Janine

January 7, 2011

Een paar weken geleden ging ik op een maandagavond kijken naar de film “Janine”. Dichtbij waar ik woon is een “filmhuis” waar deze film werd vertoond. De filmvoorstelling was uitverkocht (ik kreeg net voor aanvang de laatste plaats in de zaal omdat iemand zijn reservering niet was komen ophalen). Toch wel opmerkelijk (dat de filmvoorstelling was uitverkocht), vond ik. Evenals het feit dat er doodstil werd gekeken en geluisterd naar deze documentaire, afgezien van het lachen om de reclamejongens die een glossy aan het maken waren voor Janine en zich in passend jargon aan het beraden waren over hoe ze Janine moesten “marketen”. Hoogtepunt van deze beraadslagingen was het moment van de eerste versie van de “glossy”, waar de bouwer van het instrument waarop Janine Jansen speelt gespeld was als “Stradivarus” (dus een speciaal soort Rus: een Stradivarus).

Van Paganini (een beroemd violist uit de negentiende eeuw) werd verteld dat hij nooit oefende. Op dezelfde manier waarop Janine nu gevolgd werd in deze film, schijnt Paganini gevolgd te zijn door een bewonderaar die hem overal achterna reisde. Hij ging (volgens het verhaal) zelfs zo ver dat hij door het sleutelgat van de hotelkamer van Paganini keek om te kijken wat die aan het doen was. Hierbij was het één keer voorgekomen dat Paganini zijn vioolkist had geopend. Paganini’s “stalker” had toen gedacht: “Nu komt het!”. Maar Paganini had alleen een tijdje naar zijn viool gekeken en vervolgens de kist weer gesloten.
Het is grappig om de beschouwingen over het al dan niet oefenen van Paganini te lezen, bijvoorbeeld: “Dat Paganini nooit meer oefende is uitgesloten!”. Het is net zoiets als: “Dat Fermat zijn eigen laatste stelling echt bewezen heeft is uitgesloten!”. In feite denk ik dat ook, hoewel ik mij iets zekerder voel over de bewering over Fermat dan de bewering over Paganini.

Paganini sprak ook over zijn “geheim” (dat hem in staat zou stellen zo goed te spelen). Dat volgen van een beroemd artiest doet daaraan denken: een poging tot ontfutselen van een geheim. Wat dat betreft was het interessant om de opnamen van Janine Jansen te zien op heel jonge leeftijd. Er zijn (zeer krasserige) opnamen van Jascha Heifetz op jonge leeftijd, en volgens mij speelde hij toen een stuk beter dan Janine Jansen op jonge leeftijd. Des te opmerkelijker is om te zien hoe snel Janine beter is gaan spelen; als je naar haar spel als puber luistert -en kijkt- is er werkelijk een wereld van verschil. Dus wat moeten we hieruit afleiden? Ik denk vooral: oefenen onder goede leiding helpt! Of misschien moet ik zeggen: “kan helpen”. Als de aanleg er niet is zal het natuurlijk niet helpen.

Wat vooral interessant was in de film waren de commentaren van haar vriend Julian Rachlin. Hij zei o.a. dat zij alles benaderde vanuit de kamermuziek. Ik denk dat dat waar is. Je zag haar de driestemmige inventionen van Bach spelen, in een zetting voor viool, altviool en cello.
Wat mij weer, niet voor de eerste keer, deed denken dat deze versie eigenlijk ontroerender is dan de versie voor klavecimbel (of piano). In ieder geval: dat is de uitwerking die het op mij heeft.

Ook interessant was het verschil in “nadenken over hoe je het doet” tussen Julian Rachlin en Janine Jansen: Julian Rachlin had het soort training gehad waarbij hij had geleerd zich volkomen bewust te zijn van wat hij deed; volgens hem wilde Janine daar liever niet over nadenken (en daarom ook geen les geven). Wat dat betreft zijn violisten inderdaad zeer verschillend: als je les hebt kun je (volgens mij) maar beter te maken hebben met iemand die wel bereid is daar over na te denken!

En wat “het geheim” betreft: het onttrekt zich aan onze waarneming. Als je elke dag oefent, wordt het steeds beter (of kan het steeds beter worden, zie boven). Wat dat betreft is er een soort analogie tussen de beoefening van wiskunde en het bespelen van een instrument.
Het lijkt er soms op dat er een heleboel ‘s nachts gebeurt, als je slaapt. Bij het opstaan realiseer je je opeens dat… (bij het werken aan een wiskunde probleem). Of je kunt plotseling die passage spelen, waarvan je dacht dat je hem nooit zou kunnen spelen.
Of als componist (of schrijver) weet je ineens hoe je wat je tot nu toe hebt moet voortzetten. Misschien niet heel spectaculair voor de marketing, maar dat is wel hoe het gaat.

Advertisements

Elisabeth concours (slot)

June 2, 2009

W. Het is geloof ik tijd voor wat nuance.
J. Jij en nuance, laat me niet lachen! Je lijkt de NRC wel, de krant die de nuance zoekt!
W. Je weet nog helemaal niet wat ik ga zeggen en je gaat al in de aanval!
J. Het zal wel weer over dat Elisabeth concours gaan.
W. Inderdaad, J. Er zijn wat harde woorden gevallen, speciaal in de Franstalige commentaren, over de winnaar Ray Chen en de tweede prijswinnaar Lorenzo Gatto die ik toch wat zou willen nuanceren.
J. Aha!
W. In de eerste plaats is zo’n concours een onding.
J. De gesel van de markt, W.!
W. Ja, ja, haal Annemarie Jorritsma er maar weer bij! Jouw partij en de VVD zitten wat dit betreft erg op één lijn. De “as van de markt” in plaats van (of misschien als verlengstuk van?) de “as van het kwaad” van Bush, die CDA en de VVD verbindt.
J. Mag ik je eraan herinneren dat wedstrijden tussen musici van alle tijden zijn? Ik meen te weten dat Händel en Scarlatti een wedstrijd hebben gehouden, waar Scarlatti als de beste clavecinist en Händel als de muzikaalste uit tevoorschijn kwam. Het was dus “onbeslist”. Of dit verhaal helemaal waar is weet ik niet, maar ik geloof wel dat het op iets dat werkelijk heeft plaatsgevonden is gebaseerd. En verder meen ik te weten dat zelfs jouw Bach aan wedstrijden deed, waaruit hij overigens altijd als winnaar tevoorschijn kwam.
W. Ik weet het J. Maar toch… Philippe Hirschhorn, die ook ooit dit concours gewonnen heeft, sprak over het concours als een loterij, en zei dat hij het gevoel had de jury “misleid” te hebben. En verder dat er in zo’n jury mensen (“old men”) met esthetische idealen van 50 jaar of langer geleden zitten. Ik zou het zelf bijvoorbeeld niet prettig vinden om voor een jury te spelen waar Jaime Laredo in zit, hoewel hij me verder in het interview dat ik met hem zag wel een aardige vent leek. Met mensen als Dumay en Laredo in de jury komt vanzelf zo’n bekkentrekker als Ray Chen bovendrijven.
J. Goed, goed, maar je begon over “nuance”.
W. Ja, ik heb nog wat naar de halve finales geluisterd voor een vollediger beeld en vond bijvoorbeeld dat Lorenzo Gatto daar de Havanaise van Saint-Saens toch wel erg mooi speelde. En de andere dingen die hij speelde Schnittke, Ysaye, Ledoux en de Wals-scherzo van Tchaikovsky en het vijfde concert in A van Mozart, ik vond dat hij dat eigenlijk ook heel mooi deed. Wel blijf ik er bij dat ik de meer duistere krachten mis in zijn spel en dat ik hem daarom niet de ideale Paganini speler vind, terwijl ik die duistere krachten wel gehoord heb in het spel van de laaggeplaatste Mayu Kishima.
J. Je aapt nu Menuhin na, die zei dat hij in het spel van Kreisler het “demonische” miste.
W. Ik ben inderdaad bekend met die uitspraak en ik probeerde (kennelijk tevergeefs) die enigszins te omzeilen. Maar het gaat hier wel om iets belangrijks. Weet je op welke violist het meest onsympathieke personage van “A la recherche du temps perdu” van Marcel Proust geïnspireerd is?
J. Nee.
W. Op Jacques Thibaud aan wie Ysaye zijn meest duistere solosonate heeft opgedragen. Als je dat zoetgevooisd gaat spelen, dan sla je toch wel de plank volledig mis. En met Paganini is het al net zo.
J. Goed, daar heb je misschien een beetje gelijk in. Maar ik zou graag nog wat meer over de “nuance” horen.
W. Het valt me op dat als ik naar die filmpjes kijk, waarin de kandidaten geïnterviewd worden, ik ze allemaal eigenlijk zo enorm aardig vind, allemaal op hun eigen manier natuurlijk. Zelfs Ray Chen, die je in een soort speeltuintje met kleuters ziet spelen, waarbij je de kleuter op de voorgrond verrast op ziet kijken. Dat “verkoopt” natuurlijk enorm, zo’n aandoenlijk tafereeltje, maar ik vond het desondanks wel leuk.
Maar goed, wat de nuance betreft. Mijn slotconclusie is toch dat je door zo’n wedstrijd de kans krijgt te luisteren naar allerlei verrassende interpretaties van stukken die je wel of niet kent en dat je (ik) daardoor weer zin krijg(t) de stukken die je hoort zelf te spelen.
J. Voorbeelden?
W. Li-yoon Park speelde in de halve finale Caprice d’après l’étude en forme de valse opus 52 van Saint-Saens in een transcriptie van Ysaye. Het was echt fenomenaal! Je kunt nu al deze dingen ook via youtube zien en beluisteren, hoewel de geluidskwaliteit nog iets beter is op Elisabeth Concours Live en dan kun je daar ook (op youtube) nog even luisteren en kijken naar Vengerov die daar het zelfde stuk speelt met enorm veel meer poeha en bekkentrekkerij. Wel enorm goed, natuurlijk, daar gaat niets van af, ondanks de vrijheden die hij zich veroorlooft, maar toch “not my cup of tea”. Merkwaardig genoeg was dit nummer dit jaar verplicht voor de kandidaten van het nationaal (Oscar Back) vioolconcours. Tot nu toe had ik geen enkele behoefte om het zelf te gaan spelen, maar na Li-yoon Park gehoord te hebben, wil ik het wel eens proberen. En ik had al gezegd dat ik ook al zo genoot van haar sonate van Ravel in de finale.
En Soyoung Yoon speelde in de halve finale het bekende Poème van Chausson, waar ik in het algemeen vreselijk de pest aan heb, hoewel iemand van wie ik les had ooit zei dat ik dit misschien als pièce de résistance op het repertoire zou moeten nemen. Ik zei zelfs tegen hem dat ik dat “zeikstuk” niet wilde spelen. Maar na het luisteren naar Soyoung Yoon, die hier trouwens ook heel mooi op de piano werd begeleid, zal ik dit toch nog eens heroverwegen (ze vloog tijdens een solo in dit stuk trouwens een keer vreselijk uit de bocht, maar kennelijk is haar dit niet te erg aangerekend; dat soort dingen moet ik de jury toch weer nageven). Dit is duidelijk zo’n stuk waarvoor geldt: “Minder is meer”.
Ik had het al over de sonate van Prokoviev in de versie van Mayu Kishima, maar zoals die het Poème élégiaque op. 12 van Ysaye speelde! Ik heb meteen de bladmuziek gekocht om het ook te gaan spelen. En die rare maar mij toch ook wel sympathieke Ilian Garnet speelde de derde Brahms sonate op een heel opmerkelijke manier, die me weer aan het denken heeft gezet m.b.t het eerste deel, waarin hij een enorm rustig tempo nam en erg ingetogen speelde. Hij speelde deze sonate überhaupt erg “kalm” op zijn viool van onbekend merk; heel verrassend vond ik dat!
J. Je wordt nu wel erg technisch, W.! Laten we er maar over ophouden.

Naschrift. De halve finales en finales van het Elisabeth concours kunnen nog steeds bekeken en beluisterd worden op Concours Reine Elisabeth/Koningin Elisabethwedstrijd. Ik kan iedereen aanraden om dit te doen zolang het nog kan, in het bijzonder de halve en hele finale van Mayu Kishima.


Elisabeth concours commentaren

June 1, 2009

Vandaag laat ik even wat Franstalige commentatoren (-trices) aan het woord.

Zie: commentaires.

Le premier prix est une blague de mauvais goût qui dévalorise l’image de ce concours. Un “Lang Lang” aux violon… ce n’est pas drole. C’est dommage que ce jury manque tellement de critère.
Lorenzo Gatto est une deuxième blague, c’est un élève qui a été poussé par le jury par des raisons purement politiques. Si vous voulez écouter un “vrai” Paganini, écoutez l’interprétation de Philippe Hishchorn.
Les resultats du Concours 2009 -GRAND DECEPTION – parcequ’en même temps c’est l’image de la crise spirituelle que nous traversons aujourd’hui.

Mayu Kishima à été magnifique en final. Malheureusement, sa demi final en à laissé plus d’un perplexe.. et automatiquement cela reste dans les mémoires. J’imagine que le jury juge malgré tout l’ensemble des prestations. Il y a sans doute une impression qui reste… Mais oui elle à été magnifique en final et pour ce tour la, elle aurait mérité d être dans les 6 premiers.

Waaraan ik nog toe zou kunnen voegen: iedereen die beweerde dat Mayu Kishima koud of onverschillig speelt, zou misschien nog eens moeten luisteren naar de manier waarop ze in de halve finale Poème élégiaque op. 12 van Ysaye heeft gespeeld via Concours Musical International Reine Elisabeth


Smile from your heart

May 31, 2009

W. De winnaar van het Elisabeth concours Ray Chen liet in het filmpje dat aan hem gewijd was een kaartje zien dat in zijn vioolkist lag, waarop stond “Smile from your heart”.
J. Ja, ontwapenend, hè?
W. Niks ontwapenend! Amerikaanse sales talk! Isaac Stern was ook een beetje op die manier bezig tegen de arme jonge Chineesjes in die documentaire over zijn reis door China.
J. Wat zullen we nou hebben? Ray Chen is geboren in Tai Wan en is daarna genaturaliseerd tot Australiër, al woont hij nu dan ook in Philadelphia. Had dat kaartje ook niet iets met Maxim Vengerov te maken?
W. Ja, dat is heel goed mogelijk; Maxim Vengerov is ook altijd zo bezig met “to smile from his heart”; als hij dat wat minder deed, zou ik hem al wat beter kunnen pruimen. Er is een zekere limiet aan de mate van bekkentrekkerij die ik kan verdragen, maar we zijn wat dat betreft op het moment totaal “over the top”. Denk eens aan de manier waarop Heifetz en Milstein op het podium stonden!
J. Heifetz was een echte ijspegel, dat kun je ook horen als je naar hem luistert.
W. Hier raken we een belangrijk punt, J.: de mensen die Heifetz een ijspegel vonden, luisterden volgens mij niet goed, maar lieten zich misleiden door het feit dat hij niet aan het bekkentrekken was op de manier van Vengerov en Ray Chen. Laten we eens iets nauwkeuriger kijken naar de manier waarop Ray Chen de sonate van César Franck speelde en die vergelijken met de manier waarop de leerlinge van Zakhar Bron, Soyoung Yoon, die speelde. Ray Chen merkte op dat de sonate van César Franck de “four cycles of life” gaf; eerste deel onschuld der jeugd, enz. Ik moest even denken aan de film “Spring, summer, fall, winter, and spring again” van Kim Ki-duk.
J. Ja, vond je dat geen prachtig beeld, die “four cycles of life”?
W. Nee J., ik vond het geen prachtig beeld, hoewel ik me best kan voorstellen waar zo’n gedachte vandaan komt. Het is me allemaal net iets te makkelijk. Ray Chen was het soort Amerikaanse Chinees die Amerikaanser is dan de Amerikanen van Angelsaksische oorsprong; ik heb in Amerika veel van die Chinezen ontmoet. In deze interpretatie wordt het vierde deel van de César Franck het deel van de “berusting” en inderdaad vond ik dat Ray Chen dit deel op een enigszins zalvende manier aan het spelen was, een manier van spelen die misschien wel past bij die “berusting” van de vierde levenscyclus, maar die verschilt van hoe ik over dat vierde deel denk.
J. Hoe denk jij dan over dat vierde deel?
W. Toevallig heb ik daar veel over nagedacht, o.a. omdat een Koreaanse violiste, bij wie ik dit ooit heb ingestudeerd, mij ook vroeg wat voor soort gevoel dit laatste deel bij mij opriep. Maar ik wilde het daar nu even niet over hebben, maar het hebben over de manier waarop Soyoung Yoon, de leerlinge van Zakhar Bron dit deel speelde. Die kreeg nl. van zowel het Vlaamse als het Nederlandse als het Waalse panel enorm op haar donder dat ze het te snel speelde.
J. Nou, als al die panels het hierover eens waren, dan moet het toch wel waar zijn!
W. Nee J., het was volgens mij ook een kwestie van niet goed luisteren. Waarom klonk het alsof het te snel was? Omdat de pianiste in feite het tempo niet bij leek te kunnen benen, waardoor allerlei passages in de pianopartij plotseling gehaast klonken. Als je luisterde naar de violiste klonk het helemaal niet te snel. In haar interpretatie zag je huppelende kindertjes voor je of voetballende jongetjes of iets dergelijks. Niks “berusting van de vierde levenscyclus”! Wel speelde ze af en toe niet zuiver, maar wie daarover valt is een kniesoor.
J. Toch wel belangrijk, W., je zult moeten toegeven dat Ray Chen het wel helemaal zuiver speelde!
W. Niks belangrijk, J.! Het gaat erom wat het oproept. En trouwens, op Ray Chens intonatie was af en toe ook best iets aan te merken, vooral in Tchaikovsky! Maar goed, laten we het ook nog even hebben over het eerste deel van deze sonate, het deel van de onschuld volgens Ray Chen (of de leraar van Ray Chen), weet je wel? In dit deel kun je heel veel glissandi maken en dan kun je kiezen “to lay it on thick” zoals Ray Chen deed of “to lay it on less thick”, zoals Soyoung Yoon dat deed. Je begrijpt zeker wel waar mijn voorkeur naar uitgaat?
J. Je moet je stuk verkopen, W., dat weet je toch? En dat was wat Ray Chen aan het doen was.
W. Als voor één stuk geldt dat je het niet moet “verkopen”, is het wel dat eerste deel van de sonate van César Franck. Dat moet uit het niets opdoemen, het is een soort wakker worden, elke overdrijving of verstoring van het ritme is hier dodelijk. En al die nadrukkelijke “gepassioneerde” glissandi of portamenti, die horen volgens mij niet bij het wakker worden. Wat je je ook nog kunt afvragen is of al die zware glissandi of portamenti consistent zijn met de “onschuld visie” van dit deel. Maar het Vlaamse panel toonde zich zeer enthousiast over al die portamenti van onze Ray Chen. Die vonden het zelfs gedurfd of zo. Bah!
En dan nog wat. De tweede prijswinnaar Lorenzo Gatto speelde Paganini heel welluidend en zoetgevooisd, ik zou bijna zeggen “with a smile from his heart”. Ik zou heel benieuwd zijn hoe Mayu Kishima dit zou spelen. Ik weet zeker dat het niet “with a smile from her heart” zou gaan en het hoeft ook helemaal niet “with a smile from the heart”! In de beschrijvingen van mensen die Paganini hebben horen spelen stortte hij zijn toehoorders van de hemel in de hel, prachtige klanken werden afgewisseld door gekerm van katten en rauwe klanken. Ik acht Mayu Kishima in staat dit te bewerkstelligen, maar ik heb niets van deze afwisseling gehoord in het spel van Lorenzo Gatto dat (toegegeven) wel heel goed was. Wat ik daarentegen zo sympathiek in het spel van Mayu Kishima vond was de totale afwezigheid van zoetgevooisdheid.
J. Je bent een misantroop, W.!


Midori, Nederland en het Delft Chamber Music Festival

August 4, 2008

Op zaterdag 2 augustus jl. speelde de violiste Midori op het Delft Chamber Music Festival, samen met de cellist Johannes Moser en de pianist Jonathan Biss. Eerst ‘s middags het tweede pianotrio opus 80 van Robert Schumann en ‘s avonds het aartshertog trio opus 97 van Ludwig van Beethoven. Het viel me op dat het publiek muisstil was. Er was geen enkel hoestje voor zover ik me herinner. Desondanks hoorde ik na afloop van de uitvoering van het aartshertog trio twee heren achter mij enigszins denigrerend over de uitvoering spreken: ik hoorde de woorden: “gemaniëreerd”, “bizar”, “excentriek”. Ze zouden zo mee hebben kunnen doen in het radioprogramma “Diskotabel” op Nederland 4 op zondagmiddag, waarbij ze dan misschien ook nog hadden kunnen zeggen: “Het sléééépte me niet méééé” of: “de intonatie liet te wensen over” (zoals ik één van de afgelopen zondagen weer één van de heren van diskotabel hoorde zeggen, waarna instemmend gemompel van de anderen volgde). Met deze laatste woorden kun je altijd “scoren”; je zegt: “de intonatie liet te wensen over” en je geeft daarmee aan hoe goed jij dat allemaal wel hoort. Zelfs als het wel zuiver was, denken de personen tegen wie dit gezegd wordt: “O jee, heb ik dat ook wel gehoord?”.

In verband met het beoordelen van intonatie werd mij onlangs door een docent op een Nederlands conservatorium de volgende aardige anekdote verteld. Hij had bij één van de examens naar een meisje (een violiste) geluisterd waarbij hij had gedacht: “Zij heeft een heel goede intonatie”. Het eerste wat één van de andere leden in de examencommissie echter had gezegd was: “The intonation is terrible!”. Hij had zich toen afgevraagd: “Ben ik nou gek of is zij (dat andere lid van de commissie) het”. Tot zijn opluchting had toen de concertmeester van een vooraanstaand orkest in Nederland die ook in de commissie zat gezegd: “Mmmm, I thought the intonation was pretty good!”. Met een variatie op een bekend gezegde: “Intonation is in the ear of the beholder”.

Dus, hoewel de oordelen over intonatie van strijkers nogal uiteen kunnen lopen, denk ik dat de meeste musici het erover eens zullen zijn dat de intonatie van Midori bijzonder goed is. Ik heb haar uitvoering van de 24 caprices van Paganini op CD, haar eerste, een CD die ze heeft opgenomen toen ze 17 was. Die caprices van Paganini, die hoor je maar zelden zuiver spelen! De gevierde violist Itzhak Perlman bijvoorbeeld heeft deze caprices ook opgenomen en er is toch wel enige consensus over het feit dat hij op deze CD opname niet zuiver speelt. Bij een vorig Delft Chamber Music Festival werden ook alle Paganini caprices gespeeld en daarbij ging het soms zo erg mis, o.a. bij een uitvoering van een door mij overigens toch zeer bewonderde violiste (zodat ik het eigenlijk niet eens erg vond, omdat ik in feite toch altijd geniet van haar spel), dat je een huivering door het publiek voelde gaan. Het was des te opmerkelijker omdat deze violiste niet lang daarvoor een concours gewonnen had, waarbij in de schifting van de eerste ronde al verplicht Paganini caprices moeten worden uitgevoerd. Maar Midori is in staat deze caprices zuiver te spelen. En dat niet alleen; ze speelt ze met finesse, net zoals ze in haar Carnegie Hall recital de hels moeilijke variaties op het Ierse “The last rose of summer” van Ernst voor viool solo met finesse speelde.

Het kenmerkende van haar spel is dat het ook in deze virtuoze stukken totaal niet patserig wordt en dat het muzikale aspect altijd voorop blijft staan. En afgezien van het feit dat Itzhak Perlman in zijn opnames van de Paganini caprices minder zuiver speelde, misten deze opnames ook de finesse die Midori wel in deze caprices kon leggen. Ik denk hier bijvoorbeeld aan de subtiele manier waarop ze het Allegretto van de twintigste caprice speelt. Ook is grappig om te horen dat zij in de negende caprice de moeilijke dubbel flageoletten versie speelt bij de terugkeer van het eerste thema, terwijl Perlman daar kiest voor “the easy way out”, door gewoon het thema weer in de oorspronkelijke versie te spelen. Toegegeven, de dubbel flageoletten versie is ad libitum.

Iemand vertelde mij dat “het gerucht gaat” dat ook bij de opnamen van Paganini caprices van Midori “veel valse noten bijgesteld moesten worden”. Omdat ik Midori een aantal keren “live” heb horen spelen, twijfel ik eerlijk gezegd aan de waarheid van dit gerucht; het lijkt me meer iets uit het roddelcircuit. Je vraagt je ook af waarom men het dan in het geval van Perlman zo gelaten heeft. Misschien omdat je een incidentele valse noot wel kunt corrigeren, maar omdat het moeilijker wordt met langere passages?

Eigenlijk is die hele discussie over zuiverheid enigszins oeverloos, zoals ik boven al aangaf. Kreisler speelde behoorlijk vals en toch was hij één van de grootste violisten van de vorige eeuw; in het bijzonder had hij (net als Midori) een prachtige toon. Ik beschouw zijn opnamen van de Beethoven sonates met Franz Rupp als de mooiste die ik ken. Heifetz speelde in het algemeen heel zuiver, maar met zijn opnamen van de Beethoven sonates heb ik toch minder dan met die van Kreisler. Ik heb een DVD waarop Leonid Kogan het vioolconcert van Beethoven speelt. Hij speelt (af en toe) niet zuiver, maar wat speelt hij het mooi! Je kunt hoogstens zeggen dat “other things being equal” het wel prettiger is om live naar een violist(e) te luisteren die in het algemeen heel zuiver speelt, zoals Midori.

Ik was eens bij een concert in Londen waarbij Julia Fischer het vioolconcert van Beethoven speelde. Eigenlijk was ik daar speciaal vanuit Parijs (waar ik toen tijdelijk zat) naar toe gegaan in de hoop Pamela Frank te horen spelen. Maar het was één van de vele optredens van Pamela Frank die gecanceled was vanwege haar handblessure. Het is doodzonde en jammer dat haar carrière hierdoor beëindigd is. Maar goed, Julia Fischer, die voor haar inviel, speelde erg mooi en toen ze klaar was hoorde ik een Engelsman die naast mij zat zeggen: “I didn’t hear her make one mistake!”. Het is net alsof sommige mensen bij een concert alleen maar voortdurend zitten op te letten of ze de solist misschien kunnen betrappen op een foutje of een onzuiver nootje. Maar zo zou het toch eigenlijk niet moeten gaan! Ik geloof dat Glenn Gould vanwege dit soort verschijnselen ook is opgehouden met optreden in het openbaar, waaraan hij trouwens toch al -evenals aan reizen- nogal de pest had.

Het grappige is ook dat er natuurlijk bijna altijd foutjes worden gemaakt, die hoorbaar zijn voor mensen die de stukken ooit zelf hebben ingestudeerd, maar niet voor mensen die zitten op te letten of ze een foutje horen en de uitgevoerde stukken van wat minder nabij kennen, zoals ongetwijfeld deze Engelse mijnheer. In dit geval had ik bijvoorbeeld best kleine oneffenheden voorbij horen komen, maar ze waren van geen enkel belang, ze passeerden ergens aan de periferie van mijn aandacht. Pas toen mijn buurman dit had gezegd realiseerde ik me weer: “O ja, zo kun je ook zitten luisteren”. Wat bijvoorbeeld wel van belang was, was de bijzonder mooie manier waarop Julia Fischer de inzet van (het solistische deel van) het concert speelde, waardoor je er meteen helemaal “in” was. Sommige solisten weten onmiddellijk een eigen sfeer op te roepen en Julia Fischer is één van die solisten.

Toen ik op de middelbare school vioolles had, kreeg ik van mijn vioolleraar altijd te horen: “Je moet je stuk verkopen!” en later bij andere lessen kwam deze mij altijd enigszins misselijk makende opvatting steeds in verschillende gedaanten weer terug: “Je moet altijd overdrijven”, “Die mijnheer die op de achterste rij zit en daarvoor betaald heeft wil toch ook graag waar voor zijn geld hebben en moet je kunnen horen; harder, harder!” Een heel erg Hollandse manier van denken! Er zijn dan ook een aantal Nederlandse violisten die loeihard kunnen spelen en daartoe zelfs op een speciale manier hun vingers om de strijkstok krommen (om misverstanden te voorkomen: ik heb het hier over een generatie die niet meer tot de jongste generatie Nederlandse violisten behoort). In dit verband spreekt men voor de grap ook wel over de …streek, naar een protagonist van deze manier van spelen. Als het echt loeihard moet is het natuurlijk fijn als je dat kunt bewerkstelligen. Maar het kan naar mijn idee best wel eens wat minder; in het bijzonder als er niet fortissimo, maar pianissimo is aangegeven.

Hoe weldadig om afgelopen zaterdag Midori al die eisen zoals “harder, harder!” volledig aan haar laars te zien lappen door bijzonder zacht te spelen en de gespeelde stukken geenszins “te verkopen”, maar alleen vanuit (zo leek mij) innerlijke bewogenheid en niet gericht op effect te spelen, een manier van spelen die door de eveneens fantastische cellist geheel werd overgenomen. Helaas stond daar wel een forse Steinway, die geheel openstond, tegenover, zodat het een beetje een piano recital met strijkersbegeleiding werd (een gevaar dat alijd op de loer ligt als strijkers tegen een kolossale open Steinway op moeten boksen). Ik zat op de tweede (dat was niet de laatste) rij en had er niet zo’n last van; ik kon Midori en Johannes Moser toch goed horen, maar ik weet niet hoe de klanken zich voor de toehoorders op de achterste rijen gemengd zullen hebben. Overigens: de pianist Jonathan Biss was ook voortreffelijk; ik denk echter dat het met een vleugel met een iets bescheidener geluid (een oude Bösendorfer?) nog mooier was geweest.

De hele zaterdag van het Delft Chamber Music Festival was overigens geweldig; André Mosch zong op een meeslepende manier de bijzonder mooie en ook leuke liederen van Schumann en Beethoven (Schotse “Trinklieder”), Anne Gastinel gaf o.a. een prachtige uitvoering van “Chansons Bretonnes” van Koechlin, waarbij ze geheel non-vibrato begon (heerlijk om een cellist(e) non-vibrato te horen beginnen!), en dan was er ook nog een mooie fagot en piano uitvoering van 3 stukken van Koechlin door Bram van Sambeek en Julius Drake. Zowel Julius Drake als Inon Barnatan waren trouwens geïnspireerde begeleiders op de piano. Een gedenkwaardige zaterdag!

Epiloog. Ik wist het en voelde het aankomen: Midori moet in bescherming worden genomen tegen Nederland, Nederlandse violisten en Nederlandse critici. Het was weer onmiddellijk prijs in het Algemeen Dagblad van maandag 4 augustus:
“In de Franse celliste Anne Gastinel heeft Ferschtman een muzikale geestverwant. Ook zij koppelt oprechte muzikaliteit aan volledige toewijding. Innig en nobel klonk het duet dat de twee samen zongen in het tweede deel van Tsjaikovskis Souvenir.
Violiste Midori en cellist Johannes Moser haalden dat niveau niet in een uitvoering van Beethovens Aartshertog-trio. Bij de bevlogen vertolking van de fenomenale pianist Jonathan Biss stak hun ingetogen musiceren wat bleekjes af.”

Nee, dan bijvoorbeeld Hilary Hahn met haar viool als een kanon (een Vuillaume). Die Vuillaume van Hilary Hahn is een soort Russische tank vergeleken bij de Guarneri van Midori, die in haar handen eerder een zacht briesje produceert. Jan Peter Balkenende is dikke maatjes met president Bush en evenzo zijn bijvoorbeeld de violisten van het koninklijk concertgebouworkest dikke maatjes met de zeer Amerikaanse Hilary Hahn en spreken zij meewarig over Midori (althans, de violisten die ik hierover gesproken heb). Hilary Hahn is m.i. een groot violiste, een echte kampioen, eigenlijk een waardig opvolgster van Heifetz. Ook met een voortreffelijke intonatie (volgens mij dan).

Maar toch… We zien haar op youtube het vierentwintigste caprice van Paganini spelen, zie Hilary Hahn Paganini caprice 24, na tegen het publiek gezegd te hebben: “Or if you want to leave, take your car, that’s fine, hè, hè, hè (mijn fonetische notatie voor haar lachen). But I will stay on the stage”. Het was kennelijk een toegift bij een concert. Waarom voel ik bij deze inleidende woorden een lichte irritatie (en zelfs gêne) opkomen? Zou ik daar geheel alleen in staan (in Nederland dan)? Ze speelt daarna overigens die caprice voortreffelijk; in feite is zij een echte Paganini speler.

Ik ken ook Hilary Hahn’s uitvoering van de Bach concerten en haar opnames van Bach solo sonates en partita’s en Mozart sonates. Allemaal heel goed. Maar wel heel agressief gespeeld. Is het bij Mozart nodig om op bijna elke noot te vibreren? Het werkt op den duur een beetje op mijn zenuwen. Wel een mooi vibrato, daar gaat niks van af, maar toch… Eigenlijk een beetje ouderwets soort spel, waarbij het experiment uit de weg wordt gegaan, en ook een beetje te gestroomlijnd (bezwaren die ik ook voel tegen het spel van de pianiste in deze Mozart opnames, trouwens). Hoeveel moderner, in de zin van “meegegaan met voortschrijdende inzichten in interpretatie”, en hoeveel pittiger (wat iets anders is dan “agressief”) zijn dan niet de opnames van de barokvioliste Rachel Podger en de “fortepianist” Gary Cooper van deze sonates! Itzhak Perlman noemt zichzelf een “modern violinist” om hiermee aan te geven dat hij niets van deze interpretaties en manieren van spelen wil hebben (in een antwoord op een vraag over deze kwestie). Een groot misverstand volgens mij; hij is daardoor juist een “non-modern violinist”.

Daarentegen luister ik altijd weer van tijd tot tijd naar Midori’s opnames van de sonates van César Franck en Richard Strauss. De manier waarop Midori bijvoorbeeld het eerste deel van de César Franck sonate speelt of het tweede deel van de sonate van Richard Strauss: dat is juist helemaal niet agressief en is voor mij “musique pure”; je vergeet bijna dat hier viool wordt gespeeld. Dit is nu het echte zingen dat het thema vormt van het huidige Delft Chamber Music Festival! Er hoeft niet altijd hard te worden gezongen! En daarom paste haar spel en dat van Johannes Moser ook zo goed in dit festival, waar ik bijvoorbeeld ook Anne Gastinel heel “modern” vond spelen. Zou dit misschien ooit ook zo door de gevestigde organen van het Nederlandse muziekleven en door de Nederlandse critici worden gezien? Ik vrees dat dit nog best eens een tijd kan duren…