Hoe worden door NRC.NEXT ingezonden brieven mishandeld?

August 11, 2008

Eigenlijk is dit aflevering 3 van mijn feuilleton: “Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld?”. Maar vandaag, nadat ik gezien heb wat nrc.next van mijn brief heeft gemaakt in de krant van 30 juli, lijkt de bovenstaande aanhef mij meer toepasselijk. Wat ik daar zag staan was gewoon mijn brief niet meer. En dat nog wel nadat ik braaf binnen de toegestane 250 woorden was gebleven!

Hieronder komen wat punten m.b.t de door nrc.next aangebrachte veranderingen.

Wat stond er in mijn oorspronkelijke brief over het heropenen van zaken van CCRS:

“Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is. In Nederland zijn sinds 1997 slechts 3 zaken heropend, waaronder de Schiedammer parkmoord, waar een ander dan de veroordeelde heeft bekend.”

Wat staat er in “mijn” brief in nrc.next:

“Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is.”

De voor mijn brief heel essentiële zin over het feit dat het er in Nederland in diezelfde tijd slechts 3 zijn geweest, waaronder de Schiedammer parkmoord, waarbij een ander dan de veroordeelde heeft bekend, heeft nrc.next er uit gecensureerd. Is dit van nrc.next een slinkse poging om te proberen te ontkrachten wat ik zeg?

Wat stond er over de Lucia de Berk zaak in mijn brief:

“Hier staan zonder argumenten een aantal beweringen achter elkaar die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze “op zichzelf juist”? Wat is hiervoor het argument? Lucia de Berk zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.”

Wat staat er in “mijn” brief in nrc.next:

“Dit zijn meerdere beweringen die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze “op zichzelf juist”? Lucia de B. zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten omtrent de toxicologische bewijsvoering.”

Nrc.next heeft hier onder tafel gewerkt:

1. Dat ze geen argumenten geven in hun hoofdcommentaar: op twee plaatsen hebben ze dat verdonkeremaand door het te herformuleren.

2. Ik zeg: “op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.” De fouten m.b.t. statistiek zijn in de publicatie van “mijn” brief echter onder tafel gewerkt. De NRC heeft dan ook prof. Elffers in een lang stuk aan het woord gelaten om hem te laten zeggen: “Statistiek doet er nu niet meer toe”. Zie Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren, en The Lucia de Berk case, part 2, waarin ik o.a. laat zien dat het arrest van het Haagse Hof nog steeds zwaar leunde op statistische overwegingen, hierbij gebruik makend van het rapport van prof. Elffers. NRC Handelsblad heeft mijn repliek op wat Elffers beweerde in de NRC echter niet willen publiceren, onder het mom dat hier al te veel over was geschreven!

Maar er is geen enkele reactie op het stuk van Elffers in de NRC verschenen! Het rapport van de commissie Grimbergen, waarin vorig jaar de aanbeveling werd gedaan de zaak tegen Lucia de Berk te heropenen, besteedde meer dan 10 pagina’s aan de kwalijke rol van de rechtspsycholoog Elffers en zijn “statistische” berekeningen en adviezen. Helaas hebben lezers van NRC Handelsblad of nrc.next hier echter geen kennis van mogen nemen! Misbruik van statistiek is wat de hele zaak tegen Lucia de Berk op gang heeft gebracht! Het is vervelend dat ik dit steeds maar weer moet herhalen, maar als de pers volhoudt slaafs de mededelingen van juristen en de rechtspsycholoog Elffers te volgen dat statistiek geen rol heeft gespeeld in het uiteindelijke arrest, ben ik wel gedwongen te blijven herhalen dat dit een leugen is. Nu word ik dus zelfs geconfronteerd met een censurering door nrc.next van mijn eigen brief m.b.t. dit punt.

Ten overvloede herhaal ik nog maar eens wat ik hier in mijn stukje de grote misleiding over heb gezegd:
In de uitzending van NOVA/Den Haag Vandaag van 4 november 2003 Statistiek in het strafproces zegt de hoogleraar strafrecht Theo de Roos nog: “In de Lucia de B. zaak is het statistisch bewijs ontzettend belangrijk geweest. Ik zie niet hoe men zonder dat bewijs tot een veroordeling zou zijn gekomen.”. In deze uitzending komt ook de rechtspsycholoog Elffers aan het woord, die hier stelt dat de kans dat een verpleegkundige, werkzaam op de drie ziekenhuisafdelingen, bij toeval bij zoveel van de onverklaarbare overlijdensgevallen en reanimaties op élk van de drie afdelingen aanwezig is, 1 op 342 miljoen zou zijn.

Nadat alle statistici in Nederland, maar ook statistici buiten Nederland, zich van de kans van 1 op 342 miljoen van prof. Elffers en prof. de Mulder gedistantieerd hadden, heeft het Haagse Hof het doen voorkomen of statistiek geen rol meer heeft gespeeld in het uiteindelijk arrest, maar zoals bijvoorbeeld prof. ‘t Hooft terecht bij zijn ondertekening van de petitie voor heropening van de zaak Lucia de Berk heeft opgemerkt: “Dat het gerechtshof pretendeert geen statistische argumenten te hebben gebruikt wordt door de verwoordingen van het vonnis weerlegd.”

Ik begrijp wel dat het Haagse Hof en prof. Elffers liever niet herinnerd willen worden aan de fouten die ze gemaakt hebben met betrekking tot de statistische argumentatie, maar ik begrijp niet waarom NRC en nrc.next hen hierin slaafs zouden moeten volgen en waarom het dagblad nrc.next zelfs zo ver meent te moeten gaan dat het mijn brief op dit punt censureert.

We gaan verder met mijn brief in nrc.next. In mijn oorspronkelijke brief zeg ik:

“Minister Hirsch-Ballin en ook Mr. Brouwer haasten zich in interviews steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker?”

In nrc.next staat:

“De minister haast zich steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker?”

De baas van het Openbaar Ministerie in Nederland, Mr. Brouwer, blijft nu buiten schot, maar nrc.next heeft wel: “Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker?” laten staan.

Ik begin mijn brief met:

“In het redactioneel commentaar van 16-7-08 op het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt, wordt opgemerkt:

Wat staat in nrc.next:

“Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) heeft voorgesteld om de commissie die gaat over de ruimere mogelijkheden om rechtszaken te heropenen een aanhangsel van de Hoge Raad te laten zijn. In het redactioneel commentaar “Ten halve gekeerd” (nrc.next, 17 juli) wordt daarover gezegd:”

Dat is iets heel anders; het “een aanhangsel van de Hoge Raad maken” van deze commissie is slechts een onderdeel van het voorstel van minister Hirsch Ballin waar ik het niet mee eens ben. Het creëren van een vaste “pool” (dr. le Pair spreekt in dit verband over “poel”) van geregistreerde deskundigen die een cursusje forensische methoden hebben gevolgd is een ander (slecht) onderdeel van het voorstel. Op die manier wordt de situatie waarin de echte deskundigen niet worden geraadpleegd, zoals voor het onderdeel statistiek het geval is geweest in de Lucia de Berk zaak, gecontinueerd. Mijn formulering gaf aan dat “een aanhangsel van de Hoge Raad maken” slechts een onderdeel of gevolg van de plannen was; in de herformulering lijkt het alsof het mij daar alleen maar om gaat.

Zoals ik boven al zei: het is gewoon mijn brief niet meer. Het is allemaal te gek voor woorden wat hier gebeurd is. En dat op een essentiële manier veranderen van mijn brief is gebeurd zonder mij daar iets over mee te delen! Binnenkort kunnen we brieven tegemoet zien in NRC of nrc.next waar onze naam onder staat, maar waarin het tegendeel wordt gezegd van wat we onder de aandacht hebben willen brengen!
De brief zoals ik hem aan de NRC heb aangeboden is te vinden op: in de kranten, waar ook de brieven van Metta de Noo en dr. Kees le Pair worden gegeven.


Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld, aflevering 2

August 6, 2008

In de eerste aflevering van mijn zo juist gestarte feuilleton Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld werden enkele hypothesen ontwikkeld over wat voor brieven er wel of niet “door zouden komen”. Kort na het schrijven van deze eerste aflevering deed zich een interessante “test case” voor (gelukkig niet n.a.v. een brief van mijzelf). Kees le Pair had in NRC Handelsblad van 26 juli een m.i. zeer goede brief over de voorstellen van minister Hirsch Ballin geschreven, zie in de kranten, waar ook de brieven van Metta de Noo en mijzelf worden gegeven. Een reactie van juridische zijde waarin zou worden gezegd: “U beschadigt het vertrouwen in de rechterlijke macht” kon natuurlijk niet uitblijven. En jawel, Mr. Kruisdijk heeft in de NRC van 31 juli een (pijlsnel geplaatste!) brief waarin precies deze aantijging staat, samen met wat beschouwingen over het feit dat rechters die naar een functie in een andere standplaats worden gepromoveerd, niet meer zaken mogen behandelen die hebben gediend bij de rechtbank waar ze eerder gedetacheerd waren. Helaas houdt deze juridische logica echter op bij de Hoge Raad, want als daar een zaak wordt aangeboden die eerder door één van de leden van de Hoge Raad is behandeld in een vorige fase van de loopbaan, is er voor ons hoogste rechtscollege geen ontsnappen meer mogelijk aan het behandelen van deze zaak.

Een brief waarin o.a. dit wordt opgemerkt is op 3 augustus door Kees le Pair aan NRC Handelsblad gezonden. Hier komt hij:

Op 31 juli schreef rechter Kruisdijk dat mijn kritiek (NRC 26/7) ‘nodig weersproken’ moet worden. In hoger beroep fungeren geen rechters die al in eerdere instantie met een zaak te maken hadden. Ik beschadig met mijn niet onderbouwde stelling het vertrouwen in de rechterlijke macht.
Rechters, die eerder in de Eper incestzaak fungeerden zitten broederlijk in het college dat over een eventuele herziening mag besluiten. Een rechter, die steken liet vallen in de Puttense moordzaak, gaat zich in de Hoge Raad over herzieningen buigen. De uitlevering van Hörchner geschiedt op last van een rechter, die voordien bij de landsadvocaat werkte, waartegen hij jaren heeft geprocedeerd… Mr. Kruisdijk keek slechts naar ‘hoger beroep’ in engere zin. Ik bezie de procesgang uit het oogpunt van de beklaagde, de ten onrechte gestrafte, kortom de bedreigde burger. Als hij dat ook deed, zouden de voorbeelden niet aan zijn aandacht zijn ontsnapt.
Fijn dat onze magistraten ook zelf waken tegen het bezwaar klevend aan functie hoppen. (Dezelfde persoon gaat opnieuw over dezelfde zaak.) Mogen wij op hun steun rekenen bij ons verzet tegen het voorstel van Minister Hirsch Ballin? Die wil de Hoge Raad verantwoordelijk maken voor de herziening van een gesloten rechtszaak. Hij hanteert dus een contraire logica. Ik wacht op het bericht: “Rechters protesteren tegen het wetsvoorstel herziening gesloten rechtszaken. De beslissingsbevoegdheid moet niet worden gelegd bij een instantie, die verantwoordelijk was in de voorafgaande rechtsgang.”
‘U beschadigt het vertrouwen in de rechterlijke macht’ is een verwijt dat bij de magistratuur los in de mond ligt. Ik trek het mij niet aan. Het is of je bewoners niet moet waarschuwen, wanneer hun huis in brand staat. Ze zouden in paniek kunnen raken. Sinds mensenheugenis riskeren brengers van slechte tijdingen de woede van potentaten. De psychologie daarachter lijkt tijdsinvariant.

Het kwam mij voor dat deze brief niet door de normen en waarden van de hoofdredactrice Birgit Donker heen zou komen. Ik schreef dan ook aan Kees le Pair: “Een heel goede en ook nog leuke brief! Het kan bijna niet beter. Alleen vraag ik me af of dit wel mag van Birgit Donker. Ik geloof dat sarcasme niet is toegestaan. Ben benieuwd…” En, …, het is vervelend om te zeggen, maar ik had al weer gelijk! Vandaag verscheen de brief van Kees le Pair in NRC Handelsblad zonder de laatste twee alinea’s. Maar we moeten natuurlijk niet voorbarig zijn in onze conclusie dat dit ligt aan de normen en waarden van de hoofdredactrice en eerst nog even een alternatieve hypothese toetsen.

We kunnen ons bijvoorbeeld afvragen: “Bleef deze brief wel binnen de 250 woorden (of de aan een andere briefschrijver in de krant van 26 juli toegestane 300 woorden, na verzoek tot inkorten)?”. Ik heb even geteld. De brief telt 297 woorden, zit dus wel binnen de limiet van 300 woorden, maar niet binnen de limiet van 250 woorden. Laten we echter de laatste alinea, beginnend met “‘U beschadigt het vertrouwen in de rechterlijke macht’ is een verwijt dat bij de magistratuur los in de mond ligt.” weg, dan houden we 235 woorden over. Dat betekent dat de brief dan zelfs keurig binnen de 250 woorden blijft, maar ook nog een alinea bevat, beginnend met: “Fijn dat onze magistraten ook zelf waken tegen het bezwaar klevend aan functie hoppen.” Het is m.i. duidelijk dat dit niet kon vanwege de normen en waarden van de hoofdredactrice.

Na de brief van Kees le Pair kwam in de NRC van vandaag een brief getiteld: “Bachs Hohe Messe is overduidelijk katholiek”. Ik was even geïnteresseerd in de vraag hoeveel woorden dit stukje bevatte. Hier is het antwoord: 272. Ai! Boven de 250! Maar wat een wereld van geleerdheid wordt hier dan ook niet over ons uitgestort!

Bijvoorbeeld:
“Overigens, de Hohe Messe moge integraal voor het eerst zijn uitgevoerd in 1749, het Kyrië en het Gloria werden al gecomponeerd in 1733 en als proeve van bekwaamheid aangeboden aan de katholieke Friedrich August II, koning van Polen en keurvorst van Saksen.”

Kijk, dit is nu het soort van brieven die een “sieraad voor de krant zijn”, om met Birgit Donker te spreken. Daar is onze kwaliteitskrant heel erg blij mee. Het geeft een bijna cosmetische glans aan de krant. En dat gezeur over onze voortreffelijke Nederlandse juristen en die rechtszaken die niet goed behandeld zouden zijn moet nu maar eens de kop in worden gedrukt!

Dus, de Hohe Messe moge integraal voor het eerst zijn uitgevoerd in 1749, maar het moge ook duidelijk zijn dat de brief van Kees le Pair te pittig was voor de NRC. Sarcasme mag niet, grapjes mogen niet. Men neme een voorbeeld aan de brief “Bachs Hohe Messe is overduidelijk katholiek”, al telt die dan ook meer dan 250 woorden!

Naschrift. (8-8-08). Kees le Pair heeft inmiddels zelf bericht over het door NRC Handelsblad (zonder zijn voorkennis) afhakken van de laatste twee alinea’s van zijn brief, zie: Rechters moet je eren! Vroeger stond er dan in zo’n geval bij een brief: “Van redactiewege bekort”, zodat je wist dat de krant een of andere bewerking op de brief had uitgevoerd.
Ik begin me nu zelf ook enige zorgen te maken dat mijn brief in NRC.Next van 30-7-08 misschien eveneens door de redactie “bewerkt” is. Zelf heb ik deze brief nl. niet in de krant zien staan, omdat ik pas twee dagen later van een redacteur vernam dat hij geplaatst was in de krant van 30 juli (als reactie op een vraag van mij), en omdat ik er via de site niet bij lijk te kunnen komen…
Toevoeging 11-8-08: Het vervolg van dit feuilleton is te vinden in: Hoe worden door NRC.NEXT ingezonden brieven mishandeld?


Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld?

July 26, 2008

De hoofdredactrice van NRC-Handelsblad Birgit Donker zegt in haar Weblog Over wel/niet plaatsen van ingezonden brieven: “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. Ik weet niet hoe het de lezer van deze blog vergaat, maar als ik zoiets lees, denk ik meteen: “sales talk”. Na de opmerking “Een interessante brief is een sieraad voor de krant” maakt Birgit Donker nog wat opmerkingen over hoe een brief moet zijn: een brief moet vooral heel erg netjes, om niet te zeggen braaf, zijn; hij mag bijvoorbeeld vooral niet te emotioneel zijn. Hij mag eigenlijk ook niet geestig of zelfs alleen maar grappig zijn; in een nette krant zoals de NRC moeten nette mensen op een nette en gezagsgetrouwe manier met elkaar communiceren, afgezien van de communicatie die tot ons komt van de achterpagina via bijvoorbeeld Fokke en Sukke en Youp van ‘t Hek. Het geeft niet of de brieven/artikelen op de andere pagina’s de grootste onzin bevatten, als het maar netjes gebracht wordt is het in principe in orde. Dit is natuurlijk meer een samenvatting naar de geest dan de letter van wat Birgit Donker na haar openingszin zegt, maar aangezien ik de link hierboven geef, kan iedereen zelf controleren of ik de geest van wat daar staat hier juist weergeef. Het is overigens wel zo dat er inderdaad bepaalde grenzen zijn; als je bijvoorbeeld Leon de Winter in Elsevier te keer ziet gaan tegen de natuurkundige en vioolbouwer Hajo Meyer in Wat lastige joden leerden van de Holocaust, zou je hem bijna wat van de door Birgit Donker genoemde normen willen aanbevelen. “It’s a fine line”.

Ik heb de laatste 15 jaar in totaal drie brieven naar kranten gestuurd, waarvan twee naar de NRC. De derde reactie ging naar Trouw. Trouw is zo fatsoenlijk om een bevestiging van ontvangst te sturen. Hierop hoeven we bij de NRC niet te rekenen. Bij mijn reactie nummer 1 (van vorig jaar) op een artikel van de rechtspsycholoog Elffers, die mij in de NRC een bewering in de schoenen schoof die precies het tegendeel was van wat ik had gezegd (zie Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren), kreeg ik na enkele weken de mededeling dat er inmiddels al zoveel mensen over dit onderwerp geschreven hadden dat mijn reactie helaas niet meer geplaatst kon worden. Maar eerlijk gezegd heb ik in de NRC geen enkele reactie op het opiniestuk van Elffers gezien. Ik zat in die tijd in Zürich en had met behulp van de echtgenoot van een collega daar nog een plaatje van Joris Goedbloed (met tekst) in mijn antwoord aan Elffers gehesen. Iemand schreef mij toen uit Nederland: “Erg leuk dat plaatje van Joris Goedbloed, maar je begrijpt natuurlijk wel dat het met dat plaatje erbij helemaal nooit in de NRC was gekomen.” Nee, inderdaad, met het leuke plaatje erbij werden de door Birgit Donker genoemde normen en waarden natuurlijk met voeten getreden!

joris.jpg

Per aspera ad pecunia oleo, roepen wij, latinisten, feestelijk uit!

(Joris Goedbloed in Panda en de Olie-Magnaat.)

Deze week voelde ik mij gedwongen een reactie te schrijven op een passage in een redactioneel commentaar van de NRC die mij als grote onzin voorkwam en die bovendien steun verleende aan een gevaarlijk soort ontwikkeling in juridisch Nederland. Het ging hier om het redactioneel commentaar van 16-7-08, getiteld “Ten halve gekeerd”. Dit was de tweede brief die ik ooit aan de NRC heb geschreven. Mijn brief staat aan het eind van deze blog. Ik kreeg natuurlijk geen bevestiging van ontvangst en heb daar toen de dag nadat ik mijn reactie gestuurd had nog eens expliciet om gevraagd. Ook vroeg ik aan een bevriende insider m.b.t. hoe dit soort zaken door de NRC behandeld worden waarom de NRC eigenlijk niet het fatsoen had om een ontvangstbevestiging te sturen, al was het maar een automatische bevestiging van ontvangst. Hij stuurde mij toen een heel uitvoerig antwoord dat ik hier graag zou plaatsen omdat het heel grappig was wat hij vertelde over de gang van zaken bij de NRC wat dit betreft, maar omdat ik zo netjes ben en het privé correspondentie betreft zal ik het niet doen. Hij heeft mij echter toestemming gegeven hieruit te citeren, met de toevoeging: “Het is allemaal waar wat ik zeg”.

Om te beginnen zei hij: “Ze hebben per redactie doorgaans daar een of ander meisje voor zitten die dat afhandelt. Als ik zelf een ingezonden brief stuur, word ik precies zo behandeld als jij, op z’n best krijg ik van zo’n meisje een kort briefje dat er helaas geen plaats is voor mijn bijdrage. In feite is dat erg eigenaardig, maar zo werken ze daar. Ze werken ook met volledig gescheiden redacties per rubriek, zodat het kan gebeuren dat er soms twee artikelen over hetzelfde onderwerp in de krant staan op de verschillende pagina’s.” En verder: “Het heeft dus weinig zin je boos te maken over de gang van zaken daar, want zoals men daar werkt, dat is regelrecht onbegrijpelijk voor een ordelijk denkend mens.” En tenslotte: “Ik wou dat ik je iets leukers kon vertellen, maar helaas, zo gaat het daar, en ‘t is doodjammer want die brief van je is voortreffelijk en ik zou ‘t enorm toejuichen als hij geplaatst werd.”

Hier werd een zwart beeld opgeroepen van de behandeling van brieven van lezers, dat niet helemaal leek te passen bij het adagium van de hoofdredactrice Birgit Donker “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. En inderdaad, al zijn voorspellingen kwamen uit. Eerst kreeg ik een briefje van het secretariaat van de opinie redactie “Dank voor uw ingezonden brief. Wij hebben deze in goede orde ontvangen.” Dat was wel als antwoord op mijn expliciete verzoek om zo’n bevestiging de dag na mijn inzending, maar alla, het gaf toch enige moed dat het niet helemaal hopeloos was. Daarna kreeg ik dezelfde dag nog een e-mailtje van iemand anders van de opinie redactie: “Vriendelijk dank voor uw reactie. We hebben die in goede orde ontvangen. Mocht de vermelding van uw naam en/of woonplaats ontbreken, kunt u die dan alsnog toesturen?” Ik had mijn adres nog niet opgestuurd, dus dat heb ik toen meteen gedaan. Tot mijn grote verbazing kreeg ik echter de volgende dag weer een e-mail van een andere redacteur van de opinie redactie van de NRC met de inhoud: “Uw brief is gearriveerd, maar wij kunnen pas tot plaatsing overgaan als wij uw woonplaats weten. Gaarne deze e-mailen.” Ik heb toen de informatie die ik hierover al aan de NRC had opgestuurd geforward aan de betreffende (andere) redacteur en aan mijn kennis geschreven: “Ik heb een forward van mijn e-mail met adres van gisteren aan beide redacties gestuurd in de hoop dat ze zich een beetje schamen, maar dat zal wel niet het geval zijn!” Hij schreef terug: “Dat ze het adres vragen is een goed teken. Schamen zullen ze zich zeer beslist niet, het slag dat daar zit heeft nog nooit van schaamte gehoord.”

Nu was het zo dat ik een aantal kennissen attent had gemaakt op de betreffende passage in het hoofdartikel dat ging over het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt. Op 18 juli (net terug van vakantie had ik de vorige dag een NRC gekocht; ik ben geen abonnee) schreef ik aan deze kennissen:
“M.i. zou iemand moeten reageren op de volgende zinnen in het hoofdcommentaar van de NRC: “Die keuze is op zichzelf juist. De rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment. Daar zijn ze voor en dat kunnen ze.” Hier staan (zonder argumenten) een aantal beweringen achter elkaar die stuk voor stuk onjuist lijken. Ik heb zelf geen geluk gehad met mijn reacties op onzin in de NRC, maar het lijkt mij van belang dat iemand hier iets over zegt. Anders komen we in Nederland steeds meer in een situatie terecht waarin iedereen die voor het gerecht verschijnt een rechtvaardige behandeling wel kan vergeten.”
Twee van deze kennissen hadden de handschoen opgenomen en een reactie (op het hele commentaar) aan de NRC gestuurd. Deze brieven overschreden de limiet van 250 woorden die de NRC (in de op de opiniepagina hiervoor verstrekte normen) geeft, zodat ik enigszins bevreesd werd dat deze reacties er ook niet doorheen zouden komen.

Wel had ik, ingaand op een verzoek van deze twee schrijvers, wat suggesties gedaan m.b.t. woordkeuze e.d., die gedeeltelijk door hen werden overgenomen. Eén van hen kreeg een bevestiging van ontvangst, de ander niet. Ontvangst bevestigen of niet bevestigen, het is een random proces bij de NRC! Aan één van hen schreef ik: “Laat je me nog even weten of het geplaatst wordt? Ik zag dat je 317 woorden gebruikt, terwijl de NRC maar 250 toelaat. Ik overweeg om zelf ook nog even een korte reactie te sturen, als die van jou er niet in komt.”
Hij schreef terug: “Ik heb nog niets van de NRC gehoord, dus ook geen afwijzing. Niettemin zou ik je willen aansporen zelf ook iets te schrijven en wacht daar niet te lang mee. Op de redactie worden ze sterk beïnvloed door de lezersdruk. Als er veel mensen over iets schrijven is het “hot” en de ruimte waard. Pas bij een lawine van stukken gaan ze dan weer ziften.” Afgezien van het feit dat deze brief van een andere insider m.b.t. de NRC weer een nieuw licht werpt op hoe deze “kwaliteitskrant” omgaat met het nieuws (zou een kwaliteitskrant eigenlijk niet meer aandacht moeten besteden aan het belang van een onderwerp dan aan hoe “hot” dit onderwerp is; is het laatste niet meer de taak van de Telegraaf?), geloof ik inmiddels dat het eigenlijk niet zo werkt. Want….

Het is inmiddels 25 juli. Eén van de twee andere schrijvers (die 746 woorden had gebruikt) heeft te horen gekregen van weer een andere redacteur dat het te lang was (zoals ik trouwens ook al tegen deze schrijver had gezegd): “Dank voor de bijdrage die wij echter niet in deze omvang kunnen plaatsen. Indien u hem wilt bekorten tot max. 300 woorden waarin u bondig uw mening terzake formuleert, zullen wij overwegen hem te plaatsen als ingezonden brief.” Hé, ik had begrepen dat er maar 250 woorden gebruikt mochten worden, maar nu bleek ineens 300 ook te mogen…

Na het inzenden van een kortere versie krijgt deze schrijver op 25 juli op kwart voor tien het bericht: “Hartelijk dank voor toezending van uw brief. De grote hoeveelheid post die wij dagelijks ontvangen dwingt ons echter een selectie te maken en helaas moeten wij u mededelen dat wij uw ingezonden brief (deze keer) niet zullen plaatsen. Het spijt ons u niet anders te kunnen berichten. Met vriendelijke groet, Redactie Opinie, NRC Handelsblad”. De brief wordt door deze briefschrijver aan mij geforward met de mededeling: “Einde oefening. Ik geloof niet dat er ooit een keer een stuk wel geplaatst is.” Wat schetst echter de verbazing van deze zelfde briefschrijver bij het ontvangen om 12 uur dezelfde dag van het volgende bericht van weer een andere medewerker van de NRC: “Dank u voor uw antwoord. Als er in de krant van morgen ruimte is, dan plaats ik hem.”

Om half drie ‘s middags ontvang ik van deze zelfde medewerker (die voor mij een nieuwe ster aan het NRC firmament was; het was althans weer een nieuwe naam voor mij, met een e-mail adres, verschillend van de vorige drie) de mededeling: “Geachte heer Groeneboom, Dank u voor uw heldere en korte brief. Ik had hem graag willen plaatsen, maar er is een groot aantal brieven over dit onderwerp binnengekomen, met dezelfde strekking. Uw brief is daarbij helaas gesneuveld.” Eerlijk gezegd moest ik erg lachen om het woord “gesneuveld”, hoewel dat waarschijnlijk niet de bedoeling van deze redacteur was. En het grote aantal brieven met dezelfde strekking waar hier sprake van is, is dus denk ik gelijk aan drie (maar dit is natuurlijk slechts een vermoeden). Hoe het de andere brievenschrijver van een brief “met dezelfde strekking” is vergaan weet ik op dit moment nog niet. (Toevoeging 27 juli: deze brief is er ook “doorgekomen”, zoals deze briefschrijver mij inmiddels heeft laten weten, zie brieven NRC Handelsblad 26 juli).

Tenslotte komt hieronder de reactie die ik zelf op 22 juli heb ingezonden. Ik moet er nog aan toevoegen dat ik de bewering “Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment” als onjuist beschouw vanwege het woord “terecht”; wie weet is het echter wel juist dat rechters dit als een geuzencompliment beschouwen…

Mijn reactie op het redactioneel commentaar in de NRC “Ten halve gekeerd” van 16-7-08 (minder dan 250 woorden!):

In het redactioneel commentaar van 16-7-08 op het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt, wordt opgemerkt: “Die keuze is op zichzelf juist. De rechterlijke macht bewijst iedere dag dat het eigen werk kan herzien. Het verwijt dat slagers hun eigen vlees mogen keuren zien rechters terecht als een geuzencompliment. Daar zijn ze voor en dat kunnen ze.”
Hier staan zonder argumenten een aantal beweringen achter elkaar die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze “op zichzelf juist”? Wat is hiervoor het argument? Lucia de Berk zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.
In het voorstel van minister Hirsch-Ballin worden niet-juristen echter nog steeds geweerd en komt er geen onafhankelijke commissie, zoals bijvoorbeeld in Engeland de Criminal Cases Review Commission (CCRS). Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is. In Nederland zijn sinds 1997 slechts 3 zaken heropend, waaronder de Schiedammer parkmoord, waar een ander dan de veroordeelde heeft bekend.
Minister Hirsch-Ballin en ook Mr. Brouwer haasten zich in interviews steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker? De ervaringen van de CCRS wijzen in een andere richting!

Naschrift. Het is nu vrijdag 1 augustus en inmiddels nog iets gekker geworden. Op maandag 28 juli ontving ik weer een brief van een redacteur van de NRC (of liever gezegd: NRC.Next), waarin werd toegegeven dat het een chaos was en waarin ook werd gezegd (“copy and paste”): “Niettemin was ik nog altijd voornemens u brief te plaatsen in NRC.Next, maar ik kan me voorstellen dat u daar inmiddels bezwaar tegen heeft, gezien uw minder positieve ervaringen met onze twee kranten. Laat ik uw reactie wat dit betreft dus nog maar even afwachten”.

Ik heb het toen even aan mijn “forum” voorgelegd en iedereen vond dat ik maar op dit voorstel in moest gaan. Mijn brief was van vorige week dinsdag (22 juli); niet bepaald een flitsende reactie van de redactie! Het redactioneel commentaar was van nog een week eerder, zodat het zo langzamerhand wel enigszins mosterd na de maaltijd was geworden (wat betreft dit redactioneel commentaar, niet wat betreft de zaak waar het om ging). De brief schijnt inmiddels op 30 juli in NRC.Next verschenen te zijn, zoals ik vandaag van een redacteur als reactie op navraag mijnerzijds mocht vernemen.

Ik ben zelf niet geabonneerd op NRC of NRC.Next (zoals ik boven al opmerkte) en heb mijn reactie niet in de krant gezien, maar ik heb de afgelopen twee weken wel een aantal keren een NRC of NRC.Next gekocht. De keren dat ik deze kranten kocht zag ik daarin geen enkele brief van een lezer. Geen wonder dat ze ruimtegebrek hebben voor brieven! Het is ook weer aardig in verband met de uitspraak van de hoofdredactrice van de NRC “Een interessante brief is een sieraad voor de krant”. Is er niet eerder sprake van een soort verachting voor de lezer – in het bijzonder de lezer die een (kritische) reactie schrijft?

Bij de Volkskrant kan men ook door de krant heenbladeren via “Lees de online krant”. Bij NRC.Next heb ik die mogelijkheid niet ontdekt. Wel kwam ik bij pogingen om te bladeren door NRC.Next terecht bij rubrieken als next.lover (“Meer daten in minder tijd? Ga naar nextlover.nl”), maar daar was ik eigenlijk niet naar op zoek.
Zie aflevering 2 voor verdere ervaringen van een brievenschrijver.