over hoe een brief moet zijn: een brief moet vooral heel erg netjes, om niet te zeggen braaf, zijn; hij mag bijvoorbeeld vooral niet te emotioneel zijn. Hij mag eigenlijk ook niet geestig of zelfs alleen maar grappig zijn; in een nette krant zoals de NRC moeten nette mensen op een nette en gezagsgetrouwe manier met elkaar communiceren, afgezien van de communicatie die tot ons komt van de achterpagina via bijvoorbeeld Fokke en Sukke en Youp van ‘t Hek. Het geeft niet of de brieven/artikelen op de andere pagina’s de grootste onzin bevatten, als het maar netjes gebracht wordt is het in principe in orde. Dit is natuurlijk meer een samenvatting naar de geest dan de letter van wat Birgit Donker na haar openingszin zegt, maar aangezien ik de link hierboven geef, kan iedereen zelf controleren of ik de geest van wat daar staat hier juist weergeef. Het is overigens wel zo dat er inderdaad bepaalde grenzen zijn; als je bijvoorbeeld Leon de Winter in Elsevier te keer ziet gaan tegen de natuurkundige en vioolbouwer Hajo Meyer in Wat lastige joden leerden van de Holocaust, zou je hem bijna wat van de door Birgit Donker genoemde normen willen aanbevelen. “It’s a fine line”.

Ik heb de laatste 15 jaar in totaal drie brieven naar kranten gestuurd, waarvan twee naar de NRC. De derde reactie ging naar Trouw. Trouw is zo fatsoenlijk om een bevestiging van ontvangst te sturen. Hierop hoeven we bij de NRC niet te rekenen. Bij mijn reactie nummer 1 (van vorig jaar) op een artikel van de rechtspsycholoog Elffers, die mij in de NRC een bewering in de schoenen schoof die precies het tegendeel was van wat ik had gezegd (zie Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren), kreeg ik na enkele weken de mededeling dat er inmiddels al zoveel mensen over dit onderwerp geschreven hadden dat mijn reactie helaas niet meer geplaatst kon worden. Maar eerlijk gezegd heb ik in de NRC geen enkele reactie op het opiniestuk van Elffers gezien. Ik zat in die tijd in Zürich en had met behulp van de echtgenoot van een collega daar nog een plaatje van Joris Goedbloed (met tekst) in mijn antwoord aan Elffers gehesen. Iemand schreef mij toen uit Nederland: “Erg leuk dat plaatje van Joris Goedbloed, maar je begrijpt natuurlijk wel dat het met dat plaatje erbij helemaal nooit in de NRC was gekomen.” Nee, inderdaad, met het leuke plaatje erbij werden de door Birgit Donker genoemde normen en waarden natuurlijk met voeten getreden!

joris.jpg

Per aspera ad pecunia oleo, roepen wij, latinisten, feestelijk uit!

(Joris Goedbloed in Panda en de Olie-Magnaat.)

Deze week voelde ik mij gedwongen een reactie te schrijven op een passage in een redactioneel commentaar van de NRC die mij als grote onzin voorkwam en die bovendien steun verleende aan een gevaarlijk soort ontwikkeling in juridisch Nederland. Het ging hier om het redactioneel commentaar van 16-7-08, getiteld “Ten halve gekeerd”. Dit was de tweede brief die ik ooit aan de NRC heb geschreven. Mijn brief staat aan het eind van deze blog. Ik kreeg natuurlijk geen bevestiging van ontvangst en heb daar toen de dag nadat ik mijn reactie gestuurd had nog eens expliciet om gevraagd. Ook vroeg ik aan een bevriende insider m.b.t. hoe dit soort zaken door de NRC behandeld worden waarom de NRC eigenlijk niet het fatsoen had om een ontvangstbevestiging te sturen, al was het maar een automatische bevestiging van ontvangst. Hij stuurde mij toen een heel uitvoerig antwoord dat ik hier graag zou plaatsen omdat het heel grappig was wat hij vertelde over de gang van zaken bij de NRC wat dit betreft, maar omdat ik zo netjes ben en het privé correspondentie betreft zal ik het niet doen. Hij heeft mij echter toestemming gegeven hieruit te citeren, met de toevoeging: “Het is allemaal waar wat ik zeg”.

Om te beginnen zei hij: “Ze hebben per redactie doorgaans daar een of ander meisje voor zitten die dat afhandelt. Als ik zelf een ingezonden brief stuur, word ik precies zo behandeld als jij, op z’n best krijg ik van zo’n meisje een kort briefje dat er helaas geen plaats is voor mijn bijdrage. In feite is dat erg eigenaardig, maar zo werken ze daar. Ze werken ook met volledig gescheiden redacties per rubriek, zodat het kan gebeuren dat er soms twee artikelen over hetzelfde onderwerp in de krant staan op de verschillende pagina’s.” En verder: “Het heeft dus weinig zin je boos te maken over de gang van zaken daar, want zoals men daar werkt, dat is regelrecht onbegrijpelijk voor een ordelijk denkend mens.” En tenslotte: “Ik wou dat ik je iets leukers kon vertellen, maar helaas, zo gaat het daar, en ‘t is doodjammer want die brief van je is voortreffelijk en ik zou ‘t enorm toejuichen als hij geplaatst werd.”

Hier werd een zwart beeld opgeroepen van de behandeling van brieven van lezers, dat niet helemaal leek te passen bij het adagium van de hoofdredactrice Birgit Donker “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. En inderdaad, al zijn voorspellingen kwamen uit. Eerst kreeg ik een briefje van het secretariaat van de opinie redactie “Dank voor uw ingezonden brief. Wij hebben deze in goede orde ontvangen.” Dat was wel als antwoord op mijn expliciete verzoek om zo’n bevestiging de dag na mijn inzending, maar alla, het gaf toch enige moed dat het niet helemaal hopeloos was. Daarna kreeg ik dezelfde dag nog een e-mailtje van iemand anders van de opinie redactie: “Vriendelijk dank voor uw reactie. We hebben die in goede orde ontvangen. Mocht de vermelding van uw naam en/of woonplaats ontbreken, kunt u die dan alsnog toesturen?” Ik had mijn adres nog niet opgestuurd, dus dat heb ik toen meteen gedaan. Tot mijn grote verbazing kreeg ik echter de volgende dag weer een e-mail van een andere redacteur van de opinie redactie van de NRC met de inhoud: “Uw brief is gearriveerd, maar wij kunnen pas tot plaatsing overgaan als wij uw woonplaats weten. Gaarne deze e-mailen.” Ik heb toen de informatie die ik hierover al aan de NRC had opgestuurd geforward aan de betreffende (andere) redacteur en aan mijn kennis geschreven: “Ik heb een forward van mijn e-mail met adres van gisteren aan beide redacties gestuurd in de hoop dat ze zich een beetje schamen, maar dat zal wel niet het geval zijn!” Hij schreef terug: “Dat ze het adres vragen is een goed teken. Schamen zullen ze zich zeer beslist niet, het slag dat daar zit heeft nog nooit van schaamte gehoord.”

Nu was het zo dat ik een aantal kennissen attent had gemaakt op de betreffende passage in het hoofdartikel dat ging over het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt. Op 18 juli (net terug van vakantie had ik de vorige dag een NRC gekocht; ik ben geen abonnee) schreef ik aan deze kennissen:
“M.i. zou iemand moeten reageren op de volgende zinnen in het hoofdcommentaar van de NRC: “Die keuze is op zichzelf juist. De rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment. Daar zijn ze voor en dat kunnen ze.” Hier staan (zonder argumenten) een aantal beweringen achter elkaar die stuk voor stuk onjuist lijken. Ik heb zelf geen geluk gehad met mijn reacties op onzin in de NRC, maar het lijkt mij van belang dat iemand hier iets over zegt. Anders komen we in Nederland steeds meer in een situatie terecht waarin iedereen die voor het gerecht verschijnt een rechtvaardige behandeling wel kan vergeten.”
Twee van deze kennissen hadden de handschoen opgenomen en een reactie (op het hele commentaar) aan de NRC gestuurd. Deze brieven overschreden de limiet van 250 woorden die de NRC (in de op de opiniepagina hiervoor verstrekte normen) geeft, zodat ik enigszins bevreesd werd dat deze reacties er ook niet doorheen zouden komen.

Wel had ik, ingaand op een verzoek van deze twee schrijvers, wat suggesties gedaan m.b.t. woordkeuze e.d., die gedeeltelijk door hen werden overgenomen. Eén van hen kreeg een bevestiging van ontvangst, de ander niet. Ontvangst bevestigen of niet bevestigen, het is een random proces bij de NRC! Aan één van hen schreef ik: “Laat je me nog even weten of het geplaatst wordt? Ik zag dat je 317 woorden gebruikt, terwijl de NRC maar 250 toelaat. Ik overweeg om zelf ook nog even een korte reactie te sturen, als die van jou er niet in komt.”
Hij schreef terug: “Ik heb nog niets van de NRC gehoord, dus ook geen afwijzing. Niettemin zou ik je willen aansporen zelf ook iets te schrijven en wacht daar niet te lang mee. Op de redactie worden ze sterk beïnvloed door de lezersdruk. Als er veel mensen over iets schrijven is het “hot” en de ruimte waard. Pas bij een lawine van stukken gaan ze dan weer ziften.” Afgezien van het feit dat deze brief van een andere insider m.b.t. de NRC weer een nieuw licht werpt op hoe deze “kwaliteitskrant” omgaat met het nieuws (zou een kwaliteitskrant eigenlijk niet meer aandacht moeten besteden aan het belang van een onderwerp dan aan hoe “hot” dit onderwerp is; is het laatste niet meer de taak van de Telegraaf?), geloof ik inmiddels dat het eigenlijk niet zo werkt. Want….

Het is inmiddels 25 juli. Eén van de twee andere schrijvers (die 746 woorden had gebruikt) heeft te horen gekregen van weer een andere redacteur dat het te lang was (zoals ik trouwens ook al tegen deze schrijver had gezegd): “Dank voor de bijdrage die wij echter niet in deze omvang kunnen plaatsen. Indien u hem wilt bekorten tot max. 300 woorden waarin u bondig uw mening terzake formuleert, zullen wij overwegen hem te plaatsen als ingezonden brief.” Hé, ik had begrepen dat er maar 250 woorden gebruikt mochten worden, maar nu bleek ineens 300 ook te mogen…

Na het inzenden van een kortere versie krijgt deze schrijver op 25 juli op kwart voor tien het bericht: “Hartelijk dank voor toezending van uw brief. De grote hoeveelheid post die wij dagelijks ontvangen dwingt ons echter een selectie te maken en helaas moeten wij u mededelen dat wij uw ingezonden brief (deze keer) niet zullen plaatsen. Het spijt ons u niet anders te kunnen berichten. Met vriendelijke groet, Redactie Opinie, NRC Handelsblad”. De brief wordt door deze briefschrijver aan mij geforward met de mededeling: “Einde oefening. Ik geloof niet dat er ooit een keer een stuk wel geplaatst is.” Wat schetst echter de verbazing van deze zelfde briefschrijver bij het ontvangen om 12 uur dezelfde dag van het volgende bericht van weer een andere medewerker van de NRC: “Dank u voor uw antwoord. Als er in de krant van morgen ruimte is, dan plaats ik hem.”

Om half drie ‘s middags ontvang ik van deze zelfde medewerker (die voor mij een nieuwe ster aan het NRC firmament was; het was althans weer een nieuwe naam voor mij, met een e-mail adres, verschillend van de vorige drie) de mededeling: “Geachte heer Groeneboom, Dank u voor uw heldere en korte brief. Ik had hem graag willen plaatsen, maar er is een groot aantal brieven over dit onderwerp binnengekomen, met dezelfde strekking. Uw brief is daarbij helaas gesneuveld.” Eerlijk gezegd moest ik erg lachen om het woord “gesneuveld”, hoewel dat waarschijnlijk niet de bedoeling van deze redacteur was. En het grote aantal brieven met dezelfde strekking waar hier sprake van is, is dus denk ik gelijk aan drie (maar dit is natuurlijk slechts een vermoeden). Hoe het de andere brievenschrijver van een brief “met dezelfde strekking” is vergaan weet ik op dit moment nog niet. (Toevoeging 27 juli: deze brief is er ook “doorgekomen”, zoals deze briefschrijver mij inmiddels heeft laten weten, zie brieven NRC Handelsblad 26 juli).

Tenslotte komt hieronder de reactie die ik zelf op 22 juli heb ingezonden. Ik moet er nog aan toevoegen dat ik de bewering “Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment” als onjuist beschouw vanwege het woord “terecht”; wie weet is het echter wel juist dat rechters dit als een geuzencompliment beschouwen…

Mijn reactie op het redactioneel commentaar in de NRC “Ten halve gekeerd” van 16-7-08 (minder dan 250 woorden!):

In het redactioneel commentaar van 16-7-08 op het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt, wordt opgemerkt: “Die keuze is op zichzelf juist. De rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment. Daar zijn ze voor en dat kunnen ze.”
Hier staan zonder argumenten een aantal beweringen achter elkaar die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze “op zichzelf juist”? Wat is hiervoor het argument? Lucia de Berk zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.
In het voorstel van minister Hirsch-Ballin worden niet-juristen echter nog steeds geweerd en komt er geen onafhankelijke commissie, zoals bijvoorbeeld in Engeland de Criminal Cases Review Commission (CCRS). Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is. In Nederland zijn sinds 1997 slechts 3 zaken heropend, waaronder de Schiedammer parkmoord, waar een ander dan de veroordeelde heeft bekend.
Minister Hirsch-Ballin en ook Mr. Brouwer haasten zich in interviews steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker? De ervaringen van de CCRS wijzen in een andere richting!

Naschrift. Het is nu vrijdag 1 augustus en inmiddels nog iets gekker geworden. Op maandag 28 juli ontving ik weer een brief van een redacteur van de NRC (of liever gezegd: NRC.Next), waarin werd toegegeven dat het een chaos was en waarin ook werd gezegd (“copy and paste”): “Niettemin was ik nog altijd voornemens u brief te plaatsen in NRC.Next, maar ik kan me voorstellen dat u daar inmiddels bezwaar tegen heeft, gezien uw minder positieve ervaringen met onze twee kranten. Laat ik uw reactie wat dit betreft dus nog maar even afwachten”.

Ik heb het toen even aan mijn “forum” voorgelegd en iedereen vond dat ik maar op dit voorstel in moest gaan. Mijn brief was van vorige week dinsdag (22 juli); niet bepaald een flitsende reactie van de redactie! Het redactioneel commentaar was van nog een week eerder, zodat het zo langzamerhand wel enigszins mosterd na de maaltijd was geworden (wat betreft dit redactioneel commentaar, niet wat betreft de zaak waar het om ging). De brief schijnt inmiddels op 30 juli in NRC.Next verschenen te zijn, zoals ik vandaag van een redacteur als reactie op navraag mijnerzijds mocht vernemen.

Ik ben zelf niet geabonneerd op NRC of NRC.Next (zoals ik boven al opmerkte) en heb mijn reactie niet in de krant gezien, maar ik heb de afgelopen twee weken wel een aantal keren een NRC of NRC.Next gekocht. De keren dat ik deze kranten kocht zag ik daarin geen enkele brief van een lezer. Geen wonder dat ze ruimtegebrek hebben voor brieven! Het is ook weer aardig in verband met de uitspraak van de hoofdredactrice van de NRC “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. Is er niet eerder sprake van een soort verachting voor de lezer – in het bijzonder de lezer die een (kritische) reactie schrijft?

Bij de Volkskrant kan men ook door de krant heenbladeren via “Lees de online krant”. Bij NRC.Next heb ik die mogelijkheid niet ontdekt. Wel kwam ik bij pogingen om te bladeren door NRC.Next terecht bij rubrieken als next.lover (“Meer daten in minder tijd? Ga naar nextlover.nl”), maar daar was ik eigenlijk niet naar op zoek.
Zie aflevering 2 voor verdere ervaringen van een brievenschrijver.