Wanda Reisel volgt Emile Roemer (niet)

May 17, 2010

Toch nog even gekeken of Wanda Reisel de afgelopen week in haar “volgen van Emile Roemer” nog iets verstandigs te zeggen had na de eerste twee afleveringen. Maar nee, er wordt, bijvoorbeeld in het stukje “Waar laat Roemer de gewone man?” nog wat verder gezeurd over het vuilnis op straat (schuld van de SP!), de “gabardine” en de gleufhoed (die nu eenmaal bij een “volgende detective” horen) en “voorman Roemer, in zijn glansrijke rol van Robin Hood (hij steelt van de rijken en geeft aan de armen!)” en eigenlijk komen we helemaal niets over Emile Roemer en de SP te weten.

Emile Roemer zou nu “Robin Hood” natuurlijk als geuzennaam aan kunnen nemen, dat wel. Robin Hood wordt toch in het algemeen als held gezien, al is hij dan ook (waarschijnlijk) voornamelijk een fictief personage. Hij streed tegen corrupte machthebbers, net zoals Emile Roemer strijdt tegen corruptie in overheid en bankwezen. Of Emile Roemer ook de boogschietsport beoefent weet ik niet, dus het is mij onduidelijk hoe ver deze analogie kan worden doorgetrokken…

Verder verbaast Wanda Reisel zich over een SP-er met een witte boodschappentas met daarop de “geheimzinnige tekst” (later in hetzelfde stukje snijdend sarcastisch aangeduid met “diepzinnige tekst”): “de drager is de boodschap”. SP”. Tja, waar doet die tekst onmiddellijk aan denken? Aan “the medium is the message” van Marshall McLuhan (een link die overigens door Wanda Reisel niet wordt gelegd). Niet erg geheimzinnig noch diepzinnig, maar wel aardig gevonden als tekst voor op een boodschappentas.

Het stukje eindigt met (copy and paste):

Verdienste

In een persoonlijk interviewtje op de SP-website vind ik Robin terug. Hij zou het als zijn grootste verdienste zien als hij er in zou slagen de armoede onder Nederlandse kinderen op te lossen. Maar op de vraag wat hij zou doen als hij in de loterij 100.000 euro wint, antwoordt mijn personage: Mijn kinderen blij maken en het voor ze wegzetten voor later…..
Ik drink en ween.”

Robin is Roemer (zie boven). Deze week van volgen van SP+Roemer door Wanda Reisel heeft in ieder geval één ding wel duidelijk gemaakt: Wanda Reisel heeft een bloedhekel aan de SP+Roemer (+Robin Hood?). Ik vraag me af waarom de redactie van de NRC zo iemand heeft uitgekozen om Roemer te volgen. Heeft de redactie van de NRC misschien ook een bloedhekel aan SP+Roemer?


Wanda Reisel volgt Emile Roemer

May 11, 2010

Emile Roemer en de SP hebben momenteel erg de wind tegen. Dat is bijvoorbeeld ook weer te zien aan de manier waarop Wanda Reisel in de NRC van deze week Emile Roemer “volgt”. Over de uitzending in Buitenhof merkte zij op: “Zij (Barbara Baarsma) wast Emile pittig de oren over de goedbedoelde bescherming en zekerheden die de SP de mensen met een minimuminkomen wil bieden: het geld dat de SP bij de rijken wil weghalen kost ook geld”, zich daarbij weer kritiekloos aansluitend bij deze slogan van de verdedigers van privatisering en het marktprincipe (terwijl Roemer zich nota bene nog vrij genuanceerd over dit principe uitliet). Ook klaagt zij over het vuilnis op straat, alsof dit de schuld van Roemer+SP is.
Vandaag (dinsdag) geeft zij haar onderuit halen van de SP en Roemer nog wat meer “body” door te wijzen op haar eigen VVD vader die (als ik het goed begrepen heb) mede verantwoordelijk was voor haar “rusteloze, romantische en revolutionaire geest” (toen ze 18 was). Ja, ooit, toen ze nog niet wijzer was, geloofde ze ook nog in Rosa Luxemburg en Trotski en kocht ze de “handzame, maar wat saaie boekjes van Marx, Mandel en Marcuse”, daarmee suggererend dat de SP nog steeds op die lijn zit, terwijl ze zelf inmiddels wel beter weet. Het doet allemaal een beetje denken aan de (rechtse) spreuk: “Wie jong is en niet links heeft geen hart, wie oud is en niet rechts heeft geen verstand”.
Zowel Franca Treur als Robert Vuijsje schreven op een sympathieke manier over de politici die ze volgden (resp. Balkenende en Cohen), al schreef Franca Treur dan ook dat er meer door het haar van David Bowie werd geaaid dan door het haar van Balkenende bij Madame Tussaud (een treffende observatie die laat zien dat ze een echte schrijfster is). Wanda Reisel schrijft daarentegen echter op een bijzonder neerbuigende manier over SP en Emile Roemer. “De SP is passé” is haar boodschap (tenminste, tot nu toe).


Cum laude voor Emile Roemer

May 9, 2010

Vandaag werd de lijsttrekker van de SP, Emile Roemer, in het televisie programma Buitenhof De toekomst van Europa & Emile Roemer uitgedaagd door de “kritische denker” (of moeten we zeggen: “kritische denkster”?) Barbara Baarsma. Barbara Baarsma is directeur van SEO en hoogleraar marktwerking- en mededingingseconomie aan de Faculteit en Bedrijfskunde van de Universiteit van Amsterdam.

Ik heb even op internet wat informatie opgezocht over Barbara Baarsma en zie overal vermeld dat zij “cum laude” doctoraal examen economie heeft gedaan aan de Universiteit van Amsterdam, zie bijv. SEO Barbara Baarsma. Nu heb ik toevallig aan diezelfde universiteit ook cum laude doctoraal examen gedaan (niet in de economie, maar in de wiskunde), alleen vermeld ik het nooit; eigenlijk vind ik dat soort dingen een beetje genant. Maar ik doe dan ook niet zo veel aan “self promotion” (hoewel ik, paradoxaal genoeg, me daar nu net even in dit stukje aan heb schuldig gemaakt teneinde personen die nu zouden willen opmerken: “Als Piet Groeneboom cum laude doctoraal had gedaan, zou hij het ook vermelden” de wind uit de zeilen nemen). Die “self promotion” is op het ogenblik erg in de mode zonder dat veel mensen daar aanstoot aan lijken te nemen. Misschien moeten we dit wijten aan de zg. “gesel van de markt”, waar Barbara Baarsma als hoogleraar marktwerking natuurlijk alles van af weet.

Ik zag op de internet sites dat Barbara Baarsma een echte “netwerker” is. Onder haar nevenfuncties staan bijvoorbeeld vermeld: lid van de Raad van Commissarissen Loyalis NV, lid van de visitatiecommissie Nederlandse Publieke Omroep en lid van de Raad van Toezicht St. Elisabeth ziekenhuis, Tilburg. Dit laatste trof mij even. Misschien zou zij als lid van de Raad van Toezicht St. Elisabeth ziekenhuis, Tilburg, weer eens kunnen kijken naar wat er toch in hemelsnaam met de organen van Denise Schouten is gebeurd die uit dit ziekenhuis zijn verdwenen? Zie voor informatie over deze zaak: Het verdwenen hart van Denise Schouten.

Mevrouw Baarsma viel Emile Roemer o.a. aan op het programmapunt van de SP dat de minimum lonen omhoog moeten.
De redenering was: “Als arbeid door een verhoogd minimumloon te duur wordt zullen werkgevers minder mensen aannemen. Door een hoger minimumloon veroordeelt u mensen tot een uitkering.”
Emile Roemer antwoordde terecht:
1. Mensen die wel werk hebben, maar aan de onderkant van de loonschaal zitten, kunnen niet rondkomen (reden waarom het minimumloon omhoog moet).
2. De stelling “Als arbeid door een verhoogd minimumloon te duur wordt zullen werkgevers minder mensen aannemen” is onjuist, maar wordt wel steeds opgevoerd als bangmakerij.

Bovendien, zou ik hier aan toe willen voegen, is dit geen argument tegen het verhogen van het minimumloon. Als het bedrijfsleven zich schuldig maakt aan het vergroten van misstanden op de arbeidsmarkt, moet de overheid het als zijn plicht zien om daar tegen op te treden. En niet zeggen: “laten we het minimumloon maar laag laten, zodat bedrijven goedkope arbeidskrachten kunnen aannemen”. Dat is een beetje de omgekeerde wereld, zou ik zeggen.

Emile Roemer diende haar volgens mij uitstekend van repliek, met het gevolg dat mevrouw Baarsma steeds nadrukkelijker (en laag bij de grondser) ging interrumperen. Die Emile Roemer vertegenwoordigt voor mij een uitstervend ras: een fatsoenlijke politicus, die niet gaat schreeuwen, niet kwaad wordt (althans niet zichtbaar), en rustig antwoord blijft geven, al wordt hij met allerlei onzin geconfronteerd. Hij zou m.i. een uitstekende premier zijn, ook al omdat hij heel goed geïnformeerd leek, iets wat bij Cohen niet altijd even duidelijk is (al zal hij natuurlijk een oneindig veel beter premier zijn dan JP Balkenende). Maar Emile Roemer hoort waarschijnlijk tot de verkeerde partij voor deze functie.


The day after: vrijspraak voor Lucia de Berk

April 15, 2010

Gisteren is Lucia de B., die nu voortaan “Lucia de Berk” genoemd mag worden, zoals allerlei mensen, bijvoorbeeld Richard Gill en ik, al lang deden, definitief vrijgesproken en ook is duidelijk uitgesproken dat het idee dat er sprake was van “moorden” naar het rijk der fabeltjes moet worden verwezen. Inmiddels heeft een aantal juristen zich voor deze vrijspraak echter ten onrechte op de borst geslagen. Gisteren las ik op Teletekst: “De vrijspraak na een gesloten strafzaak bewijst volgens een raadsheer dat het rechtssysteem werkt”. Hoe durft justitie hier nog mee aan te komen! Als niet van buiten het juridische systeem actie was gevoerd zat Lucia nog steeds in de gevangenis!

Er worden nu wel veel krokodillentranen gestort, maar Buruma zei gisteren bijv. in het interview: Lucia de B. definitief vrijgesproken: “In de zaak Lucia de B. zijn 70 deskundigen geraadpleegd”. En verder dat hij niet de noodzaak ziet van procedurele veranderingen in de rechtspraak. Dus met een pleidooi voor een onafhankelijke revisieraad zijn we bij Buruma aan het verkeerde adres (die zich overigens in het interview weer op de borst sloeg voor “zijn” CEAS).

Zijn opmerking “In de zaak Lucia de B. zijn 70 deskundigen geraadpleegd” roept de volgende vragen op:
1. Wat is de definitie van “deskundige” en hoe heeft de rechtbank/het hof deze “deskundigen” gekozen? We weten hoe de “deskundigen” voor de statistiek (de rechtspsycholoog Elffers en de jurist prof. de Mulder met zijn graad in “Business administration”) zijn gekozen.
2. Hoe komt hij aan dit ronde getal van 70?

Bij dit laatste moest ik weer even denken aan zijn opmerking dat 80 hoogleraren statistiek de petitie hadden getekend, en, nadat hij gewezen was op de onjuistheid van deze opmerking: “Dat ik de krant volgde waarin stond dat er 80 statistici waren terwijl het kennelijk ook om vogels van andere wetenschappelijke pluimage ging, is typisch een detail waarvan de relevantie mij ontgaat.”, zie mijn stukje uit 2007: Wie hebben de petitie voor heropening van de Lucia de Berk zaak getekend?

Buruma zei hier ook nog in zijn brief aan een aantal mensen (waar ik toe behoorde): “Want er kunnen 1000 statistici op hun hoofd gaan staan: strikt juridisch heeft de statistiek vrijwel alleen (wellicht) een rol gespeeld in de overtuiging van het hof, niet in de selectie van de bewijsmiddelen.” Een regelrechte onwaarheid, want statistiek over “coïncidenties” was het enige dat het hof had (en in feite ook het hele arrest door gebruikt heeft).
Helaas stelde de interviewer niet de bovenstaande vragen, maar zei hij bijv.: “Misschien heeft het hof wel te veel deskundigen geraadpleegd”.

De voorzitter van de raad voor de rechtspraak, Erik van den Emster, zegt in zijn reactie Voorzitter Raad voor de rechtspraak reageert op vrijspraak Lucia de Berk ook weer allemaal dingen die mij in het verkeerde keelgat schoten, zoals: “Laten we wel wezen: dit zijn gelukkig, hoe ernstig ook, uitzonderlijke zaken.” Dit horen we steeds, maar zo iemand als Knoops denkt daar heel anders over (en ik eigenlijk ook): wat we zien is het topje van de ijsberg.

Gelukkig zijn een heleboel mensen over deze reactie van de voorzitter van de raad voor de rechtspraak gevallen, zoals te zien is in de commentaren op deze site, bijvoorbeeld van Willem Wagenaar:
“Het is toch raar dat de Raad voor de Rechtspraak volhoudt dat het systeem werkt. De werkelijkheid is dat de rechterlijke macht alles heeft gedaan om revisie tegen te houden. De zaak is op gang gekomen door de vasthoudendheid van individuele burgers. Daarbij kwam de toevallige omstandigheid dat de CEAS juist in deze periode openstond voor aanmelding van twijfelachtige veroordelingen. Over Lucia was er toen al heel veel twijfel gewekt. De eerste groepen die aangewezen zijn om zaken bij de CEAS te melden zijn politie en OM. Maar hier heeft niemand die taak op zich genomen. Prof. Derksen deed dat wel; zonder hem zou het systeem nooit gewerkt hebben. De CEAS is een tijdelijke commissie die niet bij het systeem hoort. Met de Hoge Raad als uiteindelijke beslisser kan het systeem niet werken, omdat ieder strikt juridisch college de neiging zal vertonen om de fouten van voorgaande colleges te herhalen of zelfs te versterken. De conclusie van de Raad voor de Rechtspraak had moeten zijn dat het systeem niet werkt en dat er een structurele wijziging van het systeem nodig is. Bijvoorbeeld door de instelling van een revisieraad die niet alleen uit juristen bestaat.”
Hij heeft volkomen gelijk!

En een zekere Niek Heering zegt (o.a.): “Het gaat dan ook niet om de foute interpretatie van deskundigenbewijs, zoals de Raad voor de Rechtspraak ons nu wil wijs maken, maar om het feit dat de rechtspraak niet weet wie deskundig is.” Inderdaad!

De zaak Louwes is nu weer wat op de achtergrond. Ik heb me inmiddels vrij grondig in deze zaak verdiept en dat heeft mijn mening dat politie en justitie de ene fout na de andere hebben gemaakt alleen maar versterkt. Onlangs is bijvoorbeeld weer aan het licht gekomen dat tijden op de weerkaarten verkeerd zijn geïnterpreteerd (van de internationale tijd moest twee uur worden afgetrokken), waardoor duidelijk werd dat het gesprek van Louwes van de A28 dat opgevangen was door een mast in Deventer in feite twee uur eerder heeft plaatsgehad dan men aannam. Toen was het windstil en er was geen regen, i.t.t. twee uur later! In die weersomstandigheden was het heel goed mogelijk dat de mast het gesprek van Louwes opving en in ieder geval is het argument van weersomstandigheden die dit onmogelijk zouden maken nu weggevallen. Er is zelfs een filmpje op youtube gezet over deze kwestie: Into each life some rain must fall. Maurice de Hond zei hierover: misschien moeten we niet een “deskundigenregister” opzetten (één van de vele slechte ideeën van justitie om de zaak voor de toekomst dicht te timmeren en op die manier nog meer dan vroeger alleen bevriende “deskundigen” te raadplegen), maar in plaats daarvan een “burgerregister”.

Maar voor Louwes zie ik het somber in. Want ik geloof dat justitie er meer op gericht is het naar buiten komen van dit soort dingen te verhinderen dan dat ze er op gericht zijn meer openheid te creëren.
Het vest en de broek van de weduwe in de Deventer moordzaak zijn nog steeds “zoek”, en niemand weet (of zegt te weten) wat er in al die jaren dat de blouse (die de weduwe onder het vest aanhad) niet als bewijsstuk werd gehanteerd met die blouse is gebeurd. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat justitie hier mee weg kan komen! Louwes heeft de twee rechercheurs die hier verantwoordelijk voor waren in een artikel 12 procedure voor het hof in Leeuwarden gedaagd. Ze zijn in eerste instantie niet op komen dagen, maar één heeft laten weten die blouse maar even gezien te hebben (hij was ziek in de tijd dat hij dit behandeld zou hebben) en de ander heeft gezegd dat hij ook niet uit eigen ervaring wist wat er met die blouse is gebeurd, maar dat hij had opgeschreven wat hij dacht dat er gebeurd was. De conclusie van het hof was echter dat er geen sprake was van een valselijk opgemaakt proces verbaal, maar dat het alleen ongelooflijk amateuristisch was.

Maurice de Hond probeert (ondanks het feit dat hij is gesommeerd zijn mond te houden) een herzieningsverzoek voor te bereiden. De advocaat Knoops probeert nu al een jaar de protocollen (die je in Amerika automatisch krijgt van de FBI laboratoria bij contra-expertise) voor het DNA onderzoek van het NFI los te krijgen. Daaruit zou waarschijnlijk blijken dat het NFI zich niet aan de voorschriften van de leverancier van de apparatuur voor het DNA onderzoek heeft gehouden (er is door Knoops vorig jaar december zelfs een dagvaarding naar de landsadvocaat gestuurd). Het NFI weigert echter tot nu toe die protocollen af te geven. Waarschijnlijk is er weer nog een rechtszaak nodig om dit af te dwingen. Er loopt ook nog een (artikel 12) procedure wegens beschuldiging van meineed van Michael de J. (de “klusjesman”) en zijn vriendin Meike, waarnaar het OM ook weigert onderzoek te doen. Van de handschriftproeven van de vriendin van Michael de J. hebben politie en OM overigens ook weer gedeelten “zoekgemaakt”, en Michael de J. en zijn vriendin worden door de politie+OM erg “uit de wind” gehouden. Ook is er natuurlijk het boek van Bas Haan dat inmiddels op een aantal essentiële punten door verschillende mensen is bestreden. Maar Louwes heeft erg de wind tegen en er zou een omslag nodig zijn om dit te keren, net als de omslag die er bij de zaak Lucia de Berk is geweest. We hoeven daarbij niet te hopen dat het OM of de rechterlijke macht die omslag zal bewerkstelligen.


Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 4

April 3, 2010

Aangekomen in Tashkent werden wij per bus naar het centrum met de hotels vervoerd. Ik had mij niet vooraf geregistreerd en daardoor was er in het hotel Uzbekistan geen kamer voor me. Het was in dat hotel trouwens nog heel duidelijk het “pre-computer” tijdperk, want aan de balie waren allemaal meisjes met kleine opschrijfboekjes in de weer, waarin ze namen en kamernummers opschreven. Nadat duidelijk was geworden dat ik uitgenodigd spreker was, kreeg ik echter onmiddellijk een kamer alleen, terwijl de niet-uitgenodigde sprekers met z’n tweeën op een kamer werden gestouwd. Iemand (ik geloof Bernard Silverman) heeft naar aanleiding van deze zeer ongelijke behandeling van uitgenodigde en niet-uitgenodigde sprekers nog opgemerkt: “Nergens is een strenger klassenonderscheid dan in de sovjet unie”.

Het was echter maar goed dat ik me niet geregistreerd had, want anders had ik één of twee chaperonnes gehad en was ik voortdurend in de gaten gehouden. Ook zou ik dan gelogeerd hebben in een gebouw met een hek er omheen, waar je niet zo maar in en uit kon. Hoge Bernoulli society officials, zoals B., logeerden daar ook. Mensen die hier verbleven werden rondgereden in een limousine en op een gegeven tijdstip van de avond met zachte drang van de chaperonnes weer richting “huis” gestuurd (als ze bijvoorbeeld nog wat zaten te drinken in mijn hotel Uzbekistan; ik geloof dat ze om 11 uur binnen moesten zijn).

Als ik me goed herinner, hing er op het hotel Uzbekistan een doek met (Ω,F,P) en op allerlei plekken in de stad was dit (Ω,F,P) ook te zien ter ere van dit eerste wereld Bernoulli congres. Het lijkt me ondenkbaar dat in Amsterdam ter ere van een congres van de Bernoulli society (Ω,F,P) te zien zou zijn op de bus of op openbare gebouwen, maar in Tashkent kon dat dus wel (in 1986). Het suggereert dat de wetenschap daar mogelijk toch in hoger aanzien staat (stond). Het symbool Ω staat voor “kansruimte”, de F voor iets dat de verzameling gebeurtenissen aanduidt waar het kansmodel over gaat en de P voor de kansmaat.

Bij de opening van de conferentie werden wij onder andere toegesproken door een (stevige) dame “van de partij”, die een betoog hield dat simultaan werd vertaald en als teneur had dat alle belangrijke ontwikkelingen in de wetenschap in het Russische rijk, en met name in Tashkent, geïnitieerd waren en dat daarna het Westen hier achteraan was gelopen. In het bijzonder werd in dit verband ook de sterrenkunde belicht. Meteen de eerste dag waren trouwens al allemaal mensen ziek geworden en overal zag je bezoekers met van pijn vertrokken gezicht rondlopen (en luisteren naar deze voordracht, die van zichzelf al enigszins pijnlijk was), met de hand op de maagstreek. Merkwaardig genoeg had ik geen last, misschien omdat ik niet zo veel at en ook niet het kraanwater dronk dat vaak de bekende bruine kleur vertoonde. In de interessante serie van Jelle Brandt Corstius wordt ook aandacht aan dit laatste besteed.

Sommige mensen werden in de loop van de week zo ziek dat ze in een ziekenhuis moesten worden opgenomen. Terry Lyons, over wie ik het al had in deel 1, was zo iemand en heeft mij later verteld dat hij dacht dat het bezoek aan Tashkent een klap aan zijn gezondheid heeft toegebracht waarvan hij nooit meer is hersteld. En het verblijven in een ziekenhuis in Tashkent was ook geen pretje. Hij zei hierover: “They were as anxious to see me leave as I was”.

Omdat ik echter geen last had van darmkrampen of andere narigheden, heb ik me eigenlijk wel vermaakt op die conferentie en in de volle café’s in Tashkent met “live music” en kleine dansvloertjes waar door Tashkentenaren op werd gedanst. Voor de uitgenodigde sprekers was een vliegtuig naar Samarkand georganiseerd, de niet-uitgenodigde sprekers moesten zelf maar uitzoeken hoe ze daar zouden komen en daardoor hebben de meeste van dezen Samarkand gemist, geloof ik. Maar dat zien van Samarkand was eigenlijk één van de aantrekkelijke kanten van deze conferentie in Tashkent voor mij, dus ik ben wel gegaan. Aangekomen in Samarkand werden wij eerst gedwongen te luisteren naar een uiteenzetting van een uur over bontmantels in een schapeninstituut, een absurde Murakami-achtige gebeurtenis. Ik zat daarbij (tegen mijn gewoonte in) tamelijk vooraan, zodat ongemerkt wegglippen niet goed mogelijk was, maar telkens als ik omkeek zag ik stilletjes iemand op de achterste rijen wegglippen. Daarna heb ik echter toch heel wat “islamitische kunst” gezien, die de bewering van Wilders dat de Islam tot barbarij leidt toch enigszins logenstraft.

Ook heb ik nog een tripje gemaakt waarbij ik een berg heb beklommen, wat een tamelijk gevaarlijke onderneming was vanwege de losse rotsblokken, die op een gegeven moment naar beneden begonnen te rollen. Gelukkig was ik deze keer, net als op het schapeninstituut, in de voorhoede. Sterker nog, ik was de voorste klimmer, waardoor ik als enige de top van de berg heb bereikt, terwijl de anderen schuil zochten tegen de rollende rotsblokken (o.a. door mijn klimmen veroorzaakt). Wel is het een wonder dat er bij die “vrije klimpartij” geen ernstige ongelukken zijn gebeurd (we waren in een bus naar het gebergte vervoerd en daarna zonder enige begeleiding op die bergen losgelaten).

Tijdens dit bezoek van Tashkent overkwam mij nog iets merkwaardigs. Ik liep op straat met een aantal Nederlandse bezoekers van de conferentie. Ineens kwam een tamelijk mooie jonge vrouw op mij af met een brief in de hand. Ze zei tegen mij in het Engels: “Zou je deze brief voor mij mee willen nemen naar het Westen en hem daar op de bus willen doen? Je mag die brief lezen, ik heb de enveloppe niet dichtgeplakt. Het is een brief aan een vriend. Als ik hem hier op de post doe, komt hij niet aan.” Ik weet eigenlijk niet meer precies wat mijn collega’s hiervan vonden, maar ik zag eigenlijk geen reden om niet aan haar verzoek te voldoen. Dus ik beloofde haar dat te zullen doen, waarna ze heel dankbaar leek. Ik vroeg me nog wel even af “Why me?”: wat brengt iemand ertoe midden in een groep mensen één persoon uit te kiezen om dit verzoek aan te doen? Hoe kies je? Ik zou zelf geloof ik een seksegenoot kiezen. Wel meen ik me te herinneren dat geopperd werd (door mijn collega’s) dat ik hier last mee zou kunnen krijgen en dat het misschien wel een brief “in code” was, die de sovjet unie uitgesmokkeld moest worden. Maar ach, ik zou door B. toch al de Bernoulli society worden uitgedonderd (dacht ik toen), dus dan kon dit er ook nog wel bij…

Terug in Nederland heb ik toch maar even deze brief gelezen en het bleek een vurige liefdesbrief aan een Franse jongen te zijn, met wie de schrijfster kennelijk het jaar daarvoor een vakantie had doorgebracht (tenzij het “code” was, wat mij echter tamelijk onwaarschijnlijk leek). Het leek me een hopeloze liefde, maar ik heb de brief inderdaad in Nederland op de bus gedaan…


Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 3

March 31, 2010

Ik kom nu bij de andere vragen aan het begin van mijn vorige stukje: ” Wat bezielt de schrijver om deze gebeurtenissen, die ongeveer 24 jaar geleden plaatsvonden, aan de openbaarheid prijs te geven?” en “Wat is het psychologisch motief hierachter?” Het antwoord op vraag 1 is dat ik afgelopen zondag een uitzending heb gezien over de refuseniks op de Joodse omroep (Nederland 2), waarin ik een foto zag van één van de refuseniks die ik in 1986 heb opgezocht in Moskou (Alexander Joffe). Hij was in feite het contact dat ik op moest bellen. Het psychologisch motief is dat ik de herinneringen aan mijn bezoek van de refuseniks en alles wat zich daaromheen afspeelde nu al 24 jaar met me meedraag en wil dat dit op een of anderen manier bewaard blijft en niet “dissolves into thin air” omdat ik er verder mijn mond over houd.

Afgezien van het feit dat het bezoek aan de refuseniks een onvergetelijke indruk op mij heeft gemaakt, is me altijd de intimidatie bijgebleven die op mij werd uitgeoefend om van dit bezoek af te zien. Ik beschreef in deel 1 al dat de Engelse delegatie van het bezoek afzag vanwege het dreigement uit Moskou dat bezoeken van de refuseniks zou leiden tot cancelen van de conferentie. Ook besprak ik de brief die ik had gekregen, waarin de Amerikaanse mevrouw G. aan de Nederlandse statisticus B. had geschreven: “Make sure nothing of the kind will happen”, die aan mij door was gestuurd. Richard Gill heeft daar inmiddels al op gereageerd in zijn commentaar op deel 1 van deze blog.

Het bleef niet bij deze eerste pogingen tot intimidatie om het bezoek aan de refuseniks te verijdelen. In het vliegtuig van Moskou naar Tashkent kwam B. op mij af en vroeg: “Piet, ben jij nog steeds van plan de refuseniks op te zoeken?”. Toen ik bevestigend antwoordde, zei hij tegen mij: “Als je maar weet dat als je dit doorzet dit ernstige gevolgen voor je positie in de Bernoulli society zal hebben!”.

De Home Page van de Bernoulli Society zegt:
The Bernoulli Society was founded in 1975 as a Section of the International Statistical Institute ISI). The Bernoulli Society now has a membership of more than 1000 representing nearly 70 countries, a third of those also being members of the ISI who chose the Bernoulli Society as their Section. The objectives of the Bernoulli Society are the advancement of the sciences of probability (including stochastic processes) and mathematical statistics and of their applications to all those aspects of human endeavour, which are directed towards the increase of natural knowledge and the welfare of mankind. The activities of the Bernoulli Society include organizing or sponsoring international and regional meetings and publications, on its own or jointly with other professional societies. These meetings and publications have a prominent relevance in the fields of mathematical statistics, probability, stochastic processes and their applications.

En de Wikipedia zegt: “Mathematical statisticians and probabilists from all around the world may take advantage of the benefits and opportunities which Bernoulli Society membership provides.”

Dus dat “Als je maar weet dat als je dit doorzet dit ernstige gevolgen voor je positie in de Bernoulli society zal hebben!” klonk wel “heftig”, om modern jargon te gebruiken, en ik dacht dat hij bedoelde dat hij er voor zou zorgen dat ik uit de Bernoulli society gedonderd zou worden. En wat voelde ik toen (in 1986)? Vooral nieuwsgierigheid over hoe dat dan in zijn werk zou gaan.

“Piet Groeneboom zet zijn plan om de refuseniks te bezoeken door. De refuseniks zijn joden in de sovjet unie die gevraagd hebben om te mogen emigreren. Die mogen niet worden opgezocht. Piet Groeneboom moet daarom uit de Bernoulli society worden gestoten.”

Ik vroeg me af hoeveel mensen voor deze redenering zouden vallen. Maar je weet het maar nooit, natuurlijk. De vrees voor repercussies en gevolgen voor carrière is wijd verbreid, ook onder wetenschappers. Een Amerikaanse collega heeft wel eens tegen mij gezegd na een diner in de plaatselijke herberg van Oberwolfach, toen ik hem had gevraagd: “Waarom heb je dat gezegd?” (iets dat lijnrecht inging tegen iets dat hij net tevoren tegen mij had gezegd): “So-and-so is a very powerful man; I have to think of my future!”. En in dit geval ging het zelfs om zoiets onbenulligs als het kiezen van de wijn! So-and-so had gevraagd aan de tafel waaraan we zaten te eten: “Who votes for Piet’s choice of wine?”, met de toevoeging” “It smells like manure” (wat aan de bekende film “Back to the future” doet denken). Dat had mijn Amerikaanse collega niet aangedurfd: in dit gezelschap van machtige mannen te kiezen voor “Piet’s choice of wine”! “He had to think of his future”.

In de film “Back to the future” rijdt de antagonist “Biff” van de vader van de hoofdpersoon aan het begin van de film na een wilde achtervolging van de hoofdpersoon tegen een vrachtauto met mest op, die over zijn open convertible wordt uitgestort, waarna hij zegt “I hate manure”. Deze scène herhaalt zich in de vervolgen op deze film. Biff is altijd omringd door zijn “pals”, waaronder een jongen met een witte zonnebril, terwijl de hoofdpersoon er alleen voor staat (afgezien van de hulp die hij krijgt van een “mad scientist”). Een zeer herkenbare situatie…

Jaren later bleek overigens dat, na mijn verzekering in het vliegtuig van Moskou naar Tashkent dat ik gewoon de refuseniks op zou gaan zoeken, het (door mij toen niet volledig begrepen) “dreigement” dat in het vliegtuig tegen mij was geuit in Tashkent een invulling had gekregen.


Een bezoek aan de refuseniks en een conferentie in Tashkent, deel 2

March 31, 2010

Men kan zich afvragen: wat bezielt de schrijver om deze gebeurtenissen, die ongeveer 24 jaar geleden plaatsvonden, aan de openbaarheid prijs te geven? Wat is het psychologisch motief hierachter? En waarom moet dat allemaal op internet?

Laat ik beginnen met de laatste vraag te beantwoorden. Ik was bijzonder verrast om op internet een document (proefschrift) Rechters in oorlogstijd aan te treffen, waarin een zaak die mijn vader in 1941 als advocaat voor de hoge raad heeft verdedigd wordt beschreven. Dat is nog wel iets langer geleden dan 1986! Tijdens de oorlog heeft hij als advocaat heel veel aanvaringen met de bezetter gehad en is daardoor op een gegeven moment ook op transport gezet naar Duitsland (maar door zeer handig optreden de dans ontsprongen). Na de oorlog was hij raadsheer in het Bijzonder Gerechtshof (dat oorlogsmisdadigers berechtte).

Het proefschrift Rechters in oorlogstijd, waarop Derk Venema in 2007 promoveerde aan de juridische faculteit van de Radboud Universiteit Nijmegen, heeft als ondertitel:
“De confrontatie van de Nederlandse rechterlijke macht met nationaal-socialisme en bezetting”. Hierin wordt op blz. 155 een pleidooi dat mijn vader als advocaat voor de hoge raad in 1941 hield beschreven, waarbij het ging om “kopen van varkensvlees zonder geldige bonnen”. Hij verdedigde de man die deze “misdaad” had begaan in cassatie voor de hoge raad! Maar het was tevens een poging het aanpassen van de wet waar de Duitsers mee bezig waren tegen te gaan. De hoge raad is het natuurlijk niet met hem eens en kiest de kant van de bezetter. Een kwestie van subtiele diplomatie, zullen we maar zeggen!

Ik was de naam van mijn vader eerder tegengekomen in een document over het (foute) gedrag van de hoge raad in de oorlog en in het bijzonder in verband met deze zaak van de “zwarthandelaar” die dus (zoals ik nu heb gelezen) varkensvlees had gekocht zonder bonnen. Dus de definitie van “zwarthandel” omvatte “kopen zonder bonnen”. Dat lijkt me al enigszins een oprekking van het begrip “zwarthandel”, maar wie ben ik…

Ik wijd deze blog nu maar verder aan de interessante uiteenzetting van Derk Venema over deze zaak. Hij zegt:
“De raadsman van de verdachte, P. Groeneboom, betoogde in zijn pleidooi voor de hoge raad op 27 oktober 1941 dat de rechter de bevoegdheid heeft verordeningen van de bezetter te toetsen aan het Landoorlogreglement, het decreet van de Führer en de eerste verordening van de Rijkscommissaris. Art. 43 LOR bepaalt, zoals in paragraaf 3.2.2 besproken, dat een bezettende macht maatregelen treft tot herstel en handhaving van de openbare orde en het openbare leven ‘met eerbiediging van de in het land geldende wetten’. Alleen in het geval van ‘volstrekte verhindering’ mocht de bezetter met die maatregelen de nationale wetten terzijde schuiven. Volgens Groeneboom waren de wetten betreffende de inrichting van de Nederlandse rechtspraak geen ‘volstrekte hindernis’ voor de bezettende macht om ‘de openbare orde en het openbare leven te herstellen en te verzekeren’. Ook waren ze ‘mit der Besatzung vereinbar’, zoals geëist door §5 van het decreet van de Führer en §2 van de Verordening van de Rijkscommissaris. Daarom had de bezetter de wettelijke regeling van de rechtspraak niet opzij hoeven zetten, wat feitelijk het effect was van de invoering van een aparte politierechter voor economische delicten met aangepaste procesregels. Advocaat-Generaal Rombach leidt uit dit betoog af dat volgens Groeneboom de strijdigheid van de verordening tot instelling van de economische rechtspraak met deze regelingen tot gevolg zou hebben, dat die verordening onverbindend is, waardoor hof en rechtbank onbevoegd zouden zijn.”

Dan komt een passage over het mij werkelijk verbijsterende antwoord van de advocaat-generaal van de hoge raad Rombach:
“Rombach is het hier zelf niet mee eens: een behoorlijk bestuur van het bezette gebied is de taak van de bezetter, die daarvoor ook justitiële regelingen moet kunnen aanpassen. De economische rechtspraak was nodig voor zo’n behoorlijk bestuur, en de Nederlandse wetgever zou in deze economische situatie hetzelfde hebben kunnen doen. Bovendien vindt Rombach dat de invoering van de economische rechtspraak niet zo ingrijpend is geweest dat van ‘niet-eerbiediging van de hier te lande geldende wetten kan worden gesproken’. Daarom komt volgens hem de toetsingsvraag niet aan de orde.”

De hoge raad neemt het oordeel van Rombach over:
“De hoge raad oordeelt dat de betreffende verordening van de secretaris-generaal als een ‘door de bezettende macht genomen maatregel van wetgevende aard’ te beschouwen is, omdat ze indirect afkomstig is van de rijkscommissaris. Die heeft vanwege de bezetting (de hoge raad zegt hier dat Nederlandse bevolking zich onder het gezag van ‘het leger van de bezetter’ bevindt, terwijl er een burgerlijk bezettingsbestuur was) volgens artt. 42 en 43 LOR en het decreet van de Führer en zijn eigen eerste verordening de bevoegdheid bindende regels op te stellen tot herstel en verzekering van de openbare orde. Vervolgens zouden volgens de strafkamer al zulke voorschriften ‘onder de huidige omstandigheden’ te beschouwen zijn als Nederlandse wetten. Daarom beschouwt de hoge raad het beroep op de ongeldigheid van de verordening als een klacht wegens schending of verkeerde toepassing van ‘de wet’, zoals bedoeld in het toenmalige art. 99 lid 1 Wet op de Rechterlijke Organisatie (Wet RO).”

Concluderend zegt Venema over deze kwestie:

“Het gevolg hiervan was volgens de hoge raad dat de verordeningen van de bezetter en de secretarissen-generaal evenmin als gewone wetgeving getoetst konden worden op hun innerlijke waarde of billijkheid (art. 11 Wet Algemene Bepalingen) of aan verdragen zoals het Landoorlogreglement of aan het decreet van de Führer. Tenslotte zou uit de tekst, de geschiedenis en de Nederlandse parlementaire geschiedenis van het landoorlogreglement niet blijken dat aan de rechter van een bezet gebied een bevoegdheid toekomt tot toetsing van maatregelen van de bezetter aan het landoorlogreglement. Het middel kon dus niet tot cassatie leiden: de veroordeling door de economische rechter bleef dus in stand, omdat de verordening waarbij de economische rechtspraak was ingesteld de geldigheid heeft van een wet.

Met deze ontkenning van de mogelijkheid om de regels die uitgevaardigd worden door de nationaal-socialistische overheerser te toetsen, sloot Nederland aan bij wat ook in Duitsland en Italië de regel was. Hitler had op basis van twee noodmaatregelen de bevoegdheid onaantastbare wetten uit te vaardigen en de rechterlijke macht erkende zijn eigen onbevoegdheid om ‘politieke’ maatregelen te toetsen, waarbij ‘politiek’ datgene was wat de politieke instanties als politiek beschouwen. In Italië erkende het Hof van Cassatie de vrije verordenende bevoegdheid van Mussolini en de onbevoegdheid van de rechter die te controleren.”

Dus een zaak met tamelijk verstrekkende gevolgen! Waarschijnlijk lieten de formele regels toch een zekere speelruimte toe en ik heb in dit geval de indruk dat binnen deze regels de advocaat-generaal Rombach de kant van de bezetter kiest, terwijl mijn vader probeerde nog wat tegengas te geven.
Ik was deze zaak trouwens al eerder tegengekomen op internet en ik wist er op dat moment nog niets van.

Nu ga ik vervolgens het hele proefschrift van Derk Venema lezen (ben ik tenminste van plan; het is wel 465 blzn., proefschriften in de wiskunde zijn een stuk korter!), want ik vind dit allemaal geweldig interessant. Er staan ook wat beschouwingen in over Hegel, bijv. de secties “Hegel als inspiratiebron voor nationaal-socialisten”, “Hegel in de Nederlandse rechtsfilosofie”. Hegel is iemand die in de Angelsaksische filosofie meestal bijzonder onpopulair is en was, om niet te zeggen “het pispaaltje” was (ook bij de Wiener Kreis trouwens), maar daarentegen op het continent nogal omarmd is door de fenomenologen. Ik verheug me op het lezen over zijn rol in de Nederlandse rechtsfilosofie! En dat heb ik dus zo maar allemaal gevonden op internet!

Epiloog. Ik heb inmiddels contact met Derk Venema, die mij o.a. schreef: “Ja, uw vader speelde een belangrijke rol in de, onder juristen, meest beruchte Nederlandse rechtszaak uit de bezettingstijd.”. En: “Het is aan uw vader te danken dat deze cruciale kwestie tot aan de Hoge Raad aan de orde is gesteld. Er was toch wel moed voor nodig om deze zaak op scherp te stellen voor de hoogste rechter, en ik weet niet of dit hem nog in moeilijkheden heeft gebracht.”
Ik geloof niet dat per se deze zaak hem nu in moeilijkheden heeft gebracht, maar wel zijn “brutaliteit” tegen Duitse rechters, bij het verdedigen van joden tijdens de oorlog. Om die reden is hij ook op een gegeven moment aan het eind van de oorlog opgepakt van huis, bij welke gelegenheid hij afscheid van mij kwam nemen, geflankeerd door twee soldaten. Ik schijn vanuit mijn kinderbedje geroepen te hebben: “Ha, soldaten!”, in dit verband schrijnende woorden die ik later nog vaak van hem heb moeten horen. Het doet een beetje denken aan een zin in Gerard Reve’s meesterwerk “De ondergang van de familie Boslowits”: “Echt in de oorlog, prachtig”, zei ik zacht voor mezelf.