Jan en Willem discussiëren over het thema “Wat is een goede leraar?”

August 31, 2009

J. Ik las dat stukje Wat is een goede leraar? van je collega Piet Groeneboom.
W. Ja, ik heb het ook gelezen.
J. Een belachelijk stukje!
W. Hoezo?
J. Het is volkomen irreëel wat daar in staat. Laat ik even in de mannelijke vorm spreken, hoewel wat ik zeg natuurlijk evenzeer geldt voor leraressen.
Een leraar heeft bepaalde onderwijsdoelen. Daar wordt hij op afgerekend. Hij moet onwillige kinderen klaarstomen voor het eindexamen. Stampen en veel sommetjes maken, dat is waar het om gaat! Zo niet goedschiks dan wel kwaadschiks! De leraar moet er gebruik van maken dat kinderen op die leeftijd nog een soort sponzen zijn die enorm veel in zich kunnen opnemen. Dus die leerlingen moeten vooral veel woordjes uit het hoofd leren.
W. Laat ik even ingaan op “Zo niet goedschiks dan wel kwaadschiks!”. Besef je wel dat er leerlingen zullen zijn die het gewoon zullen verdommen om te “stampen”? Die zullen proberen de kantjes er af te lopen en bij wie dat soort dwang een averechts effect zal hebben? En dat dit niet noodzakelijkerwijs de allerdomsten zullen zijn?
J. Dat ze niet willen stampen laat al zien dat het waarschijnlijk domoren zijn die niet eens kunnen stampen. Hoe denk dat je een rechtenstudie kunt voltooien zonder stampen?
W. Ja J., ik heb geen rechten gestudeerd zoals jij, dus ik heb daar geen ervaring mee. Maar laat ik eens een voorbeeld geven van wat me op school niet beviel. Onze Franse lerares las het gedicht van Verlaine “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” voor.
J. Ja, dat prachtige gedicht!
W. Mmm… Ik herinner me nog dat ik toen ze dit voorlas dacht: “Daar wil ik niets mee te maken hebben”.
J. Wat laat zien dat jij geen gevoel voor literatuur hebt, je bent nu eenmaal een echte beta!
W. Misschien. Maar laat me even uitleggen waarom ik dat dacht. Het was de gezwollen toon waarop dit werd voorgelezen. Ik voelde het als het doorgeven van een dogma. Het dogma “Dit is een prachtig gedicht, dit horen jullie allemaal mooi te vinden”.
J. Het is ook een prachtig gedicht, zelfs jij zou dit mooi moeten kunnen vinden, als je ook maar een greintje gevoel voor literatuur en dichtkunst had!
W. Je begrijpt niet wat ik bedoel J.! Laten we even afzien van de vraag of dit een goed of slecht gedicht is. De kwestie is dat toen dat zo gezwollen werd voorgelezen, ik dacht: gatver, ik wil daar niets mee te maken hebben! En dat er natuurlijk op dezelfde manier legio leerlingen zullen zijn die dat ook zullen denken.
J. Hoe moet het volgens jou dan wel?
W. Ik denk dat de methode van die schaakleraar in het boek “Spel” van Stephan Enter die in dat belachelijke stukje (jouw woorden) ten tonele wordt gevoerd zo gek nog niet is. Ik denk dat een leraar heel erg terughoudend moet zijn.
Ik heb ergens gelezen dat iemand ‘s avonds in een tuin wandelde en daar de Franse dichter Mallarmé tegenkwam die tegen hem zei: “Ik heb net deze zin bedacht die ik zelf erg mooi vind, zou u er misschien nog een betekenis aan toe kunnen kennen?” Dat sprak me wel erg aan.
J. Sprak je wel erg aan?
W. Ja, omdat ik denk dat een gedicht toch een beetje raadselachtig moet zijn, een verrassingselement moet hebben, en moet beginnen vanuit de klank. Aan “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” is niets raadselachtigs of verrassends, je begrijpt meteen dat Verlaine dacht: “pleure”, “coeur” en “pleut”, daar kan ik iets moois mee fabriceren.
J. Maar het begint wel vanuit de klank en dat wil je dus.
W. Ja, O.K. Het begint vanuit de klank, maar het is me allemaal net iets te voor de hand liggend.
J. O god, krijgen we dat. Het moet van jou natuurlijk allemaal diep en raadselachtig zijn. Zo’n mooi lekker in het oor liggend gedicht als van Verlaine mag weer niet.
W. Laten we even van Verlaine afstappen en het over Mallarmé hebben. Ik was onlangs op een conferentie in Göteborg en toen liep ik met een aantal Fransen langs de haven en zei “Brise marine”.
Bij Franse academici heb je altijd mensen die op de “Ecole normale supérieure” zijn geweest en mensen die daar niet op zijn geweest. De mensen die op de “Ecole normale supérieure” zijn geweest zeggen altijd dat het niet erg is als je er niet op bent geweest en de mensen die er niet op zijn geweest zeggen toch wel vaak dat ze opzien tegen mensen die er wel op zijn geweest. Eén ding is duidelijk: het is voor die Franse academici een heel erg belangrijk thema.
Maar goed, toen ik dus zei “Brise marine”, zei de Fransman van de Ecole normale superieure: “La chair est triste, hélas! et j’ai lu tous les livres.” En ik weer: “Fuir! là-bas fuir!” Het is bijzonder leuk om elkaar met citaten uit gedichten om de oren te slaan!
Maar wat bleek: hij vond er niets aan, aan dat gedicht. Hij had het op school uit zijn hoofd moeten leren. De kleinburger die droomt van het ‘t ruime sop kiezen, alles achter zich te laten, zo ongeveer dacht hij over dit gedicht. Maar ik denk eigenlijk dat hij aan dat gedicht zo de pest had omdat hij op school een soortgelijke ervaring had doorgemaakt als ik bij dat gedicht van Verlaine. Dat “Fuir! là-bas fuir!” sprak mij juist heel erg aan, omdat ik dat op school ook altijd zat te denken: was ik maar ergens anders, zat ik maar op een boot op de wilde vaart of zo. Ik had natuurlijk helemaal geen Mallarmé gehad op school, dus ik las het “onbelast”. En overigens kwam ik tot Mallarmé en Valéry via Vestdijk, die daar enorm goede essays over heeft geschreven.
J. Kijk, kijk, je bent dus niet helemaal ongeletterd. Maar wat is nu de pointe van deze uiteenzetting?
W. De pointe is de terughoudendheid die een leraar moet betrachten. Hij moet beseffen dat veel van de leerlingen, als het tenminste niet enorme braverikken zijn, eigenlijk niets willen weten van zijn wereld, en dat het zwelgen in gedichten als “Il pleure dans mon coeur comme il pleut sur la ville” alleen maar hun walging opwekt.
J. Ten onrechte!
W. Misschien J., maar toch zouden die leraren zich dat meer moeten realiseren. Wij lazen op school ook het boekje “Prose d’aujourd’hui”. Daar stond een kort stukje uit La nausée van Sartre in, waarin hij beschrijft dat hij in de mist loopt. Dat vond ik nu ineens fantastisch! Er gebeurt ongeveer niets, maar het is buitengewoon goed geschreven. Maar Sartre en La nausée, dat was natuurlijk niets voor die christelijke school waar ik op zat. Ik heb later het hele boek gelezen.
J. Nausée, daar had je zeker erg veel last van toen je op school zat?
W. Ja J., dat heb je goed gezien, ik was één bonk nausée. Woordjes leren, luisteren naar gezwollen voordrachten, stupide sommetjes maken, verschrikkelijk! Ik las thuis boeken over wis- en natuurkunde, als tegenwicht tegen de saaiheid van wat ik op school moest doen, bijvoorbeeld het enorm leuke boek van Fred Schuh “Spelen met getallen” en “Eén, twee, drie… oneindig” van Gamow.
J. Nou, nou, je kunt toch niet van de gemiddelde leerling verwachten dat hij dat ook gaat doen?
W. Als er ook maar iets, iets… van wat er werkelijk in de wis- en natuurkunde gebeurt was onderwezen op school, o, hoe anders zou mijn leven dan, in ieder geval op school, zijn geweest! Ik mocht er zelfs niet over praten, omdat dit onmiddellijk door de wiskundeleraar als “geleerd doen” werd neergesabeld.
Ik had bijvoorbeeld net gelezen hoe je betekenis kon toekennen aan wortels uit negatieve getallen (derde klas) in het platte vlak. Het was voor mij een openbaring! Ik zei er iets over op de wiskundeles, omdat de leraar altijd riep: “De wortel uit min één bestaat niet”. Toen hij dat weer eens riep, riep ik: “De wortel uit min één bestaat wel, het is een imaginair getal!”. Misschien had ik beter kunnen roepen “complex getal” om het woord “imaginair” te vermijden, dat inderdaad suggereert dat het niet bestaat. Maar wat werd hij boos op mij! Hij zei: “Voor jullie bestaat de wortel uit min één niet!” en kwalificeerde wat ik daar over zei als “geleerd doen”. Ik las in die tijd ook het boek “Inleiding tot de logica” van Tarski, dat ik van mijn zakgeld had gekocht, maar ik durfde dat na deze ervaring niet te vertellen aan mijn leraren.
J. Het is wat! Ik heb mijn schooltijd heel anders ervaren. Ik vond het heel leuk op school. En dan die schoolfeestjes en klasse avonden, dat was toch verdomd gezellig! Het heeft zich bij mij naadloos voortgezet in mijn studententijd, waarin ik, zoals je weet, rector van de senaat van het corps ben geweest. Dat was ook een verdomd gezellige tijd.
Wat jij daar beschrijft, dat zijn dingen die je op school nog niet moet doen. En ach, een beetje woordjes leren en sommetjes maken tussendoor, is dat nou zo erg? De school is toch een voorbereiding op het (sociale) leven? Dat is toch ook waar het studiehuis over ging? In groepjes werken aan iets? Je moet toch leren netwerken en leren met je medeleerlingen om te gaan? Dat is waar het om gaat!
W. Het is duidelijk dat we er anders over denken. En het is inderdaad jammer dat er niet verschillende scholen zijn voor verschillende types leerlingen. In Rusland is dat wel zo, gek genoeg. In Nederland hebben we het te druk met het stichten van allemaal verschillende scholen op levensbeschouwelijke basis!

Advertisements

Wat is een goede leraar?

August 28, 2009

Net een reünie van mijn oude klas achter de rug, waarbij de vraag aan de orde was: “Wat is een goede leraar?”. Ik ben zelf geneigd daarop te antwoorden: “Een goede leraar is iemand die aanzet tot zelfstandig denken”. Ja maar, zeggen anderen dan: “Als je een vreemde taal wilt leren, moet je woordjes leren, moet een leraar je niet gewoon dwingen om woordjes te leren?”. En: “Als je wiskunde wilt leren, moet je toch een hoop sommetjes maken, moet de leraar je niet gewoon trainen in het sommetjes maken?”.

Om met het laatste te beginnen: te denken dat het onderwijzen van wiskunde bestaat uit het africhten in sommetjes maken is m.i. een misverstand. Bij het dwingen tot eindeloos maken van allemaal stompzinnige algebra opgaven (en vooral: veel van die sommen binnen de gestelde tijd!) worden robots gekweekt, die zich als goed geoliede machines van de hun gestelde taken kwijten.

In het boek van Stephan Enter “Spel” is een buitengewoon boeiend hoofdstuk dat het wel en wee van een jeugd schaakclub beschrijft. Hier is een korte samenvatting. De leden van de schaakclub hebben les van iemand die ik nu maar even zal aanduiden met “de majoor”, die de leerlingen steeds opgaven voorzet van het type: “Wit wint door mat in drie zetten. Vind deze zetten”. De majoor is echter tijdelijk niet beschikbaar en er komt een invaller die niet zo kien is op dit soort opgaven (overigens zonder ze onmiddellijk af te wijzen) en die wat aarzelender over e.e.a. praat. Meer in de trant van: “Tja, wat zouden we hier eens kunnen doen?” of “Hoe zou Wit hier de aanval op de damevleugel eens kunnen voortzetten?”. En de leden van de schaakclub slaan vanzelf aan het meedenken. Ze merken niet onmiddellijk dat ze hier iets aan hebben, maar als ze in een toernooi spelen blijken ze tot hun stomme verbazing enorm te zijn vooruitgegaan: ze winnen meer partijen dan ze verliezen en de hoofdpersoon krijgt zelfs een medaille voor de achtste plaats!

Ze gaan na dit toernooi naar huis in het door de schaakcoach gecharterde busje en zijn natuurlijk behoorlijk blij met dit resultaat. Dan komt er echter nog een ander thema aan de orde dat te maken heeft met de homoseksualiteit van deze invaller, waar deze leerlingen ook weet van hebben. Ik zal niet verklappen wat er dan precies gebeurt, maar in ieder geval is het tevens het afscheid van deze invaller en komt daarna de majoor weer terug met zijn “Mat in drie zetten” problemen, dat door de leerling die een enigszins kwalijke rol in de bustocht naar huis na het toernooi heeft gespeeld als eerste wordt opgelost.

Wat hier beschreven wordt is misschien een fantasie (hoewel het verslag van de gebeurtenissen wel kenmerken heeft die doen vermoeden dat iets van deze aard echt heeft plaatsgevonden); ik denk ook dat een dergelijke vooruitgang onder een goede docent wel mogelijk is. Zo’n vooruitgang is niet mogelijk onder een docent die elk zelfstandig denken in de kiem smoort (tenzij de leerlingen zich daar niets van aantrekken en toch zelf aan het denken slaan; maar zo zal het meestal niet gaan, vrees ik).

Wiskunde is een vak dat zich ontwikkelt en is niet “sommetjes maken”. De mentaliteit die op het laatste de nadruk legt doet mensen ook geloven dat de wiskunde “af” is. Niets is minder waar! Er zijn miljoenen te verdienen bij het oplossen van de onopgeloste Millennium Prize problems van het Clay Institute zie: Millennium problems.

Zijn er oneindig veel priemtweelingen? D.w.z. oneindig veel tweetallen priemgetallen van het type 3,5 of 17,19? (Voor meer informatie, zie: Twin prime.) We weten het antwoord nog steeds niet, hoewel (volgens waarschijnlijk apocriefe bronnen) Euclides het vermoeden dat het er oneindig veel zijn mogelijk al circa 300 jaar voor Christus heeft geformuleerd. En zo wemelt het in de wiskunde van vermoedens waarvan de meeste wiskundigen wel denken dat ze waar zijn, maar waarvoor helaas(?) nog steeds geen bewijs gevonden is.

Nu nog: “Als je een vreemde taal wilt leren, moet je woordjes leren, moet een leraar je niet gewoon dwingen om woordjes te leren?” Toen ik voor de eerste keer naar Amerika ging om daar les te geven aan de universiteit (in wiskunde en statistiek), was ik vergeten een woordenboek mee te nemen. Had ik daar last van? Nee, helemaal niet! Dat was in 1979. Tegenwoordig is het nog gemakkelijker, want je kunt even kijken op internet als je een woord niet weet. En in Amerika kon ik gewoon aan een vriend vragen om een woord te omschrijven dat ik niet thuis kon brengen of ik kon zelf uit de context “an educated guess” doen.

Als je Homerus wilt lezen, moet je dan vooraf heel veel Griekse woordjes hebben geleerd? Ik heb zelf, net als mijn klasgenoten, het begin van het zesde boek van de Odyssee uit mijn hoofd geleerd. Later heb ik op soortgelijke manier gedichten van Mallarmé uit het hoofd geleerd. In beide gevallen begreep ik aanvankelijk niet meteen wat er stond. Maar in beide gevallen heb je te maken met iets dat je misschien de “muziek van de taal” zou kunnen noemen. Daar moet je m.i. zo dicht mogelijk bij proberen te blijven.

Het viel me op toen ik Homerus las met mijn grootvader, die classicus was, dat hij zelfs de woordvolgorde niet wilde veranderen bij het vertalen in het Nederlands. Hij probeerde buitengewoon dicht bij de oorspronkelijke melodie te blijven, zal ik maar zeggen. Daarbij vergeleken was het “woordjes leren, woordjes leren” van mijn toenmalige leraar Grieks de botte bijl. En verhield deze leraar Grieks zich tot mijn grootvader als de boven beschreven majoor tot “de invaller” bij de schaakclub van Stephan Enter. Grammatica en woordjes leren hoort er natuurlijk wel bij, maar dat moet niet alles gaan overheersen…


Vierde gesprek van Jan en Willem

May 27, 2009

J. Jij klaagt wel eens over het “leed” dat je wordt berokkend door mijn partijgenoot Balkenende wegens zijn “kwezelig en onoprecht gebabbel” op tv. Buitengewoon beledigend! Ik hoop dat je daar geen last mee krijgt! Klaagde jij niet ook al over het “leed dat Mulisch heet”?
W. Je bent goed geïnformeerd, J., dat moet ik je nageven.
J. Je begrijpt zeker wel dat het leed waar hier sprake van is in geen verhouding staat tot het leed dat ambulance personeel en de personen die ze willen vervoeren wordt aangedaan door het publiek!
W. Ja J., ik moet je al weer gelijk geven. Ben je in de aanval?
J. Nee W.; ik probeer je alleen iets duidelijk te maken. Ik probeer duidelijk te maken dat de strafmaat in een strafzaak wel degelijk samenhangt met de persoon tegen wie het vergrijp heeft plaatsgevonden.
W. Ik weet het niet, J., we raken hier in tamelijk diep vaarwater. Ik zou willen beginnen met een onderscheid aan te brengen tussen hoogte van de straf en aard van de straf.
J. Aard van de straf?
W. Ja, net zoals ik wel eens als taakstraf voor Balkenende spraakles in gedachten had, zou je kunnen denken aan een opvoedende taakstraf voor de mensen die ambulance personeel of brandweerlieden hinderen in hun functie. Je zou die mensen bijv. kunnen laten meerijden met de ambulance om ze aan den lijve te laten ervaren hoe het is om in zaken van leven of dood gehinderd te worden door “het publiek”.
J. Ja, het klinkt aardig, maar ook heel erg onpraktisch. Eerst hebben die mensen dat ambulance personeel al in de weg gelopen uit louter kwaadwilligheid en dan wil jij ze nog eens hetzelfde ambulance personeel in de weg laten lopen tijdens een taakstraf! Bovendien, één van de veroordeelden heeft een agent in het oog geprikt en zijn keel dichtgeknepen, wil je die laten meelopen met de politie? Hij heeft een taakstraf van 60 uur gekregen (in plaats van de 80 uur die was geëist). De politie ziet hem al aankomen bij zijn taakstraf van 60 uur! Heel onpraktisch! Strenger straffen, dat is het enige wat er op zit!
W. Ik bevind me plotseling in de voor mij heel eigenaardige situatie dat ik geneigd ben de Amsterdamse rechter te verdedigen. Ik zag Mr. Pulles bij NOVA en vond hem eigenlijk heel redelijk. Dat jouw partij het CDA nu ineens roept om een wet die de rechter zou dwingen om dubbel te straffen, dat vind ik wel weer meteen heel dom en weerzinwekkend. Twan Huys probeerde Pulles te verleiden tot het afvallen van zijn collega mevrouw Falger, al was het slechts één uitlating, maar hij gaf geen krimp. Het gekke is dat ik in dit geval niet het gevoel van de “closed shop” had van het boek van Wagenaar cs. In dit geval ben ik bijna geneigd te zeggen: “Good for you, Mr. Pulles!” Wat mevrouw Falger in feite zei was: “Geweld tegen de politie is erg (ik geef een hogere straf dan normaal), maar geweld tegen ambulance personeel is erger“. En… hoe glibberig het terrein van de strafmaat ook is, ik kan haar gedeeltelijk in deze redenering volgen. Dus ik vind die opgeklopte volkswoede ook weer een beetje overdreven.
J. Je verbaast me, W.!

De uitzending waarover hier gediscussieerd wordt is: Omgaan met geweld ‘risico van het vak’.


De slapende rechter

May 18, 2009

Stel een jurist zou tegen mij zeggen: Andrew Wiles verdient de Clay Research Award niet, want zijn bewijs van de stelling van Fermat is onjuist. Of hij zou tegen mij zeggen: “U moet die Cambridge prijs (de Rollo Davidson prijs) teruggeven, want u hebt het limietgedrag van de Grenander schatter niet juist gekarakteriseerd” (ik begrijp dat de meeste mensen noch de eerste bewering noch de tweede zullen begrijpen, maar ik kan daar verder op het moment niets aan doen).

Wat zou mijn reactie zijn? Ik zou zeggen: “Interessant, wat is uw argument hiervoor?”. Stel nu omgekeerd dat ik tegen een jurist zeg: “De bewijsvoering in de Lucia de Berk zaak is incorrect” of “Het lijkt me dat het DNA argument in de Louwes zaak niet overduidelijk zijn schuld aantoont”. Wat voor reactie kan ik dan in het algemeen verwachten? De reactie: “Je moet je mond houden, want je bent geen jurist”.

Een wiskundige vraagt om argumenten, een jurist om antecedenten. Pikant detail in het bovenstaande is dat Pierre de Fermat een … jurist was, zie Pierre de Fermat. Gelukkig maar dat zijn diploma’s op het gebied van de rechtenstudie lagen, want als zijn diploma’s op het gebied van de wiskunde zouden hebben gelegen, zou er niet naar hem geluisterd zijn door de juristen: zijn antecedenten zouden dan niet in orde zijn geweest! De wiskundigen hebben echter wel naar hem willen luisteren, want het gaat de (goede) wiskundige nu eenmaal om de inhoud van wat de spreker zegt en niet om zijn antecedenten.

Wagenaar cs. hebben een boek geschreven De slapende rechter. Dit is volgens Marc Loth, die verbonden is aan de Erasmus Universiteit en ook lid van de hoge raad “een mislukt boek”, zie ‘Slapende rechters’ of ‘dwalende deskundigen’?. Hij drukt zich zelfs nog sterker uit: “Hopelijk is `de slapende rechter’ een incidentele uitglijder van enkele `dwalende deskundigen’ en vinden de auteurs nieuwe manieren om hun ideeën voor het voetlicht te brengen”. Tevens zegt hij op pagina 3: “de auteurs hebben te weinig kaas gegeten van het strafrecht” in een alinea die begint met: “Waar de auteurs uit de bocht vliegen is waar zij zich bedienen van suggestief en pejoratief taalgebruik”. Ik vroeg me af: “Waar heb ik die zin “de auteurs hebben te weinig kaas gegeten van het strafrecht” eerder gehoord? En toen herinnerde ik me de uitspraak van zijn vroegere collega op de juridische faculteit van de Erasmus Universiteit, Henk Elffers (de `statisticus’ in de Lucia de Berk zaak die had becijferd dat de kans dat de verpleegkundige Lucia de Berk bij toeval zo veel `incidenten’ betrokken was kleiner of gelijk aan 1 op de 342 miljoen was): “Het probleem is niet zozeer dat juristen statistiek misinterpreteren, maar veeleer dat menig statisticus geen kaas heeft gegeten van het strafproces” (cursivering van mij), zie Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren.

Bij de bespreking van de acht gevallen die in het boek De slapende rechter aan de orde komen, vindt Marc Loth de Schiedammer parkmoord een aparte plaats innemen. Waarom? Je zou denken dat de aparte plaats o.a. te danken is aan het feit dat een ander dan de veroordeelde heeft bekend, waarna men de veroordeelde wel vrij moest laten. Ook is de zaak uniek omdat hier overduidelijk grove fouten zijn gemaakt door rechtbank en hof, essentiële zinnen in de verklaringen van de ten onrechte veroordeelde zijn weggelaten als deze niet strookten met de “bewijsvoering” en desondanks door de president van het gerechtshof in Den Haag Mr. Verburg verklaard is dat er geen fouten zijn gemaakt bij de veroordeling van Kees B. (zie p. 123-124 van Wagenaar et al.). Ook lijkt de laffe manier waarop Kees B. niet is vrijgesproken, maar in plaats daarvan het OM niet-ontvankelijk is verklaard in het arrest van het Amsterdamse hof mij uniek.

Marc Loth duidt deze zaak aan met het bagatelliserende woord “bedrijfsongeval”. Om precies te zijn, hij zegt: “Wat mij betreft… behoort de Schiedammer parkmoord tot de eerste categorie rechterlijke dwalingen; de bedrijfsongevallen die -hoe tragisch ook- mede door de bijzondere samenloop van omstandigheden als bijna onvermijdelijk moeten worden beschouwd”. Mmm… onvermijdelijk? Is het onvermijdelijk dat zinnen in de bekentenis die niet kloppen met het geconstrueerde tijdspad hieruit worden weggecensureerd? Dat een verzoek van de advocaat om DNA materiaal op flesjes en blikjes in de buurt te onderzoeken domweg wordt geweigerd door het hof? Dat deze manier van doen door de advocaat-generaal van de hoge raad (Machielse) wordt gesanctioneerd? Als dit onvermijdelijk is, is het nog erger dan ik dacht.

Marc Loth vindt dat alternatieve scenario’s niet door de rechter hoeven te worden onderzocht. Hij merkt op: “Wanneer zij prof. Cleiren aanhalen die toelicht dat de strafrechter op basis van de tenlastelegging moet oordelen, overschreeuwen de auteurs haar door te roepen dat de rechter ook alternatieve scenario’s moet onderzoeken” (over pejoratief taalgebruik gesproken trouwens: “overschreeuwen”, “roepen”). Hij licht dit verder toe door te zeggen: “In het institutionele kader van het strafproces gaat het om de (beperkte) vraag of deze verdachte dit verwijt kan worden gemaakt, niet om wat er gebeurd is en wie daarvoor verantwoordelijk is”. Het spijt me wel, maar ik kan “Het gaat niet om wat er gebeurd is en wie daarvoor verantwoordelijk is” niet anders interpreteren dan: het hoort (volgens Marc Loth) de rechter niet te gaan om waarheidsvinding. En er zijn nog wel meer bedenkingen bij deze bewering van Marc Loth, zie wat is een argument? en een gesprek tussen Jan en Willem. Als er al bezorgdheid was over de manier waarop in Nederland recht wordt gesproken, dan wordt deze bezorgdheid door deze opmerking van Marc Loth (lid van de hoge raad) alleen maar aangewakkerd.

Evenzo wordt de bezorgdheid over de manier waarop in Nederland recht wordt gesproken aangewakkerd door de krampachtige pogingen van het ministerie en OM om te verhinderen dat in Nederland een revisieraad komt naar Engels model, waar ook anderen dan juristen de mogelijkheid krijgen invloed uit te oefenen op de heropening van strafzaken (in plaats van dat deze beroepsinstantie wordt verschoven naar een aanhangsel van de hoge raad). En natuurlijk besteedt Marc Loth ook ruim aandacht aan zijn opvatting dat die revisieraad er niet moet komen en verdedigt hij het novumcriterium, o.a. door te zeggen dat dit in de wet is opgenomen en niet afgeschaft. Men kan het feit dat dit in de wet is opgenomen en niet is afgeschaft niet als argument gebruiken om te zeggen dat dit een goed criterium is (op die manier zouden wetten nooit veranderd worden). Het boek De slapende rechter laat zien dat dit criterium de voornaamste bottleneck is voor heropening van strafzaken en dat het heel gemakkelijk gebruikt kan worden om heropening tegen te houden.

Waar zijn juristen als Marc Loth toch zo bang voor? Ik vermoed toch voor een discussie, gevoerd op basis van argumenten, in plaats van een discussie, gevoerd op basis van beroep op autoriteit en antecedenten. Zie ook de open brief aan Marc Loth van H.J. Vonk Schoon schip.


Het Openbaar Ministerie contra de wetenschap in de Lucia de Berk zaak

February 18, 2009

In de zogenaamde “regiezitting” van de Lucia de Berk zaak op 5 februari jl. stelde de Advocaat-Generaal (AG) van het OM, mevrouw Brughuis, die ook actief was in de rechtszaak tegen Louwes (de zg. Deventer moordzaak), dat waarheidsvinding beter gediend is met een “forensisch criminalistische benadering” dan met een “wetenschappelijk theoretische benadering”. Volgens haar zeggen is de nadruk in de Lucia de Berk zaak te veel komen te liggen op laatstgenoemde aanpak.

Terecht heeft dr. le Pair deze opmerkingen gekwalificeerd als “voze holklap” en opgemerkt: “als de “forensisch criminalistische benadering” aanspraak maakt op wetenschappelijkheid is er geen verschil, anders is het gepraat van charlatans.” Hieraan kan worden toegevoegd dat het demagogisch en misplaatst is om het woord “theoretisch” in stelling te brengen om wetenschappelijk onderzoek verdacht te maken. De wetenschappelijke kritiek op de in het arrest opgevoerde bewijzen m.b.t. bijvoorbeeld de beschuldiging van toediening van digoxine (zie hieronder) is gebaseerd op harde metingen. Niks “theoretisch”! Mevrouw Brughuis treedt hier in de traditie van de verhalen van Conan Doyle, waarin de domme politieman (Lestrade) de slimmere detective (Sherlock Holmes) zijn “theoretische’’ aanpak verwijt.

Voor de lezer die het allemaal niet zo goed meer voor ogen staat zetten we een aantal belangrijke gebeurtenissen in de Lucia de Berk zaak nog eens op een rij. De Lucia de Berk zaak is aan het rollen gebracht door de heer Smits, in 2001 algemeen directeur van het Juliana Kinderziekenhuis en het Rode Kruis ziekenhuis in Den Haag. Op de achteraf gezien historische dag 4 september 2001, deed hij (in zijn eigen woorden) een “statistische berekening van de koude grond” van de kans dat Lucia de Berk bij zoveel “incidenten” in het ziekenhuis betrokken was geweest (zoals “geobserveerd” door andere verpleegkundigen). Deze vlugge berekening overtuigde hem dat zoveel incidenten “geen toeval kon zijn”. Dezelfde dag nog werd contact opgenomen met de politie en werd gesproken over “vijf onverklaarbare doden”.

Bovendien legden de directies van het Juliana kinderziekenhuis en het Rode Kruis ziekenhuis contact met de ochtendkrant De Telegraaf. Deze krant deed op 17 september 2001 een bericht over de zaak uitgaan, waarin stond dat een verpleegkundige in de twee ziekenhuizen mogelijk betrokken was bij de moorden op verschillende volwassenen en kinderen. Het bericht vermeldde verder dat de directie van het Juliana ziekenhuis het gebeurde zeer betreurde en zijn medeleven met de betrokken ouders uitsprak (na opgemerkt te hebben dat het vertrouwen van de patiënten in het ziekenhuis mogelijk door dit bericht geschaad zou kunnen zijn of worden). Merk op dat dit suggereerde dat op dit moment al bewezen was dat er “moorden” waren begaan. En, alsof dit alles nog niet genoeg was, liet een woordvoerster van het OM weten dat “niet werd uitgesloten dat meer zaken werden aangedragen”.

Dit is een manier van doen die in de (exacte) wetenschap onmiddellijk zou worden afgestraft en alleen mogelijk is omdat een groep mensen, in dit geval behorend tot het OM, de macht heeft om ongestraft met onbewezen beweringen via de pers naar buiten te komen. Wie zou hen moeten straffen? De straf zou uit de eigen gelederen moeten komen, maar het verloop van deze zaak heeft laten zien dat we daar niet op hoeven hopen.

De spreadsheet berekening van de heer Smits is vervolgens op verzoek van politie en OM overgedaan door de rechtspsycholoog prof. Henk Elffers. De laatste kwam uit op een kans van kleiner dan 1 op 342 miljoen dat een verpleegkundige, werkzaam op de drie ziekenhuisafdelingen, bij toeval bij zoveel “incidenten” betrokken zou zijn. Hij sprak tevens de inmiddels eveneens historische woorden: “Geacht Hof, dit is geen toeval. De rest is aan U”.

Opmerkelijk is dat in geen enkele fase van de rechtszaak tegen Lucia de Berk een echte statisticus in Nederland is geraadpleegd. Wie werd bijvoorbeeld gevraagd de berekeningen van Elffers te controleren? Zijn collega aan de Erasmus Universiteit prof. de Mulder, een jurist die tevens in Amerika een graad in “Business Administration” had gehaald. Hij stond geheel achter de berekeningen van Elffers. Onafhankelijkheid was hier ver te zoeken, want Elffers en de Mulder hadden op de Erasmus Universiteit samengewerkt. In de kranten wordt nog steeds gesproken over “deskundigen”, maar eigenlijk zou er moeten staan: de geraadpleegde amateurstatistici Elffers en de Mulder.

De berekeningen zijn overgedaan door een aantal mensen, waaronder Richard Gill en mijzelf (beiden wel statistici) en wij komen op kansen in de orde van 1 op 10 of 1 op 25 in plaats van de 1 op de 342 miljoen van Elffers en de Mulder. Dit soort berekeningen zijn natuurlijk überhaupt zeer twijfelachtig, want we moeten het doen met gegevens die wel of niet door de ziekenhuizen worden verstrekt, waarbij ook nog speelt of het ziekenhuis een doodsoorzaak als “natuurlijk” of “niet natuurlijk” heeft gekwalificeerd. In het geval van Lucia de Berk heeft het ziekenhuis achteraf doodsoorzaken die als natuurlijk waren gekwalificeerd als “niet natuurlijk” aangemerkt, als men dacht dat Lucia de Berk op het moment van overlijden van de patiënt dienst had. Vernietigend voor de getuige-deskundigen Elffers en de Mulder is echter dat in hun berekeningen allerlei elementaire fouten waren aan te wijzen, zoals het vermenigvuldigen van kansen die niet met elkaar vermenigvuldigd kunnen worden.

Wat hier echter nog meer van belang is, is het feit dat noch het OM noch de rechters en raadsheren de moeite hebben genomen echte experts op dit gebied te raadplegen, maar gewoon mensen uit de eigen kennissenkring hebben genomen. Dus als het hoofd van het OM, Harm Brouwer, zegt: “De deskundigen spreken elkaar tegen” (een geliefkoosde uitvlucht van zowel het OM als de rechterlijke macht), dan is dat een feitelijke onwaarheid: men heeft gewoon niet de moeite genomen om echte deskundigen te raadplegen. De deskundigen op het gebied van de statistiek zijn het allemaal eens dat de berekeningen van Elffers en de Mulder nergens op slaan.

De hoogleraar strafrecht Theo de Roos en Elffers traden op in een uitzending van NOVA/Den Haag Vandaag van 4 november 2003, Statistiek in het strafproces, waarin Theo de Roos onder andere stelde: “In de Lucia de B. zaak is het statistisch bewijs ontzettend belangrijk geweest. Ik zie niet hoe men zonder dat bewijs tot een veroordeling zou zijn gekomen.” Elffers was hier present met zijn kans van 1 op 342 miljoen.

Nadat door zeer veel wetenschappers (niet alleen statistici) vraagtekens zijn gezet bij die kans van 1 op 342 miljoen van Elffers, heeft het Haagse Hof het doen voorkomen of statistiek geen rol meer heeft gespeeld in het uiteindelijk arrest. Het is echter iedereen die dit arrest nauwkeurig leest duidelijk dat misbruik van statistiek nog overal in het arrest aanwezig is. De natuurkundige prof. G. ‘t Hooft merkt bijvoorbeeld bij zijn ondertekening van de petitie voor heropening van de rechtszaak tegen Lucia de Berk (zie hieronder) op: “Dat het gerechtshof pretendeert geen statistische argumenten te hebben gebruikt wordt door de verwoordingen van het vonnis weerlegd. Men laat de getallen, ofwel de wetenschappelijke onderbouwing, achterwege, maar legt wel een a priori verband tussen de diverse sterfgevallen waar Lucia de B. aanwezig zou zijn geweest… De conclusie dat er van moord of poging tot moord sprake is kan alleen maar berusten op het argument van de coïncidentie, en dat argument had men niet mogen gebruikenIk concludeer dat de bewijsvoering hier ondeugdelijk is geweest. Daar medisch personeel nu eenmaal beroepshalve veel betrokken is bij sterfgevallen dient het gerecht daarbij nog meer dan in andere gevallen terughoudend te zijn in aanklachten van dood door schuld, laat staan moord. Ik analyseer het gebruik van statistiek in het arrest zelf in een (Engelstalig) blog van 2007: The Lucia de Berk case, part 2.

Vergelijkbare moeilijkheden zijn opgetreden bij de beweringen van een andere getuige-deskundige, prof. de Wolff. In de Volkskrant van 24 januari jl. stond nog een artikel getiteld: “Deskundige houdt vol: er zat digoxine in dat kind”. Eigenlijk had hier moeten staan: “Prof. de Wolff houdt vol: er zat digoxine in dat kind”. De digoxine-deskundige Professor DasGupta zei bijvoorbeeld in NOVA op 29 september 2007: “Digoxine is niet de doodsoorzaak bij deze baby. Alle informatie wijst erop dat deze baby niet aan digoxine vergiftiging gestorven is.” Professor DasGupta is een echte deskundige op het gebied van digoxine en heeft meer dan 100 publicaties over digoxine op zijn naam, de door justitie geraadpleegde prof. de Wolff daarentegen 0. Laatstgenoemde heeft wel de bewering waar het hier om gaat binnengesmokkeld in een recent verschenen handboek via een casus (het overlijden van het kind A. in de Lucia de Berk zaak). Beschrijving van een casus (een beschrijving die bovendien door echte experts op het gebied van digoxine volledig is ontkracht) is echter geen publicatie over digoxine.

Het OM probeert nu via het bedrijf van Eikelenboom, dat zich “Independent Forensic Services” noemt, alsnog over het hoofd van de inmiddels halfzijdig verlamde Lucia de Berk heen zijn gelijk te halen (”gelijk nemen” beschrijft misschien beter wat het OM probeert te doen) bijna 8 jaar na het begin van de zaak, daarmee in feite alles (ook het eigen werk) diskwalificerend dat tot nu toe gedaan is. Vanaf het begin bestond het vermoeden dat de instelling van de Commissie Evaluatie Afgesloten Strafzaken (CEAS), iets waarvoor het OM, en met name het hoofd van het OM, Mr. Brouwer, zich enorm op de borst heeft geslagen, eigenlijk een zoethoudertje was. De huidige acties van het OM bevestigen dit vermoeden. Een commissie, ingesteld door het OM, bestaande uit Mr. Grimbergen, prof. Mr. Groenhuijsen en Mr. Vogelzang heeft in oktober 2007 een vernietigend rapport gepubliceerd over de bewijsvoering in deze zaak (na deze een jaar bestudeerd te hebben). De conclusies van deze commissie worden nu dus gewoon door het OM terzijde geschoven. Mr. Knigge, advocaat-generaal van de Hoge Raad, heeft alles nog eens overgedaan, en weer ongeveer een jaar later in 2008 geconcludeerd dat er geen bewijs voor digoxine vergiftiging was en aanbevolen de zaak te heropenen. We zitten inmiddels in 2009 en nu wil het OM alles weer gaan overdoen, deze keer met hulp van het bedrijf van Eikelenboom.

Is het bedrijf van Eikelenboom “independent”? Natuurlijk niet! Ze zijn afhankelijk van opdrachten die ze van het OM of juist van de verdediging krijgen. Is het bij een opdracht van het OM in hun belang om eventueel ontlastende feiten onder de aandacht te brengen? Nee! Het OM wil zijn gelijk halen (nemen) en het bedrijf van Eikelenboom moet daar materiaal voor leveren!

Bij de huidige voorstellen van minister Hirsch Ballin wordt gesuggereerd dat het gemakkelijker zal worden om zaken te herzien. Is dat waar? Nee, in feite wordt integendeel alles juist geheel dichtgetimmerd. Er komt geen onafhankelijke herzieningsraad zoals er wel is in Engeland, namelijk de Criminal Cases Review Commission (CCRS). Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is. In Nederland zijn sinds 1997 slechts 4 zaken heropend, waaronder de Schiedammer parkmoord, waar een ander dan de veroordeelde heeft bekend. Rechters en leden van het OM die hier aantoonbare fouten hebben gemaakt, beweren trouwens nog steeds in deze zaak niets fout gedaan te hebben. Er komt wel een commissie die een aanhangsel wordt van de Hoge Raad. Niet-juristen, i.h.bijz. beoefenaars van beta wetenschappen, worden ten koste van alles in deze commissie geweerd. In de voorstellen staat verder dat er een vaste “pool” (dr. le Pair spreekt in dit verband van “poel”) van deskundigen moet komen die een cursus forensische methoden hebben gevolgd. Wat voor “deskundigen” kunnen we daarin verwachten? Juist: Elffers, de Wolff, mensen uit de kennissenkring van het OM.

Tenslotte lezen we ook nog steeds in de krant en horen we op het nieuws dat de “vermogensdelicten” van Lucia de Berk blijven staan. Waar gaat het hier om? Om bibliotheekboeken die ze niet zou hebben teruggebracht. Maar ze heeft deze boeken in feite wel teruggebracht en er was hier sprake van een fout in de overgang naar een nieuw elektronisch systeem in de bibliotheek. De bibliothecaris heeft uitdrukkelijk geweigerd aangifte te doen. En trouwens: zware woorden van het OM voor dit vergrijp. Het OM hoopt waarschijnlijk dat dit praten over “vermogensdelicten” helpt bij de negatieve beeldvorming over Lucia de Berk, net als de eeuwige tekening waar zij als heks wordt afgebeeld.

Bij de Lucia de Berk zaak hebben het OM en het Hof gewerkt met het begrip “schakelbewijs”. Deze manier van redeneren kan eveneens als anti-wetenschappelijk worden gekwalificeerd, want het hield in dat men vond dat als één moord aangetoond zou zijn minder moeite gedaan zou hoeven te worden bij het aantonen van andere moorden of pogingen tot moord. Bij één geval dacht men “hard” bewijs te hebben, nl. bij het kindje A., dat door digoxine vergiftiging om het leven zou zijn gekomen; het onderdeel van de aanklacht waarbij de getuige-deskundige de Wolff zo’n grote rol heeft gespeeld. De zwakte van dit soort argumentatie is echter overduidelijk aan het licht gekomen nu na de ontkrachting van het digoxine argument het geheel van beschuldigingen als een kaartenhuis in elkaar is gestort. Bij dergelijke zware beschuldigingen van moord en pogingen tot moord als door het OM zijn geuit, zou juist elk geval weer opnieuw zeer nauwkeurig bekeken moeten worden! Niks “schakelbewijs”! Het illustreert opnieuw hoe groot de afstand tussen het OM (en de rechterlijke macht) aan de ene kant en de wetenschap aan de andere kant is geworden.

Het OM hoopte dat laboratorium onderzoek in Straatsburg, waar men over geavanceerdere apparatuur beschikte dan in Nederland, de beschuldiging van de digoxine vergiftiging zou bevestigen. Helaas (voor het OM) heeft het onderzoek in Straatsburg dit helemaal niet bevestigd. Het rapport uit Straatsburg is daarna 2 jaar in een la verdwenen. Hoe durven leden van het OM, zoals mevrouw Brughuis, te beweren dat het hen om waarheidsvinding gaat! In al deze jaren van het proces tegen Lucia de Berk sinds 2001 is juist het tegendeel gebleken!

Op 17 juli 2007 is door Richard Gill een petitie gestart, met de titel: “The case of Lucia de Berk must be reopened”. Deze petitie is ondertekend door wetenschappers uit de meest uiteenlopende disciplines in binnen- en buitenland, hoewel aanvankelijk door een aantal juristen en rechtspsychologen werd gesuggereerd dat deze petitie alleen door statistici ondertekend zou zijn. Op 2 november 2007 is de petitie geplaatst als advertentie in de NRC en tevens is hij op die dag aangeboden aan de Minister van Justitie. Zoveel wetenschappers die in actie zijn gekomen tegen het OM en meer in het algemeen tegen de behandeling van strafzaken in Nederland: heeft het geholpen? In ieder geval heeft het tijdelijk de aandacht op een ernstige misstand gevestigd. Het OM hoopt waarschijnlijk dat de aandacht weer zal verslappen en dat, als deze rechtszaak maar lang genoeg wordt getraineerd, het alsnog toe kan slaan op een door het OM gekozen moment, zeker nu door de voorstellen van minister Hirsch Ballin de behandeling van strafzaken dicht wordt getimmerd tegen de bemoeienis van wetenschappers. Het enige dat ik hier nog over kan zeggen is dat ik hoop dat dit zal kunnen worden voorkomen.

Naschrift. Het is inmiddels 20-2-09 en gisteren heeft het Arnhemse hof de meeste van de voorstellen van het OM afgewezen, zie: Beperkt nieuw onderzoek Lucia de B. Het lijkt erop dat de grote rol die het OM zag voor de “forensisch criminalistische benadering” van de firma Eikelenboom door het hof niet gehonoreerd zal worden. We hopen er nu maar het beste van.

Dat neemt niet weg dat de plannen van minister Hirsch Ballin nog veel zwaar weer in de toekomst beloven, want deze plannen timmeren het justitieel bolwerk dicht tegen bemoeienis van wetenschappers. De kritiek van wetenschappers op de gang van zaken heeft echter in de zaak van Lucia de Berk een heel belangrijke rol gespeeld!

Derksen, A.A. (2006). Lucia de B. Reconstructie van een gerechtelijke dwaling.
Uitgegeven door Veen Magazines.
Derksen, A.A. (2008). Het O.M. in de fout.
Uitgegeven door Veen Magazines.
Gill, R.D. (2007). The case of Lucia de Berk must be reopened.
Groeneboom, P. (2007). The Lucia de Berk case, part 2.
Pam, M. (2009). Snurkende aanklagers en slapende rechters.
Wagenaar, W.A., Israëls, H. en P.J. van Koppen. (2009). De slapende rechter.
Uitgegeven door Bert Bakker.


Schoolherinneringen

January 7, 2009

Op vakantie in Wenen werd ik opgeschrikt door een e-mail van een oud-klasgenoot, die mij attent maakte op oude klassenfoto’s (klassefoto’s? Geen van beide manieren van spellen zijn te vinden in het Groene Boekje) die hij had geplaatst op de site Schoolbank.nl. Sommige mensen willen niets meer weten van hun schoolverleden en anderen willen dat levend houden. Hij behoorde duidelijk tot de laatste categorie. En ikzelf? Laat ik maar eerlijk zijn: ik wil het wel, maar ben bang een doos van Pandora te openen.

Ik meende me te herinneren dat Gerard Reve iets gezegd had in de trant van: “Schooltijd, die mensonterende tijd…” en dat is ongeveer hoe ik er zelf over denk, maar toen ik googlede op “schooltijd”,  “mensonterend” en “Reve”, kwam ik alleen een uitspraak van Godfried Bomans tegen over het werk van Gerard Reve, met de inhoud dat zijn proza “mensonterend” was. Een heel erg domme uitspraak van Bomans volgens mij. “Werther Nieland” en “De ondergang van de familie Boslowits” behoren m.i. tot de top van wat er de vorige eeuw door Nederlandse schrijvers geproduceerd is. Zo geconcentreerd, zoveel sfeer, deze twee verhalen roepen zo geweldig veel op…

Werther Nieland gaat over herinneringen uit de schooltijd en bijv. het vormen van een “club”, magische handelingen die ik mij ook herinner uit mijn lagere schooltijd. Ik had ooit een singletje (mogelijk is dit niet precies de juiste benaming, maar ik bedoel hier een klein formaat grammofoonplaat), waar op de ene kant Remco Campert met sombere stem voorlas:

Ik hou niet van de warmte,
broedplaats van muggen en maden
poel van limonade en andere slopende dranken

en waar op de andere kant Gerard (toen nog: Simon van het) Reve voorlas uit Werther Nieland. En onmiddellijk bij het luisteren naar Gerard kwam mijn eigen herinnering aan die “club” met kartonnen schilden en houten zwaarden die werd opgericht in de garage van een vriendje in de vierde klas van de lagere school (waarbij het vriendje van de garage natuurlijk tot “voorzitter” gekozen werd) weer bij mij boven.

En nu bij het kijken naar die oude klassenfoto’s vind ik opmerkelijk hoe sommige van die kinderen nog leven voor mij en hoe dat naar voren springt uit de foto. Maar aan de andere kant  betekent dat natuurlijk niet dat ik iedereen van zo’n klas nog zou willen zien. Bij sommigen ben ik echt benieuwd wat er van ze geworden is en ik zou ze misschien ook nog wel eens willen zien, maar bij anderen heb ik die behoefte totaal niet. Ook vind ik de lagere school (pardon: basisschool) wat dat betreft interessanter dan de middelbare school. Nathalie Sarraute zegt aan het eind van haar boek “Enfance” (het einde valt zo ongeveer samen met het begin van de middelbare school): “daarna kwam het volle licht” (of iets in deze geest; ik citeer uit het hoofd), daarmee ongetwijfeld bedoelend dat die verder weg liggende herinneringen van de lagere school toch iets mysterieuzers voor ons hebben en ons misschien nog meer te vertellen hebben.

Er is een foto van 6 gymnasium die ook door mijn klasgenoot geplaatst was op Schoolbank.nl. Mijn jongste zoon merkte hierover op: “Dat haar van die persoon rechtsonder vind ik echt niet kunnen, maar dat zal wel met de stijl van die tijd te maken hebben.” Inderdaad! Ik dank overigens mijn klasgenoot Wout Klein (op de foto het hoofd direct onder het hoofd geheel rechts boven), die de aanstichter van dit alles is, voor het mij toesturen van de jpg file van deze vergeelde foto.

klas-vi1.jpg

Klas 6 gymnasium, 1959

Door deze foto’s en herinneringen “getriggered” las ik ook wat
toepasselijke gedichten die hieronder komen.

Je hoopt

Je hoopt dat alles wat je ooit gehoopt
en toen maar opgerold, omdat een rol
beter te dragen, ooit nog eens uitgerold
kan worden in volle lengte
van vroeger bedoeld.
Dat moet dan zeker vóór het midden
of kan het later in een pensioen
van dit levenslang best doen

(uit Dagrest van Judith Herzberg)

Zelfportret

Je ziet een man in de tuin
hij lijkt verzonken in zichzelf

die man ben ik, ik weet het
maar als je lang kijkt naar een foto
van jezelf verval je in gepeins-
wie je bent en wie je bedoelt
als je ik zegt, enzovoort

ik kijk en kijk in dat gezicht
en inderdaad – ben ik dat?

over het ik is veel nagedacht
ook door mij, maar de meningen
lopen nog steeds ver uiteen
ook die van mij – zoals dat gaat
met woorden die niet kunnen
worden begrepen

niemand heeft ooit zichzelf gezien
maar het verlangen blijft
naar het onzichtbare ik

je zoekt in wat er van je
overbleef een man in de tuin.

(Uit “De man in de tuin” van Rutger Kopland


Hoe worden door NRC.NEXT ingezonden brieven mishandeld?

August 11, 2008

Eigenlijk is dit aflevering 3 van mijn feuilleton: “Hoe worden door NRC Handelsblad ingezonden brieven behandeld?”. Maar vandaag, nadat ik gezien heb wat nrc.next van mijn brief heeft gemaakt in de krant van 30 juli, lijkt de bovenstaande aanhef mij meer toepasselijk. Wat ik daar zag staan was gewoon mijn brief niet meer. En dat nog wel nadat ik braaf binnen de toegestane 250 woorden was gebleven!

Hieronder komen wat punten m.b.t de door nrc.next aangebrachte veranderingen.

Wat stond er in mijn oorspronkelijke brief over het heropenen van zaken van CCRS:

“Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is. In Nederland zijn sinds 1997 slechts 3 zaken heropend, waaronder de Schiedammer parkmoord, waar een ander dan de veroordeelde heeft bekend.”

Wat staat er in “mijn” brief in nrc.next:

“Deze laatste commissie heeft sinds 1997 ongeveer 400 zaken heropend, waarbij in 70 % van de gevallen het oorspronkelijke vonnis vernietigd is.”

De voor mijn brief heel essentiële zin over het feit dat het er in Nederland in diezelfde tijd slechts 3 zijn geweest, waaronder de Schiedammer parkmoord, waarbij een ander dan de veroordeelde heeft bekend, heeft nrc.next er uit gecensureerd. Is dit van nrc.next een slinkse poging om te proberen te ontkrachten wat ik zeg?

Wat stond er over de Lucia de Berk zaak in mijn brief:

“Hier staan zonder argumenten een aantal beweringen achter elkaar die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze “op zichzelf juist”? Wat is hiervoor het argument? Lucia de Berk zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.”

Wat staat er in “mijn” brief in nrc.next:

“Dit zijn meerdere beweringen die mij stuk voor stuk onjuist lijken. Waarom is die keuze “op zichzelf juist”? Lucia de B. zou nog steeds in de gevangenis zitten als niet door niet-juristen was gewezen op de in deze zaak gemaakte fouten omtrent de toxicologische bewijsvoering.”

Nrc.next heeft hier onder tafel gewerkt:

1. Dat ze geen argumenten geven in hun hoofdcommentaar: op twee plaatsen hebben ze dat verdonkeremaand door het te herformuleren.

2. Ik zeg: “op de in deze zaak gemaakte fouten m.b.t. statistiek en toxicologische bewijsvoering.” De fouten m.b.t. statistiek zijn in de publicatie van “mijn” brief echter onder tafel gewerkt. De NRC heeft dan ook prof. Elffers in een lang stuk aan het woord gelaten om hem te laten zeggen: “Statistiek doet er nu niet meer toe”. Zie Professor Elffers neemt het op tegen de 80 hoogleraren, en The Lucia de Berk case, part 2, waarin ik o.a. laat zien dat het arrest van het Haagse Hof nog steeds zwaar leunde op statistische overwegingen, hierbij gebruik makend van het rapport van prof. Elffers. NRC Handelsblad heeft mijn repliek op wat Elffers beweerde in de NRC echter niet willen publiceren, onder het mom dat hier al te veel over was geschreven!

Maar er is geen enkele reactie op het stuk van Elffers in de NRC verschenen! Het rapport van de commissie Grimbergen, waarin vorig jaar de aanbeveling werd gedaan de zaak tegen Lucia de Berk te heropenen, besteedde meer dan 10 pagina’s aan de kwalijke rol van de rechtspsycholoog Elffers en zijn “statistische” berekeningen en adviezen. Helaas hebben lezers van NRC Handelsblad of nrc.next hier echter geen kennis van mogen nemen! Misbruik van statistiek is wat de hele zaak tegen Lucia de Berk op gang heeft gebracht! Het is vervelend dat ik dit steeds maar weer moet herhalen, maar als de pers volhoudt slaafs de mededelingen van juristen en de rechtspsycholoog Elffers te volgen dat statistiek geen rol heeft gespeeld in het uiteindelijke arrest, ben ik wel gedwongen te blijven herhalen dat dit een leugen is. Nu word ik dus zelfs geconfronteerd met een censurering door nrc.next van mijn eigen brief m.b.t. dit punt.

Ten overvloede herhaal ik nog maar eens wat ik hier in mijn stukje de grote misleiding over heb gezegd:
In de uitzending van NOVA/Den Haag Vandaag van 4 november 2003 Statistiek in het strafproces zegt de hoogleraar strafrecht Theo de Roos nog: “In de Lucia de B. zaak is het statistisch bewijs ontzettend belangrijk geweest. Ik zie niet hoe men zonder dat bewijs tot een veroordeling zou zijn gekomen.”. In deze uitzending komt ook de rechtspsycholoog Elffers aan het woord, die hier stelt dat de kans dat een verpleegkundige, werkzaam op de drie ziekenhuisafdelingen, bij toeval bij zoveel van de onverklaarbare overlijdensgevallen en reanimaties op élk van de drie afdelingen aanwezig is, 1 op 342 miljoen zou zijn.

Nadat alle statistici in Nederland, maar ook statistici buiten Nederland, zich van de kans van 1 op 342 miljoen van prof. Elffers en prof. de Mulder gedistantieerd hadden, heeft het Haagse Hof het doen voorkomen of statistiek geen rol meer heeft gespeeld in het uiteindelijk arrest, maar zoals bijvoorbeeld prof. ‘t Hooft terecht bij zijn ondertekening van de petitie voor heropening van de zaak Lucia de Berk heeft opgemerkt: “Dat het gerechtshof pretendeert geen statistische argumenten te hebben gebruikt wordt door de verwoordingen van het vonnis weerlegd.”

Ik begrijp wel dat het Haagse Hof en prof. Elffers liever niet herinnerd willen worden aan de fouten die ze gemaakt hebben met betrekking tot de statistische argumentatie, maar ik begrijp niet waarom NRC en nrc.next hen hierin slaafs zouden moeten volgen en waarom het dagblad nrc.next zelfs zo ver meent te moeten gaan dat het mijn brief op dit punt censureert.

We gaan verder met mijn brief in nrc.next. In mijn oorspronkelijke brief zeg ik:

“Minister Hirsch-Ballin en ook Mr. Brouwer haasten zich in interviews steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker?”

In nrc.next staat:

“De minister haast zich steeds te zeggen dat rechterlijke dwalingen een hoge uitzondering zijn. Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker?”

De baas van het Openbaar Ministerie in Nederland, Mr. Brouwer, blijft nu buiten schot, maar nrc.next heeft wel: “Hoe weten ze dat eigenlijk zo zeker?” laten staan.

Ik begin mijn brief met:

“In het redactioneel commentaar van 16-7-08 op het voorstel van minister Hirsch-Ballin, waarin de commissie die de mogelijkheid om rechtszaken te heropenen zou moeten verruimen een aanhangsel van de Hoge Raad wordt, wordt opgemerkt:

Wat staat in nrc.next:

“Minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) heeft voorgesteld om de commissie die gaat over de ruimere mogelijkheden om rechtszaken te heropenen een aanhangsel van de Hoge Raad te laten zijn. In het redactioneel commentaar “Ten halve gekeerd” (nrc.next, 17 juli) wordt daarover gezegd:”

Dat is iets heel anders; het “een aanhangsel van de Hoge Raad maken” van deze commissie is slechts een onderdeel van het voorstel van minister Hirsch Ballin waar ik het niet mee eens ben. Het creëren van een vaste “pool” (dr. le Pair spreekt in dit verband over “poel”) van geregistreerde deskundigen die een cursusje forensische methoden hebben gevolgd is een ander (slecht) onderdeel van het voorstel. Op die manier wordt de situatie waarin de echte deskundigen niet worden geraadpleegd, zoals voor het onderdeel statistiek het geval is geweest in de Lucia de Berk zaak, gecontinueerd. Mijn formulering gaf aan dat “een aanhangsel van de Hoge Raad maken” slechts een onderdeel of gevolg van de plannen was; in de herformulering lijkt het alsof het mij daar alleen maar om gaat.

Zoals ik boven al zei: het is gewoon mijn brief niet meer. Het is allemaal te gek voor woorden wat hier gebeurd is. En dat op een essentiële manier veranderen van mijn brief is gebeurd zonder mij daar iets over mee te delen! Binnenkort kunnen we brieven tegemoet zien in NRC of nrc.next waar onze naam onder staat, maar waarin het tegendeel wordt gezegd van wat we onder de aandacht hebben willen brengen!
De brief zoals ik hem aan de NRC heb aangeboden is te vinden op: in de kranten, waar ook de brieven van Metta de Noo en dr. Kees le Pair worden gegeven.