Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 5

December 9, 2010

Al ongeveer een half jaar denk ik dat ik mijn stukjes over de refuseniks af moet maken, maar er is gewoon geen tijd; “mijn vak roept”, om het zo maar eens te zeggen. Maar vandaag, toen Vrij Nederland in de bus viel, met voorop Lucia de Berk, en daaronder: “Na de vrijspraak. Lucia de B. en Kees B. kregen hun naam terug. Nu hun leven nog.”, probeer ik me aan te gorden om het af te maken.

De mensen die direct of indirect verantwoordelijk zijn geweest voor de veroordeling van Lucia de Berk (waarvan een aantal banden hebben of hadden met de Erasmus Universiteit, Rotterdam) proberen nog steeds op slinkse wijze hun gelijk te halen. Dat verschijnsel van te maken krijgen met mensen die ondanks het feit dat duidelijk de onschuld aan het licht gekomen is nog steeds proberen de veroordeelde verdacht te maken is iets waar Kees Borsboom (die volgens het Vrij Nederland artikel elke dag aan zelfmoord denkt) ook last van heeft.

Lucia de Berk is officieel vrijgesproken, maar dat voorrecht is Kees Borsboom niet ten deel gevallen. Vrijspraak voor Kees Borsboom is op uiterst laffe wijze vermeden door het Openbaar Ministerie “niet ontvankelijk” te verklaren, zie voor informatie hierover bijvoorbeeld het boek “De slapende rechter” van Wagenaar et al. De Rotterdamse officier van justitie die waarschijnlijk bewijsmateriaal heeft achtergehouden om Borsboom achter de tralies te krijgen is inmiddels benoemd tot rechter in Dordrecht. Ik kan me begrijpen dat dit voor Borsboom een onverdraaglijke gedachte is. Voor meer details over deze zaak, zie: De grote misleiding en de Wikipedia artikelen Commissie Posthumus en Schiedammer Parkmoord. Ik citeer: “Harm Brouwer, hoofd van het college van Procureurs-generaal, erkende dat het OM “onmiskenbaar fouten” had gemaakt en dat er “heel veel” was misgegaan, met ernstige gevolgen. Volgens hem was uit het onderzoek echter niet gebleken dat het OM “te kwader trouw of bewust verkeerd” zou hebben gehandeld.”. Groen-Links en de SP hebben in de tweede kamer naar aanleiding van deze zaak een motie van wantrouwen tegen minister Donner ingediend (die in deze kwestie voortdurend het OM de hand boven het hoofd heeft gehouden), maar deze motie kreeg geen meerderheid (want dat durfden de gezagsgetrouwe grote partijen natuurlijk niet aan; merkwaardig genoeg -of misschien niet zo merkwaardig- werd de motie wel gesteund door de “groep Wilders”). Zo lang er in Nederland geen revisieraad naar Engels model is, zal justitie de gemaakte fouten kunnen blijven toedekken.

Ik zou hier graag nog het een en ander over willen zeggen, maar laat ik vandaag maar beginnen met te vertellen hoe dat afliep met Piet Groeneboom en de Bernoulli society na zijn bezoek aan de refuseniks. Jaren later was er een week in Oberwolfach voor kansrekenaars en statistici. Oberwolfach is een klein plaatsje in het Schwarzwald waar een wiskunde instituut op een heuvel ligt. Hier kun je als wiskundige worden uitgenodigd voor een week die gewijd wordt aan een deel van de wiskunde waarin je geacht wordt expert te zijn. Ook kun je worden uitgenodigd als je op een of andere manier een machtige positie in de wereld van de wiskunde hebt en niet per se een expert bent op het gebied waar zo’n week aan is gewijd. Wiskundigen vinden het daar in het algemeen heel leuk; er is bijvoorbeeld een muziekkamer waar ik vaak strijkkwartet heb gespeeld of bijv. (voor het eerst van mijn leven) de Goldberg variaties van Bach in een zetting voor viool, altviool en cello. Ook staat er een vleugel, dus er kunnen ook piano trio’s worden gespeeld, enz. Ik ben er nu al weer een tijdje niet meer geweest, maar er kon ook worden gepingpongd en gebiljart en woensdagmiddag werd er altijd gewandeld in de bergen. En ‘s avonds en ‘s nachts werd er meestal vrij veel gedronken, hoewel dat enigszins van het aanwezige gezelschap afhing; ik ben er ook wel eens geweest in een week waarin iedereen vroeg naar bed ging.

In ieder geval: op zo’n avond, of liever gezegd nacht in Oberwolfach, zaten B. en ik, samen met wat Amerikanen en een (van origine) Australiër (die mij de volgende ochtend vertelde “very embarrassed” te zijn door wat zich had afgespeeld) wat te drinken in het hoofdgebouw, toen B. mij ineens vroeg: “Piet, do you still remember our flight from Moscow to Tashkent?” Waarop ik antwoordde: “Of course I remember, B.! That was the flight where you threatened to throw me out of the Bernoulli society if I would persist in my plan to visit the refuseniks!”. B. werd toen bijzonder rood in het gezicht en schreeuwde: “That’s a lie! Take that back! I don’t take that from you, Piet!”. Ik wil even stil staan bij: “I don’t take that from you, Piet!” Wat betekent dat precies? Dat vroeg ik mij toen ook al af. Betekent het dat hij het wel “genomen” zou hebben van een belangrijker iemand, maar niet van zo’n onbelangrijk persoon als ik? Maar goed, ik antwoordde: “Well, I’ll try to reproduce your exact words. I think you said that it would have very serious consequences for my position in the Bernoulli Society”. B. gaf toen toe dat hij dit wel eens gezegd zou kunnen hebben. Want wat was het geval? “I was up for a nomination in the council of the Bernoulli Society” en het was misschien verstandiger om dit niet te laten doorgaan met zo iemand die niet de officiële lijn van de partij, pardon de Bernoulli Society, volgde, en het voornemen om de refuseniks in Moskou op te zoeken ondanks alle waarschuwingen toch doorzette! Grappig genoeg wist ik niets van die eventuele benoeming in de council van de Bernoulli Society en als ik het wel had geweten zou het geen enkel verschil hebben gemaakt. Sommige mensen (waaronder B.) vinden het heerlijk om vereerd te worden met dat soort officiële functies, maar ik behoor niet tot die categorie! Een bevriende collega zei later tegen mij: “Ben je daar even mooi aan ontsnapt!” Inderdaad heeft B. kennelijk mijn benoeming in die council verijdeld, want ik heb er nooit meer iets van gehoord en wist er ook niets van tot dat gesprek in Oberwolfach.

Nu deze kwestie is afgehandeld (eigenlijk is het een stukje geschiedschrijving), kan ik nog iets zeggen over het bezoek aan de refuseniks zelf. Ik had strikte instructies uit Nederland en een telefoonnummer gekregen van Alexander Joffe (een foto die ik van hem zag in een TV uitzending op een zondagmiddag over de refuseniks heeft deze serie blogs “getriggerd”). Die mocht ik niet uit mijn Akademia hotel in Moskou bellen, maar ik moest naar beneden gaan en in een telefooncel op straat bellen. Je gangen en telefoongesprekken in het Akademia hotel werden inderdaad gecontroleerd; er zat bijvoorbeeld een meisje op de overloop van de verdieping waar mijn kamer was, die iets in een boekje schreef als ik wegging of terugkwam. Ik heb dus gebeld uit een telefooncel en met Alexander Joffe afgesproken hem te ontmoeten aan het eind van een metrolijn in een station met spiegels. Kennelijk een bekend ontmoetingspunt, ook voor paartjes…

Een aantal mensen wilde graag met mij meegaan, een bekende Amerikaanse statisticus P.B. (vriend van de Nederlandse B.), mijn promotor K.O., en twee Nederlandse kansrekenaars, die ik zal aanduiden met L. en F.; L. had ook een “briefing” gehad van de Nederlandse organisatie die mij had benaderd over het bezoek en had net als ik het verbod om te gaan genegeerd. P.B. duidde de brief die ons uit Moskou via B. was toegestuurd aan als de “hysterical letter of G.” en vatte dus die verboden om te gaan ook niet al te serieus op. Maar om een of andere reden heb ik toch de volle blaam voor dit bezoek gekregen.

Tot mijn verbazing ging alles volgens plan. We ontmoetten Alexander Joffe in het metrostation en werden door hem naar een bushalte gebracht. Het was behoorlijk koud en er stonden heel veel mensen te wachten bij die bushalte. De bus was dan ook zo vol dat het onmogelijk was de stempelautomaat te bereiken. We stonden daar als haringen in een ton totdat we dichtbij de flat van Alexander Joffe waren. Bij hem thuis troffen we ook een oudere collega van hem aan (die al 20 jaar probeerde het land uit te komen). Zijn vrouw serveerde lekkere dingen bij de thee. Alexander vertelde dat zijn moeder, zodra hij de wens te kennen had gegeven dat hij naar Israël wilde emigreren, ontslagen was wegens “het niet goed opvoeden van haar kinderen”. Hij zelf kon ook wel vergeten ooit nog als wetenschapper in Moskou aan de slag te kunnen komen, want zodra je de wens te kennen had gegeven het land te verlaten, kreeg je een aantekening op je “conduite” staat dat je “morally unstable” was. En daar nog bijgevoegd dat je jood was maakte dat je alleen nog conciërge kon worden of iets van dien aard. Verder kon je proberen aan geld te komen door bijlessen te geven. Iedereen die ik toen gesproken heb is inmiddels het land uit, dus ik kan er nu vrij over spreken. Freidlin, die hier niet bij was, maar wel bevriend met Alexander Joffe, was ook naar Tashkent geweest en had daar aan het begin van zijn praatje een uiteenzetting over de situatie van de refuseniks gegeven, die simultaan in het Engels, enz. vertaald was; een succesje van de refuseniks, waar Alexander Joffe opgetogen over vertelde.

Ik had op aanraden van de Nederlandse organisatie wat (wiskundige) rapporten meegenomen (de refuseniks hadden geen toegang tot de wiskunde bibliotheken), F. had chocola meegenomen (hij vertelde mij nog onlangs dat hij daar eigenlijk zo’n slecht gevoel over had, maar hij had niets anders kunnen bedenken). Toch goed van F. om ueberhaupt iets mee te nemen (vind ik). Het was voor mij een onvergetelijke avond en ik geloof voor de anderen ook, hoewel ik behalve met F. en L. er daarna nooit meer met de anderen over gesproken heb.

F. herinnert zich dat we in een taxi zijn teruggegaan en daarbij eindeloos door grauwe buitenwijken zijn gereden. Ik herinner me daar eerlijk gezegd niets meer van. Wel herinner ik me de opluchting bij het weer terugzijn in “het Westen”, een opluchting die ik altijd voel als ik het oostblok heb verlaten (moet ik bekennen).

A screen-shot of Biff (B., aka Bill) and his pals. Biff encourages his mates to go after the probabilist-statistician P.G. (not in the picture), who ignored his veto. The guy (boy) with the white-rimmed sunglasses has been identified to be the well-known statistician of British descent R.D.G. (he seems unsure of whether going after P.G. is a wise thing to do; perhaps he is also thinking: “Biff is a very powerful guy, I have to think of my future”, see visit to the refuseniks, part 3).

Epilogue. (I switch to English which I should perhaps have done at the start of this blog.) I lost track of the refuseniks I met that evening in Moscow. On internet I found the following links:

Soviet ‘Refuseniks’: All They Want Is Out
A Refusenik Tries Hunger to Free His Son’s Family.

They are from long ago and roughly date back to the time of my visit. It is interesting to read again about the pretext the refusenik was given for the disallowance to emigrate: this was for “national security” reasons. This pretext was for example also used for the refusal to let Freidlin leave the country (“his wife had had access to “classified material””).


Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 4

April 3, 2010

Aangekomen in Tashkent werden wij per bus naar het centrum met de hotels vervoerd. Ik had mij niet vooraf geregistreerd en daardoor was er in het hotel Uzbekistan geen kamer voor me. Het was in dat hotel trouwens nog heel duidelijk het “pre-computer” tijdperk, want aan de balie waren allemaal meisjes met kleine opschrijfboekjes in de weer, waarin ze namen en kamernummers opschreven. Nadat duidelijk was geworden dat ik uitgenodigd spreker was, kreeg ik echter onmiddellijk een kamer alleen, terwijl de niet-uitgenodigde sprekers met z’n tweeën op een kamer werden gestouwd. Iemand (ik geloof Bernard Silverman) heeft naar aanleiding van deze zeer ongelijke behandeling van uitgenodigde en niet-uitgenodigde sprekers nog opgemerkt: “Nergens is een strenger klassenonderscheid dan in de sovjet unie”.

Het was echter maar goed dat ik me niet geregistreerd had, want anders had ik één of twee chaperonnes gehad en was ik voortdurend in de gaten gehouden. Ook zou ik dan gelogeerd hebben in een gebouw met een hek er omheen, waar je niet zo maar in en uit kon. Hoge Bernoulli society officials, zoals B., logeerden daar ook. Mensen die hier verbleven werden rondgereden in een limousine en op een gegeven tijdstip van de avond met zachte drang van de chaperonnes weer richting “huis” gestuurd (als ze bijvoorbeeld nog wat zaten te drinken in mijn hotel Uzbekistan; ik geloof dat ze om 11 uur binnen moesten zijn).

Als ik me goed herinner, hing er op het hotel Uzbekistan een doek met (Ω,F,P) en op allerlei plekken in de stad was dit (Ω,F,P) ook te zien ter ere van dit eerste wereld Bernoulli congres. Het lijkt me ondenkbaar dat in Amsterdam ter ere van een congres van de Bernoulli society (Ω,F,P) te zien zou zijn op de bus of op openbare gebouwen, maar in Tashkent kon dat dus wel (in 1986). Het suggereert dat de wetenschap daar mogelijk toch in hoger aanzien staat (stond). Het symbool Ω staat voor “kansruimte”, de F voor iets dat de verzameling gebeurtenissen aanduidt waar het kansmodel over gaat en de P voor de kansmaat.

Bij de opening van de conferentie werden wij onder andere toegesproken door een (stevige) dame “van de partij”, die een betoog hield dat simultaan werd vertaald en als teneur had dat alle belangrijke ontwikkelingen in de wetenschap in het Russische rijk, en met name in Tashkent, geïnitieerd waren en dat daarna het Westen hier achteraan was gelopen. In het bijzonder werd in dit verband ook de sterrenkunde belicht. Meteen de eerste dag waren trouwens al allemaal mensen ziek geworden en overal zag je bezoekers met van pijn vertrokken gezicht rondlopen (en luisteren naar deze voordracht, die van zichzelf al enigszins pijnlijk was), met de hand op de maagstreek. Merkwaardig genoeg had ik geen last, misschien omdat ik niet zo veel at en ook niet het kraanwater dronk dat vaak de bekende bruine kleur vertoonde. In de interessante serie van Jelle Brandt Corstius wordt ook aandacht aan dit laatste besteed.

Sommige mensen werden in de loop van de week zo ziek dat ze in een ziekenhuis moesten worden opgenomen. Terry Lyons, over wie ik het al had in deel 1, was zo iemand en heeft mij later verteld dat hij dacht dat het bezoek aan Tashkent een klap aan zijn gezondheid heeft toegebracht waarvan hij nooit meer is hersteld. En het verblijven in een ziekenhuis in Tashkent was ook geen pretje. Hij zei hierover: “They were as anxious to see me leave as I was”.

Omdat ik echter geen last had van darmkrampen of andere narigheden, heb ik me eigenlijk wel vermaakt op die conferentie en in de volle café’s in Tashkent met “live music” en kleine dansvloertjes waar door Tashkentenaren op werd gedanst. Voor de uitgenodigde sprekers was een vliegtuig naar Samarkand georganiseerd, de niet-uitgenodigde sprekers moesten zelf maar uitzoeken hoe ze daar zouden komen en daardoor hebben de meeste van dezen Samarkand gemist, geloof ik. Maar dat zien van Samarkand was eigenlijk één van de aantrekkelijke kanten van deze conferentie in Tashkent voor mij, dus ik ben wel gegaan. Aangekomen in Samarkand werden wij eerst gedwongen te luisteren naar een uiteenzetting van een uur over bontmantels in een schapeninstituut, een absurde Murakami-achtige gebeurtenis. Ik zat daarbij (tegen mijn gewoonte in) tamelijk vooraan, zodat ongemerkt wegglippen niet goed mogelijk was, maar telkens als ik omkeek zag ik stilletjes iemand op de achterste rijen wegglippen. Daarna heb ik echter toch heel wat “islamitische kunst” gezien, die de bewering van Wilders dat de Islam tot barbarij leidt toch enigszins logenstraft.

Ook heb ik nog een tripje gemaakt waarbij ik een berg heb beklommen, wat een tamelijk gevaarlijke onderneming was vanwege de losse rotsblokken, die op een gegeven moment naar beneden begonnen te rollen. Gelukkig was ik deze keer, net als op het schapeninstituut, in de voorhoede. Sterker nog, ik was de voorste klimmer, waardoor ik als enige de top van de berg heb bereikt, terwijl de anderen schuil zochten tegen de rollende rotsblokken (o.a. door mijn klimmen veroorzaakt). Wel is het een wonder dat er bij die “vrije klimpartij” geen ernstige ongelukken zijn gebeurd (we waren in een bus naar het gebergte vervoerd en daarna zonder enige begeleiding op die bergen losgelaten).

Tijdens dit bezoek van Tashkent overkwam mij nog iets merkwaardigs. Ik liep op straat met een aantal Nederlandse bezoekers van de conferentie. Ineens kwam een tamelijk mooie jonge vrouw op mij af met een brief in de hand. Ze zei tegen mij in het Engels: “Zou je deze brief voor mij mee willen nemen naar het Westen en hem daar op de bus willen doen? Je mag die brief lezen, ik heb de enveloppe niet dichtgeplakt. Het is een brief aan een vriend. Als ik hem hier op de post doe, komt hij niet aan.” Ik weet eigenlijk niet meer precies wat mijn collega’s hiervan vonden, maar ik zag eigenlijk geen reden om niet aan haar verzoek te voldoen. Dus ik beloofde haar dat te zullen doen, waarna ze heel dankbaar leek. Ik vroeg me nog wel even af “Why me?”: wat brengt iemand ertoe midden in een groep mensen één persoon uit te kiezen om dit verzoek aan te doen? Hoe kies je? Ik zou zelf geloof ik een seksegenoot kiezen. Wel meen ik me te herinneren dat geopperd werd (door mijn collega’s) dat ik hier last mee zou kunnen krijgen en dat het misschien wel een brief “in code” was, die de sovjet unie uitgesmokkeld moest worden. Maar ach, ik zou door B. toch al de Bernoulli society worden uitgedonderd (dacht ik toen), dus dan kon dit er ook nog wel bij…

Terug in Nederland heb ik toch maar even deze brief gelezen en het bleek een vurige liefdesbrief aan een Franse jongen te zijn, met wie de schrijfster kennelijk het jaar daarvoor een vakantie had doorgebracht (tenzij het “code” was, wat mij echter tamelijk onwaarschijnlijk leek). Het leek me een hopeloze liefde, maar ik heb de brief inderdaad in Nederland op de bus gedaan…


Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 3

March 31, 2010

Ik kom nu bij de andere vragen aan het begin van mijn vorige stukje: ” Wat bezielt de schrijver om deze gebeurtenissen, die ongeveer 24 jaar geleden plaatsvonden, aan de openbaarheid prijs te geven?” en “Wat is het psychologisch motief hierachter?” Het antwoord op vraag 1 is dat ik afgelopen zondag een uitzending heb gezien over de refuseniks op de Joodse omroep (Nederland 2), waarin ik een foto zag van één van de refuseniks die ik in 1986 heb opgezocht in Moskou (Alexander Joffe). Hij was in feite het contact dat ik op moest bellen. Het psychologisch motief is dat ik de herinneringen aan mijn bezoek van de refuseniks en alles wat zich daaromheen afspeelde nu al 24 jaar met me meedraag en wil dat dit op een of anderen manier bewaard blijft en niet “dissolves into thin air” omdat ik er verder mijn mond over houd.

Afgezien van het feit dat het bezoek aan de refuseniks een onvergetelijke indruk op mij heeft gemaakt, is me altijd de intimidatie bijgebleven die op mij werd uitgeoefend om van dit bezoek af te zien. Ik beschreef in deel 1 al dat de Engelse delegatie van het bezoek afzag vanwege het dreigement uit Moskou dat bezoeken van de refuseniks zou leiden tot cancelen van de conferentie. Ook besprak ik de brief die ik had gekregen, waarin de Amerikaanse mevrouw G. aan de Nederlandse statisticus B. had geschreven: “Make sure nothing of the kind will happen”, die aan mij door was gestuurd. Richard Gill heeft daar inmiddels al op gereageerd in zijn commentaar op deel 1 van deze blog.

Het bleef niet bij deze eerste pogingen tot intimidatie om het bezoek aan de refuseniks te verijdelen. In het vliegtuig van Moskou naar Tashkent kwam B. op mij af en vroeg: “Piet, ben jij nog steeds van plan de refuseniks op te zoeken?”. Toen ik bevestigend antwoordde, zei hij tegen mij: “Als je maar weet dat als je dit doorzet dit ernstige gevolgen voor je positie in de Bernoulli society zal hebben!”.

De Home Page van de Bernoulli Society zegt:
The Bernoulli Society was founded in 1975 as a Section of the International Statistical Institute ISI). The Bernoulli Society now has a membership of more than 1000 representing nearly 70 countries, a third of those also being members of the ISI who chose the Bernoulli Society as their Section. The objectives of the Bernoulli Society are the advancement of the sciences of probability (including stochastic processes) and mathematical statistics and of their applications to all those aspects of human endeavour, which are directed towards the increase of natural knowledge and the welfare of mankind. The activities of the Bernoulli Society include organizing or sponsoring international and regional meetings and publications, on its own or jointly with other professional societies. These meetings and publications have a prominent relevance in the fields of mathematical statistics, probability, stochastic processes and their applications.

En de Wikipedia zegt: “Mathematical statisticians and probabilists from all around the world may take advantage of the benefits and opportunities which Bernoulli Society membership provides.”

Dus dat “Als je maar weet dat als je dit doorzet dit ernstige gevolgen voor je positie in de Bernoulli society zal hebben!” klonk wel “heftig”, om modern jargon te gebruiken, en ik dacht dat hij bedoelde dat hij er voor zou zorgen dat ik uit de Bernoulli society gedonderd zou worden. En wat voelde ik toen (in 1986)? Vooral nieuwsgierigheid over hoe dat dan in zijn werk zou gaan.

“Piet Groeneboom zet zijn plan om de refuseniks te bezoeken door. De refuseniks zijn joden in de sovjet unie die gevraagd hebben om te mogen emigreren. Die mogen niet worden opgezocht. Piet Groeneboom moet daarom uit de Bernoulli society worden gestoten.”

Ik vroeg me af hoeveel mensen voor deze redenering zouden vallen. Maar je weet het maar nooit, natuurlijk. De vrees voor repercussies en gevolgen voor carrière is wijd verbreid, ook onder wetenschappers. Een Amerikaanse collega heeft wel eens tegen mij gezegd na een diner in de plaatselijke herberg van Oberwolfach, toen ik hem had gevraagd: “Waarom heb je dat gezegd?” (iets dat lijnrecht inging tegen iets dat hij net tevoren tegen mij had gezegd): “So-and-so is a very powerful man; I have to think of my future!”. En in dit geval ging het zelfs om zoiets onbenulligs als het kiezen van de wijn! So-and-so had gevraagd aan de tafel waaraan we zaten te eten: “Who votes for Piet’s choice of wine?”, met de toevoeging” “It smells like manure” (wat aan de bekende film “Back to the future” doet denken). Dat had mijn Amerikaanse collega niet aangedurfd: in dit gezelschap van machtige mannen te kiezen voor “Piet’s choice of wine”! “He had to think of his future”.

In de film “Back to the future” rijdt de antagonist “Biff” van de vader van de hoofdpersoon aan het begin van de film na een wilde achtervolging van de hoofdpersoon tegen een vrachtauto met mest op, die over zijn open convertible wordt uitgestort, waarna hij zegt “I hate manure”. Deze scène herhaalt zich in de vervolgen op deze film. Biff is altijd omringd door zijn “pals”, waaronder een jongen met een witte zonnebril, terwijl de hoofdpersoon er alleen voor staat (afgezien van de hulp die hij krijgt van een “mad scientist”). Een zeer herkenbare situatie…

Jaren later bleek overigens dat, na mijn verzekering in het vliegtuig van Moskou naar Tashkent dat ik gewoon de refuseniks op zou gaan zoeken, het (door mij toen niet volledig begrepen) “dreigement” dat in het vliegtuig tegen mij was geuit in Tashkent een invulling had gekregen.


Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 2

March 31, 2010

Men kan zich afvragen: wat bezielt de schrijver om deze gebeurtenissen, die ongeveer 24 jaar geleden plaatsvonden, aan de openbaarheid prijs te geven? Wat is het psychologisch motief hierachter? En waarom moet dat allemaal op internet?

Laat ik beginnen met de laatste vraag te beantwoorden. Ik was bijzonder verrast om op internet een document (proefschrift) Rechters in oorlogstijd aan te treffen, waarin een zaak die mijn vader in 1941 als advocaat voor de hoge raad heeft verdedigd wordt beschreven. Dat is nog wel iets langer geleden dan 1986! Tijdens de oorlog heeft hij als advocaat heel veel aanvaringen met de bezetter gehad en is daardoor op een gegeven moment ook op transport gezet naar Duitsland (maar door zeer handig optreden de dans ontsprongen). Na de oorlog was hij raadsheer in het Bijzonder Gerechtshof (dat oorlogsmisdadigers berechtte).

Het proefschrift Rechters in oorlogstijd, waarop Derk Venema in 2007 promoveerde aan de juridische faculteit van de Radboud Universiteit Nijmegen, heeft als ondertitel:
“De confrontatie van de Nederlandse rechterlijke macht met nationaal-socialisme en bezetting”. Hierin wordt op blz. 155 een pleidooi dat mijn vader als advocaat voor de hoge raad in 1941 hield beschreven, waarbij het ging om “kopen van varkensvlees zonder geldige bonnen”. Hij verdedigde de man die deze “misdaad” had begaan in cassatie voor de hoge raad! Maar het was tevens een poging het aanpassen van de wet waar de Duitsers mee bezig waren tegen te gaan. De hoge raad is het natuurlijk niet met hem eens en kiest de kant van de bezetter. Een kwestie van subtiele diplomatie, zullen we maar zeggen!

Ik was de naam van mijn vader eerder tegengekomen in een document over het (foute) gedrag van de hoge raad in de oorlog en in het bijzonder in verband met deze zaak van de “zwarthandelaar” die dus (zoals ik nu heb gelezen) varkensvlees had gekocht zonder bonnen. Dus de definitie van “zwarthandel” omvatte “kopen zonder bonnen”. Dat lijkt me al enigszins een oprekking van het begrip “zwarthandel”, maar wie ben ik…

Ik wijd deze blog nu maar verder aan de interessante uiteenzetting van Derk Venema over deze zaak. Hij zegt:
“De raadsman van de verdachte, P. Groeneboom, betoogde in zijn pleidooi voor de hoge raad op 27 oktober 1941 dat de rechter de bevoegdheid heeft verordeningen van de bezetter te toetsen aan het Landoorlogreglement, het decreet van de Führer en de eerste verordening van de Rijkscommissaris. Art. 43 LOR bepaalt, zoals in paragraaf 3.2.2 besproken, dat een bezettende macht maatregelen treft tot herstel en handhaving van de openbare orde en het openbare leven ‘met eerbiediging van de in het land geldende wetten’. Alleen in het geval van ‘volstrekte verhindering’ mocht de bezetter met die maatregelen de nationale wetten terzijde schuiven. Volgens Groeneboom waren de wetten betreffende de inrichting van de Nederlandse rechtspraak geen ‘volstrekte hindernis’ voor de bezettende macht om ‘de openbare orde en het openbare leven te herstellen en te verzekeren’. Ook waren ze ‘mit der Besatzung vereinbar’, zoals geëist door §5 van het decreet van de Führer en §2 van de Verordening van de Rijkscommissaris. Daarom had de bezetter de wettelijke regeling van de rechtspraak niet opzij hoeven zetten, wat feitelijk het effect was van de invoering van een aparte politierechter voor economische delicten met aangepaste procesregels. Advocaat-Generaal Rombach leidt uit dit betoog af dat volgens Groeneboom de strijdigheid van de verordening tot instelling van de economische rechtspraak met deze regelingen tot gevolg zou hebben, dat die verordening onverbindend is, waardoor hof en rechtbank onbevoegd zouden zijn.”

Dan komt een passage over het mij werkelijk verbijsterende antwoord van de advocaat-generaal van de hoge raad Rombach:
“Rombach is het hier zelf niet mee eens: een behoorlijk bestuur van het bezette gebied is de taak van de bezetter, die daarvoor ook justitiële regelingen moet kunnen aanpassen. De economische rechtspraak was nodig voor zo’n behoorlijk bestuur, en de Nederlandse wetgever zou in deze economische situatie hetzelfde hebben kunnen doen. Bovendien vindt Rombach dat de invoering van de economische rechtspraak niet zo ingrijpend is geweest dat van ‘niet-eerbiediging van de hier te lande geldende wetten kan worden gesproken’. Daarom komt volgens hem de toetsingsvraag niet aan de orde.”

De hoge raad neemt het oordeel van Rombach over:
“De hoge raad oordeelt dat de betreffende verordening van de secretaris-generaal als een ‘door de bezettende macht genomen maatregel van wetgevende aard’ te beschouwen is, omdat ze indirect afkomstig is van de rijkscommissaris. Die heeft vanwege de bezetting (de hoge raad zegt hier dat Nederlandse bevolking zich onder het gezag van ‘het leger van de bezetter’ bevindt, terwijl er een burgerlijk bezettingsbestuur was) volgens artt. 42 en 43 LOR en het decreet van de Führer en zijn eigen eerste verordening de bevoegdheid bindende regels op te stellen tot herstel en verzekering van de openbare orde. Vervolgens zouden volgens de strafkamer al zulke voorschriften ‘onder de huidige omstandigheden’ te beschouwen zijn als Nederlandse wetten. Daarom beschouwt de hoge raad het beroep op de ongeldigheid van de verordening als een klacht wegens schending of verkeerde toepassing van ‘de wet’, zoals bedoeld in het toenmalige art. 99 lid 1 Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO).”

Concluderend zegt Venema over deze kwestie:

“Het gevolg hiervan was volgens de hoge raad dat de verordeningen van de bezetter en de secretarissen-generaal evenmin als gewone wetgeving getoetst konden worden op hun innerlijke waarde of billijkheid (art. 11 Wet Algemene Bepalingen) of aan verdragen zoals het Landoorlogreglement of aan het decreet van de Führer. Tenslotte zou uit de tekst, de geschiedenis en de Nederlandse parlementaire geschiedenis van het landoorlogreglement niet blijken dat aan de rechter van een bezet gebied een bevoegdheid toekomt tot toetsing van maatregelen van de bezetter aan het landoorlogreglement. Het middel kon dus niet tot cassatie leiden: de veroordeling door de economische rechter bleef dus in stand, omdat de verordening waarbij de economische rechtspraak was ingesteld de geldigheid heeft van een wet.

Met deze ontkenning van de mogelijkheid om de regels die uitgevaardigd worden door de nationaal-socialistische overheerser te toetsen, sloot Nederland aan bij wat ook in Duitsland en Italië de regel was. Hitler had op basis van twee noodmaatregelen de bevoegdheid onaantastbare wetten uit te vaardigen en de rechterlijke macht erkende zijn eigen onbevoegdheid om ‘politieke’ maatregelen te toetsen, waarbij ‘politiek’ datgene was wat de politieke instanties als politiek beschouwen. In Italië erkende het Hof van Cassatie de vrije verordenende bevoegdheid van Mussolini en de onbevoegdheid van de rechter die te controleren.”

Dus een zaak met tamelijk verstrekkende gevolgen! Waarschijnlijk lieten de formele regels toch een zekere speelruimte toe en ik heb in dit geval de indruk dat binnen deze regels de advocaat-generaal Rombach de kant van de bezetter kiest, terwijl mijn vader probeerde nog wat tegengas te geven.
Ik was deze zaak trouwens al eerder tegengekomen op internet en ik wist er op dat moment nog niets van.

Nu ga ik vervolgens het hele proefschrift van Derk Venema lezen (ben ik tenminste van plan; het is wel 465 blzn., proefschriften in de wiskunde zijn een stuk korter!), want ik vind dit allemaal geweldig interessant. Er staan ook wat beschouwingen in over Hegel, bijv. de secties “Hegel als inspiratiebron voor nationaal-socialisten”, “Hegel in de Nederlandse rechtsfilosofie”. Hegel is iemand die in de Angelsaksische filosofie meestal bijzonder onpopulair is en was, om niet te zeggen “het pispaaltje” was (ook bij de Wiener Kreis trouwens), maar daarentegen op het continent nogal omarmd is door de fenomenologen. Ik verheug me op het lezen over zijn rol in de Nederlandse rechtsfilosofie! En dat heb ik dus zo maar allemaal gevonden op internet!

Epiloog. Ik heb inmiddels contact met Derk Venema, die mij o.a. schreef: “Ja, uw vader speelde een belangrijke rol in de, onder juristen, meest beruchte Nederlandse rechtszaak uit de bezettingstijd.”. En: “Het is aan uw vader te danken dat deze cruciale kwestie tot aan de Hoge Raad aan de orde is gesteld. Er was toch wel moed voor nodig om deze zaak op scherp te stellen voor de hoogste rechter, en ik weet niet of dit hem nog in moeilijkheden heeft gebracht.”
Ik geloof niet dat per se deze zaak hem nu in moeilijkheden heeft gebracht, maar wel zijn “brutaliteit” tegen Duitse rechters, bij het verdedigen van joden tijdens de oorlog. Om die reden is hij ook op een gegeven moment aan het eind van de oorlog opgepakt van huis, bij welke gelegenheid hij afscheid van mij kwam nemen, geflankeerd door twee soldaten. Ik schijn vanuit mijn kinderbedje geroepen te hebben: “Ha, soldaten!”, in dit verband schrijnende woorden die ik later nog vaak van hem heb moeten horen. Het doet een beetje denken aan een zin in Gerard Reve’s meesterwerk “De ondergang van de familie Boslowits”: “Echt in de oorlog, prachtig”, zei ik zacht voor mezelf.


Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 1

March 29, 2010

Gedreven door enige recente gebeurtenissen en ook omdat ik gistermiddag een programma over de refuseniks heb bekeken (Nederland 2, Joodse omroep), ontruk ik -zij het met enige aarzeling- de volgende ware gebeurtenissen aan de vergetelheid.

Het is 1986, het jaar van de eerste wereldconferentie in de statistiek, die zal plaatshebben in Tashkent. Omdat ik net de Rollo Davidson prijs heb gekregen, ben ik daar uitgenodigd spreker. Wat is de Rollo Davidson prijs? Dit is een prijs die jaarlijks wordt toegekend aan één of twee wiskundigen door de Rollo Davidson trust in Cambridge, UK. Ik kreeg de prijs in 1985, samen met Terry Lyons, maar we hielden ons met totaal verschillende dingen bezig. Ik schat het werk van Terry Lyons heel hoog, en vind het daarom heel leuk dat wij in hetzelfde jaar de prijs gekregen hebben en nu “side by side” op de lijst van prijswinnaars staan.

Uit de Wikipedia over Rollo Davidson: Rollo Davidson Prize: In 1970, Rollo Davidson, a Fellow-elect of Churchill College, Cambridge died on Piz Bernina. In 1975 a fund was established at Churchill College in his memory, endowed initially through the publication in his honour of two volumes of papers, edited by E. F. Harding and D. G. Kendall. A prize from the Rollo Davidson trust fund has been awarded annually since 1976.

Rollo Davidson was een briljante wiskundige die op jonge leeftijd om het leven is gekomen bij het bergklimmen. Hoe krijgt men de prijs? Via een check in de post, samen met de mededeling dat men de prijs hebt gekregen. Eerlijk gezegd had ik nog nooit van Rollo Davidson gehoord toen ik de prijs kreeg en was het een volslagen verrassing. In mijn geval was David Kendall, een wiskundige uit Cambridge die ook al in Tashkent was en daar zelfs op de televisie is verschenen, verantwoordelijk voor het mij toekennen van de prijs, zoals later bleek. David Kendall heb ik in Tashkent ook pas voor het eerst ontmoet. Dus het is een prijs die niet bepaald via lobbyen en netwerken tot stand komt!

In feite was het zo gegaan: ik had gemusiceerd met iemand uit Cambridge (Henry Daniels), die daarna een rapport van mij, waarin de oplossing van een “lang open” wiskundig probleem stond, aan David Kendall had gegeven. Henry Daniels was een markante en bijzonder muzikale man, die tijdens de Tashkent meeting al 73 was. Hij bespeelde een typisch Engels instrument, de zg. “concertina”, een instrument dat enigszins verwant is aan de bandoneon (het tango instrument). Ook kon hij goed piano spelen. Met zijn concertina viel hij wel in voor altviool, als we een altviool misten bij het musiceren in het Mathematisches Forschungsinstitut Oberwolfach (hadden we maar zoiets in Nederland!). Hij probeerde dan ook een soort vibrato te suggereren met zijn concertina. In Tashkent viel me op dat jongeren voor hem opstonden in de metro; kom daar eens om in Amsterdam!

Eigenlijk had Henry Daniels “mixed feelings” over mijn rapport, omdat hij zelf over hetzelfde onderwerp had geschreven, en hij verzekerde mij ook later dat zijn enige inbreng in het toekennen van de prijs was geweest dat hij mijn rapport had doorgegeven aan David Kendall. David Kendall had het gelezen en was toen erg blij geworden, zoals hij me later schreef (“I was so excited when I saw this”). Ik had zelf een soortgelijke ervaring bij het zien van een resultaat van Terry Lyons. Mogelijk denkt de lezer nu: hij is aan het opscheppen (of iets van dien aard), maar wat ik eigenlijk probeer te doen is een tipje van de sluier van de wereld van wiskundigen op te lichten. Het is een moeilijk pad waarop ik me begeef (en me in het volgende nog zal begeven).

Omdat ik één van de weinige uitgenodigde sprekers uit Nederland was op deze conferentie in Tashkent, had een joodse organisatie contact met mij opgenomen (ze hadden om deze reden -dat ik uitgenodigd spreker was- mijn naam gekregen) en mij verzocht om ofwel op de heenreis, ofwel op de terugreis, contact op te nemen met de refuseniks in Moskou. Weer iets dat mij onbekend was: nooit gehoord van Rollo Davidson en ook wist ik niet wat refuseniks waren. Ik citeer nu maar weer de Wikipedia: refusenik: “Refusenik (Russian: отказник, otkaznik, from “отказ”, “refusal”) was an unofficial term for individuals, typically but not exclusively Soviet Jews, who were denied permission to emigrate abroad by the authorities of the former Soviet Union and other countries of the Eastern bloc. The term refusenik derived from the “refusal,” handed down to a prospective emigrant from the Soviet authorities.”

De mensen die tot deze joodse organisatie behoorden bezochten mij op mijn huisadres en gaven mij een aantal instructies over hoe ik het bezoek aan moest pakken. Ik moest één van hun contacten opbellen (in dit geval Alexander Joffe), maar niet vanuit mijn hotel (het zg. “Akademia hotel” in Moskou), waar ik zou worden afgeluisterd. Ik zou naar beneden moeten gaan en moeten bellen vanuit een telefooncel op de “Prospekt”, waar dat Akademia hotel aan lag. Ik herinner me nog het uitzicht op de remise vanuit mijn hotelkamer. Vervolgens zou mijn “refusenik contact” zeggen waar ik in de metro naar toe moest gaan en dan zouden wij elkaar op het afgesproken station ontmoeten. Terugkijkend vind ik het eigenlijk verbazend dat dit allemaal goed ging, maar inderdaad ging het allemaal precies volgens plan. Maar daar was heel veel aan voorafgegaan.

Want… de Nederlandse (academische) statistici hadden een brief gekregen van (de Amerikaanse) mevrouw G. uit Moskou, die daar in die tijd zat om samen te werken met de skikampioen en statisticus/probabilist Shiryaev. De brief was gericht aan een Nederlandse statisticus, die ik hier en in het volgende zal aanduiden met B. (om privacy redenen gebruik ik niet zijn werkelijke initiaal, hoewel iedereen die die brief gekregen heeft natuurlijk weet om wie het gaat). In die brief stond m.b.t. het bezoek aan de refuseniks: “B., make sure nothing of the kind will happen!”. Ik was in die tijd hoogleraar mathematische statistiek aan de Universiteit van Amsterdam, en ik las deze brief, die door B. aan mij was doorgestuurd, met enige bevreemding. Wat te doen? Ik had net toegezegd dat ik de refuseniks wel op zou zoeken.

Erg groot was mijn dilemma echter niet. Er stond in die brief geen enkel overtuigend argument voor het cancelen van mijn bezoek. Inmiddels was echter nog meer gebeurd. Een bekende Engelse statisticus, Bernard Silverman, had met nogal veel tam-tam aangekondigd dat hij ook de refuseniks op zou gaan zoeken. Alleen zou hij dat op de heenweg naar Tashkent gaan doen, terwijl ik het op de terugweg zou gaan doen. Na al deze tam-tam kwam vanuit Moskou het dreigement: “als de Engelsen vasthouden aan hun plan om de refuseniks op te zoeken, cancelen wij de conferentie in Tashkent!”. Volgens mij was dit een volstrekt loos dreigement: die eerste wereld conferentie van de Bernoulli society in Tashkent was een enorme propaganda “event” voor de sovjet unie, nooit van z’n leven zouden ze die conferentie cancelen. Het was sovjet intimidatie van de gebruikelijke soort. Maar… het werkte. Bernard Silverman cancelde zijn bezoek aan de refuseniks.

Ik verkeerde echter in een enigszins andere positie, in de eerste plaats omdat ik niet vooraf tam-tam had gemaakt over mijn bezoek, en in de tweede plaats omdat ik de refuseniks op zou zoeken op de terugreis in plaats van de heenreis. Dus de conferentie cancelen was niet meer aan de orde als ik ze op zou zoeken. Kortom, ik zag nog steeds geen enkele reden om mijn voorgenomen bezoek aan de refuseniks te cancelen. In feite was er ook niets onwettigs aan het bezoeken van de refuseniks. Wat was de “misdaad” begaan door de refuseniks? Hun misdaad was dat ze joden waren en dat ze een verzoek tot emigratie hadden ingediend.